Terug

2017_DRBZL_00037 - Binnengemeentelijke decentralisatie - Nota ontwerp van delegatiebesluiten. Advies - Goedkeuring

districtsraad Berendrecht Zandvliet Lillo
ma 24/04/2017 - 20:00 districtshuis Berendrecht-Zandvliet-Lillo
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Karel Hendrickx, voorzitter districtsraad; Rudi Sempels, districtsschepen; Marcel Bartholomeeussen, districtsschepen; Zander Vliegen, districtsraadslid; Jenny Vekemans, districtsraadslid; Roger Dons, districtsraadslid ; Frank Frederickx, districtsraadslid; Carl Geeraerts, voorzitter districtscollege; Marc Maes, districtsraadslid; Raf Crynen, districtsraadslid; Walter Sillis, districtsraadslid; Jan Smets, districtssecretaris

Afwezig

Willem Van Alsenoy, districtsraadslid

Verontschuldigd

Nathalie Aertssen, districtsschepen; An Van Uffelen, districtsraadslid; Gert Van Herck, districtsraadslid; Liesbeth Sleymer, plaatsvervangend districtssecretaris

Secretaris

Jan Smets, districtssecretaris

Voorzitter

Karel Hendrickx, voorzitter districtsraad
2017_DRBZL_00037 - Binnengemeentelijke decentralisatie - Nota ontwerp van delegatiebesluiten. Advies - Goedkeuring 2017_DRBZL_00037 - Binnengemeentelijke decentralisatie - Nota ontwerp van delegatiebesluiten. Advies - Goedkeuring

Motivering

Gekoppelde besluiten

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 4, §2 van het bijzonder decreet betreffende de voorwaarden en de wijze van oprichting van binnengemeentelijke territoriale organen bepaalt dat de gemeentelijke organen de toegestane bevoegdheidsoverdrachten en de criteria betreffende dotaties slechts kunnen wijzigen nadat hierover vooraf advies werd uitgebracht door de bevoegde districtsoverheden. Deze beschikken over een termijn van drie maanden om hun advies uit te brengen, zoniet wordt het geacht gunstig te zijn.

Aanleiding en context

Op 20 december 1999 besliste de gemeenteraad de binnengemeentelijke decentralisatie naar wettelijk model in te voeren (jaarnummer 3128). Overeenkomstig artikel 340 van de Nieuwe Gemeentewet, op 15 juli 2005 vervangen door artikel 282 van het Gemeentedecreet, besliste de burgemeester, het college van burgemeester en schepenen en de gemeenteraad bevoegdheden van gemeentelijk belang waarover zij beschikken over te dragen naar de voorzitters van de districtsraden, het districtscollege en de districtsraad.

Op 29 januari 2013 (jaarnummer 35) keurde de gemeenteraad het bestuursakkoord stad Antwerpen 2013-2018 goed. Resolutie 411 van dit bestuursakkoord bepaalt: "Een stadsbrede oefening is nodig om te onderzoeken welke bevoegdheden op termijn naar de districten kunnen gaan. Hierbij wordt gedacht aan persoonsgebonden materies zoals lokaal cultuur-, bib-, sport-, jeugd-en seniorenbeleid. Dit zijn zaken waarvoor een district principieel in aanmerking kan komen."

Op 25 april 2014 (jaarnummer 4463) keurde het college het decentralisatieprogramma 2014-2019 goed. Eén van de doelstellingen die in dit decentralisatieprogramma werden opgenomen, stelt dat de bevoegdheden en taken van de districten dienen verfijnd te worden (doelstelling 3, realisatie 2014-2017).

Om deze verfijning te realiseren werd eerst een gecoördineerde versie van de bestaande besluitvorming rond de binnengemeentelijke decentralisatie opgemaakt. Deze werden goedgekeurd op het college van 6 maart 2015 (jaarnummer 1791) en de gemeenteraad van 30 maart 2015 (jaarnummer 146).

Het college gunde op 5 december 2014 (jaarnummer 12362) een onderzoek naar de mogelijkheden en opportuniteiten tot bijsturing van het binnengemeentelijk samenwerkingsmodel. De Universiteit Tilburg startte het onderzoek op 1 april 2015. Het onderzoek bestond uit drie fases.

Het managementeam nam op 22 april 2015 (jaarnummer 149) kennis van de planning van het onderzoek en op 2 december 2015 (jaarnummer 539) van de resultaten van het onderzoek. Het college nam op 15 januari 2016 (jaarnummer 348) kennis van de resultaten van het onderzoek. Het onderzoek bevat een aantal aanbevelingen om het samenwerkingsmodel te versterken. Het college nam ook kennis van een discussienota over de versterking van het binnengemeentelijk samenwerkingsmodel. Hierbij wordt uitgegaan van volgende uitgangspunten:

  • de districten responsabiliseren, op het vlak van bevoegdheden, financiële en personele middelen;
  • transparantie en duidelijkheid verbeteren;
  • samenwerking versterken;
  • lokale binding verstevigen.

Het college gaf op 15 januari 2016 (jaarnummer 348) de opdracht aan het managementteam om de discussienota over het binnengemeentelijk samenwerkingsmodel verder uit te werken in overleg met de districten. Het managementteam nam kennis van de discussienota en de finale versie van de studie over het binnengemeentelijk samenwerkingsmodel.
Het managementteam gaf uitvoering aan de opdracht van het college om de discussienota over het binnengemeentelijk samenwerkingsmodel verder uit te voeren.

De voorliggende voorstellen van nieuwe besluiten rond binnengemeentelijke decentralisatie (bevoegdhedenbesluit, middelenbesluit en werkkader) werden opgemaakt in samenwerking met de betrokken bedrijfseenheden, in overleg met de verschillende bevoegde schepenen en bedrijfsdirecteurs en voor terugkoppeling voorgelegd aan de districtscolleges tijdens werkoverleggen op 20 en 27 oktober 2016, 9, 10, 21, 24 en 29 november 2016 en 1 december 2016. Het ontwerp werd besproken op een gemeenschappelijke raadscommissie stad-districten op 15 maart 2016.

Het ontwerp van decentralisatiebesluiten wordt voor advies voorgelegd aan de districtsraden. Daarna worden de besluiten ter goedkeuring voorgelegd aan het college en de gemeenteraad.

Argumentatie

In het kader van de verfijning van de bevoegdheden en taken van de districten dienen in uitvoering van het bestuursakkoord een aantal stappen te worden ondernomen.

De eerste stap bestond uit het scherpstellen van de overgedragen bevoegdheden zoals ze nu zijn. Daarom werden 13 besluiten van verschillende stedelijke bestuursorganen over de periode 2000-2014 opgeheven en vervangen door twee coördinatiebesluiten bevoegdheden districten.

In een tweede stap werd een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden en opportuniteiten tot bijsturing van het binnengemeentelijk samenwerkingsmodel. 

De derde en laatste stap is een verdere scherpstelling en delegatie van de bevoegdheden naar de districtsraden en -colleges. Hierbij worden ook de personele en financiële middelen en de samenwerking tussen stad, districten en administratie herbekeken.

Juridische grond

Artikel 282 van het Gemeentedecreet over de mogelijkheid van de gemeenteraad, het college en de burgemeester om bevoegdheden over te dragen aan de districtsraden, districtscolleges en districtsvoorzitters.

Artikel 289 van het Gemeentedecreet over het voorafgaand advies van de districtsraden over de manier waarop de financiering van de districten moet verlopen. 

Artikel 287 van het Gemeentedecreet over de personeelsformatie van de districten.

Beleidsdoelstellingen

7 - Sterk bestuurde stad
1TSB09 - Het binnengemeentelijk samenwerkingsmodel brengt het beleid dichter bij de burger
1TSB0901 - De 9 districtsbesturen worden ondersteund door de groep stad Antwerpen met het oog op een maximale realisatie van hun doelstellingen
1TSB090101 - We faciliteren, coördineren en bewaken het binnengemeentelijk samenwerkingsmodel

Besluit

De districtsraad Berendrecht Zandvliet Lillo keurt het volgende besluit goed met 9 stemmen voor en  2 onthoudingen.

Stemden voor: Carl Geeraerts (NV-A), Rudi Sempels (NV-A), Marc Maes (NV-A), Raf Crynen (NV-A), Karel Hendrickx (Team 2040), Marcel Bartholomeeussen (Team 2040), Zander Vliegen (Team 2040), Roger Dons (Team 2040), Frank Frederickx (Burgerbelangen).

Onthoudingen: Jenny Vekemans (Vlaams Belang), Walter Sillis (Vlaams Belang)

De districtsraad berendrecht zandvliet lillo beslist:

Artikel 1

De districtsraad neemt kennis van de nota met het voorstel van delegatiebesluiten, middelenbesluiten en werkkader binnengemeentelijke decentralisatie.

Artikel 2

De districtsraad verleent gunstig advies onder voorwaarden over het in de nota vermelde voorstel van bevoegdhedenbesluit tot delegatie van bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen naar de districtscolleges met volgende opmerkingen:

  • In de fase van de projectdefinitie van een lokaal project openbaar domein is het aangewezen dat het district zelf een voorstel van mobiliteitsvoorwaarden formuleert.  Gelet op de kennis en de ervaring van het district wordt het advies bij voorkeur gevolgd.  Slechts indien er in het kader van de verkeersveiligheid een probleem zou kunnen worden aangetoond, zou het stadsbestuur het voorstel van het district gemotiveerd mogen afwijzen en wordt een aangepast voorstel besproken met het district. (Hfst.II,1,1.2, artikel 11 en hfst.II,1,1.4.10).
  • In de nominatieve lijst van bovenlokale straten en pleinen moet de benaming van straten correct worden opgenomen en moet de geografische situering duidelijker omschreven worden. Bv. Antwerpsebaan (tot aan NX) is onbestaand, Steenovenstraat (tussen A12 en Zandweg): Steenovenstraat loopt niet tot de Zandweg. (Hfst.II,1,1.3.1).
  • De Antwerpsebaan tussen Steenovenstraat en Zandweg wordt idealiter ook een bovenlokale straat (wijkweg) (zie supra).

Artikel 3

De districtsraad verleent gunstig advies onder voorwaarden over het in de nota geformuleerde voorstel van bevoegdhedenbesluit tot delegatie van bevoegdheden van de gemeenteraad naar de districtsraden met volgende opmerkingen:

  • Bij de overdracht van bevoegdheden van de stad naar het district dienen tevens de nodige middelen hiervoor overgedragen te worden naar het district.  De overgedragen middelen mogen niet ondergewaardeerd zijn.
  • Het reglement lokale sportsubsidies blijft bij voorkeur bovenlokaal indien de delegatie van bevoegdheid impliceert dat de beschikbare budgetten onder de districten worden verdeeld met toepassing van de voorziene verdeelsleutel, wat in casu een vermindering van toelagen voor de lokale sportverenigingen zou betekenen. (Hfst.II,1.1.1, artikel 3 en hfst.II, 1,1.4.2)
  • Het reglement lokale jeugdsubsidie en het reglement toelagen voor infrastructuur van lokale jeugdverenigingen blijven bij voorkeur bovenlokaal indien de delegatie van bevoegdheid impliceert dat de beschikbare budgetten worden verdeeld met toepassing van de voorziene verdeelsleutel, wat in casu een vermindering van toelagen voor de lokale jeugdverenigingen zou betekenen. (Hfst.II, 1.1.1., artikel 4 en hfst. II, 1, 1.4.3)
  • Buurtregie wordt een gedeelde bevoegdheid stad en district. (Hfst.II, 1,1.1, artikel 6 en hfst.II, 1,1.4.5)
  • Bij de overdracht van het budget voor lokale begraafplaatsen moet rekening worden gehouden met de reële kostprijs voor het beheer en onderhoud van de twee bestaande begraafplaatsen in het district. (Hfst.II,1,1.1, artikel 12 en hfst. II,1,1.4.11)

Artikel 4

De districtsraad verleent gunstig advies onder voorwaarden over het in de nota geformuleerde voorstel van middelenbesluit tot verdeling van de financiële middelen met volgende opmerkingen:

  • Bij de overdracht van bevoegdheden van de stad naar het district dienen tevens de nodige middelen hiervoor overgedragen te worden naar het district.  De overgedragen middelen mogen niet ondergewaardeerd zijn.
  • De verdeling van de dotaties of beschikbare budgetten aan de hand van een (gewijzigde) verdeelsleutel mag nooit aanleiding geven tot een vermindering van de financiële middelen ten nadele van het district of van zijn inwoners en verenigingen.  Er moeten garanties zijn tot minstens het behoud van de huidige budgetten met betrekking tot de huidige bevoegdheden en een uitbreiding van de middelen in functie van de overgedragen bevoegdheden (Hfst.II, 2, 2.1).
  • Alvorens in het kader van de decretale adviesplicht een gefundeerd advies te kunnen uitbrengen over de wijzigingen in de criteria voor de berekening van de dotaties en over de voorgestelde wijze waarop de financiering gebeurt, moet er een accurate cijfermatige simulatie worden voorgelegd van de te verwachten dotaties.(Hfst.II,2, 2.1.1. e.v.)

Artikel 5

De districtsraad verleent gunstig advies onder voorwaarden over het in de nota geformuleerde voorstel van middelenbesluit over indirecte en directe personele middelen met volgende opmerkingen:

  • Het technisch personeel wordt mee aangestuurd door het district.
  • De beleidscel wordt uitgebreid met de buurtregisseur en een beleidsmedewerker voor lokale economie en middenstand.  Beide medewerkers worden eveneens in matrix aangestuurd, waarbij de lokale en operationele aansturing gebeurt door de districtssecretaris. (Hfst. II, 2, 2.2)
  • De calculatie van het aandeel aan trekkingsrechten ten behoeve van het district moet periodiek geëvalueerd worden  Het verbruik van de ingezette trekkingsrechten moet niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief gemonitord en gewaardeerd worden. Er moet ook een protocol worden uitgewerkt voor het geval er een betwisting rijst over het verbruik van de trekkingsrechten (bv. bij het niet voldoen aan het programma van eisen of de concrete uitwerking ervan, enz.) Er moet een voorafgaand akkoord van het district zijn alvorens trekkingsrechten voor een project in mindering kunnen worden gebracht.(Hfst. II, 2, 2.3, d)

Artikel 6

De districtsraad verleent gunstig advies onder voorwaarden over het in de nota geformuleerde voorstel tot bijsturing van het werkkader stad-districten met volgende opmerkingen:

  • De titulatuur 'districtsschepen' en 'districtsburgemeester' moet geformaliseerd worden en decretaal vastgelegd worden. (Hfst.II, 3, 3.1.1)
  • De stad vraagt altijd voorafgaand advies aan de districtsraad over aangelegenheden inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw met een impact op het lokale openbaar domein (bv. verkavelingen en bouwaanvragen voor grote projecten) en inzake onroerend erfgoed, funerair patrimonium en stedelijk patrimonium (bv. verkoop, verhuring, terbeschikkingstelling) Het stadsbestuur kan het advies van het district slechts naast zich neerleggen mits een gemotiveerde beslissing met de redenen waarom het advies niet wordt gevolgd.  (Hfst.II, 3, 3.1.2, 5)
  • Het dagelijks bestuur moet meer op maat van het district kunnen geregeld worden.  De districtsraad moet zelf kunnen bepalen wat er onder dagelijks bestuur valt (Hfst. II, 3,3.1.2, 6)
  • De procedure voor straatnaamgeving moet vereenvoudigd worden, waarbij de districten autonoom kunnen beslissen over straatnamen in het district.

Artikel 7

Dit besluit heeft in principe geen financiële gevolgen.

Bijlagen

  • Delegatiebesluiten_voorstel_20170331.pdf