De stad Antwerpen streeft ernaar het aantal (dodehoek)ongevallen tot nul te herleiden. Daartoe werd een plan van aanpak opgesteld met tien effectieve en haalbare maatregelen. Een werkgroep bestaande uit medewerkers van de stedelijke Staten-Generaal van de verkeersveiligheid, mobiliteit en beheer en onderhoud van de bedrijfseenheid Stadsontwikkeling en vertegenwoordigers van de lokale verkeerspolitie evalueerde 44 lopende en nieuwe maatregelen. Uit de volledige lijst met maatregelen werden de tien meest effectieve en haalbare maatregelen geselecteerd. Voor elke maatregel werden concrete acties bepaald. Sommige zijn al in uitvoering, andere worden binnenkort opgestart.
De tien maatregelen zijn:
De concrete acties worden verder toegelicht in het plan van aanpak.
De laatste vijftien jaar is het aantal dodehoekongevallen weliswaar gedaald, maar aanrijdingen tussen vooral vrachtwagens en actieve weggebruikers blijven plaatsvinden. Iedere dode of gekwetste is er een teveel.
In het kader van het Toekomstverbond hebben de regionale en lokale overheden met het Havenbedrijf Antwerpen en de burgerbewegingen afgesproken om met meer fietsvoorzieningen en beter openbaar vervoer, de bereikbaarheid van de regio te garanderen. Er staan daarnaast ook nog de komende jaren vele grote werken op de agenda om de binnenstedelijke mobiliteit vlotter en veiliger te laten verlopen. Toenemend werfverkeer in de stad en een groeiend aantal fietsers brengt extra risico's met zich mee. Het is dan ook de ambitie van het stadsbestuur om zoveel mogelijk kruispunten conflictvrij te regelen. Dat gaat niet overal. Daarom wenst het college extra maatregelen te nemen om de verkeersveiligheid maximaal te garanderen.
Het college keurt het 'Plan van aanpak werkgroep dode hoek' goed.
Het college geeft opdracht aan:
| Dienst | Taak |
| SW/Mobiliteit | om samen met andere diensten van SW en de Lokale Verkeerspolitie de maatregelen uit het 'Plan van aanpak werkgroep dode hoek' te realiseren. |
| CS/AOB en CS/Jeugd |
zorgen voor een afstemming op korte termijn waardoor de stedelijke middelen voor verkeerseducatie niet overlappend worden besteed |