De aanvraag werd onderworpen aan 1 openbaar onderzoek.
Ingediende bezwaarschriften en petitielijsten
|
Startdatum |
Einddatum |
Schriftelijke bezwaar-schriften |
Schriftelijke gebundelde bezwaar-schriften |
Petitie-lijsten |
Digitale bezwaar-schriften |
|
25 april 2018 |
24 mei 2018 |
4 |
1 |
0 |
0 |
Bespreking van de bezwaren
Zonevreemd: Bezwaarindiener meent dat de constructie zonevreemd is gelegen.
Beoordeling:
Volgens artikel 14.4.4 uit het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 moeten parkgebieden in hun staat bewaard worden of zijn bestemd om zodanig ingericht te worden, dat ze, in de al dan niet verstedelijkte gebieden, hun sociale functie kunnen vervullen.
Het lokaal werd opgetrokken als ontspanningslokaal. Hierdoor is de constructie in overeenstemming met het bestemmingsplan en niet zonevreemd. Door deze constructie kan de sociale functie van het lokale park namelijk vervuld worden, zoals een paviljoen in het park.
Dat dit lokaal in het verleden enkel werd gebruikt door senioren vermindert deze mogelijkheid niet. Evenmin wanneer dit lokaal gebruikt wordt door de lokale bewoners, als ‘buurtlokaal’. De soort gebruiker doet namelijk geen afbreuk aan de functie als ontspanningslokaal op voorwaarde natuurlijk dat, bij het gebruik er van, het accent wordt gelegd op de sociale functie van het park.
Het bezwaar is ongegrond.
Overlast: Bezwaarindiener meent dat het buurtlokaal overlast zal bezorgen in de buurt en het park.
Beoordeling:
Bezwaar tegen eventuele overlast is louter hypothetisch en niet stedenbouwkundig van aard.
Een buurtlokaal is inpasbaar in parkgebied en vanuit stedenbouwkundig standpunt aanvaardbaar. Het bezwaar is ongegrond.
Geen vergund buurtlokaal/seniorenlokaal: bezwaarindiener merkt op dat er geen vergunning werd afgeleverd voor het voormalige seniorenlokaal en dus illegaal is.
Beoordeling:
Voor het bouwen van het buurtlokaal is geen vergunning terug te vinden in het archief. Daarom wordt in voorliggende aanvraag gevraagd de constructie te laten opnemen in het vergunningenregister. Er zijn echter bewijzen dat het bouwen van het lokaal vóór 1979 werd voltooid. In de Vlaamse codex ruimtelijke ordening werd het volgende opgenomen: “Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn (voor Antwerpen is dit 9 november 1979), worden voor de toepassing van deze codex geacht te zijn vergund, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie.”
Uit documenten betreffende de financiering voor “de oprichting van een ontspanningslokaal” van 1971 blijkt dat het lokaal in die periode werd opgericht.
Uit documenten en bijhorende plannen betreffende de gasaansluiting uit 1971 blijkt dat het lokaal toen reeds aanwezig was.
Voorgaande bewijst voldoende dat de constructie, inclusief de functie van ontspanningslokaal, dateert van voor het van kracht zijnde gewestplan (9 november 1979) en na de inwerkingtreding van de Wet op Stedenbouw (22 april 1962).
Uit de bijgevoegde bewijsmaterialen blijkt dat de constructie, inclusief de functie van ontspanningslokaal, in aanmerking komen voor opname als vergund geacht.
De soort gebruiker (senioren of lokale bewoners) doet geen afbreuk aan de functie als ontspanningslokaal op voorwaarde natuurlijk dat, bij het gebruik er van, het accent wordt gelegd op de sociale functie van het park.
Het bezwaar is ongegrond.
Bouwmogelijkheden parkgebied: bezwaarindiener is van mening dat de inrichting van een buurtlokaal niet strookt met de bestemming parkgebied.
Beoordeling:
Zie evaluatie eerste punt.
Het bezwaar is ongegrond.
Privé-feesten geen goed huisvaderschap: bezwaarindiener gaat niet akkoord met het gebruik van het lokaal voor privé-feesten en merkt op dat het lokaal niet correct wordt beheerd.
Beoordeling:
Het kan kloppen dat het gebruik of het beheer op een bepaald moment niet in overeenstemming is met de vergunde of vergund geachte toestand. Maar het spreekt voor zich dat enkel voorliggende aanvraag kan beoordeeld worden en niet het gebruik op een bepaald moment.
Het bezwaar is ongegrond.
Concurrentievervalsing: bezwaarindiener meent dat het inrichten van een zomerbar, waar dranken onder de gangbare marktprijs dranken worden verkocht, concurrentievervalsing is.
Beoordeling:
Het bezwaar is niet van stedenbouwkundige aard.
Het bezwaar is ongegrond.
Mededinging: bezwaarindiener meent dat bij de toekenning de regels van de mededinging met de voeten werden getreden.
Beoordeling:
Het bezwaar is niet van stedenbouwkundige aard.
Het bezwaar is ongegrond.
Illegale uitbreiding: bezwaarindiener deelt mee dat de constructie illegaal werd uitgebreid en een afdak werd aangebouwd.
Beoordeling:
Het klopt dat er vergunningsplichtige werken werden uitgevoerd. In voorliggende aanvraag wil men deze werken aan het buurtlokaal regulariseren.
Het bezwaar is gegrond.
Aanleg verharding en banken: bezwaarindiener meent dat een vergunning noodzakelijk is voor het voorzien van verharding rondom het buurtlokaal en het plaatsen van betonnen banken.
Beoordeling:
Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de herinrichting van openbare parken, als er geen gebouwen opgericht worden en als de herinrichting eigen is aan de functie van het terrein.
Het bezwaar is ongegrond.
Het oprichten van een nieuw gebouw: bezwaarindiener vermoedt dat men zich later op deze als ‘verworven beschouwd’ vergunning kan beroepen om via zogenaamde ‘aanpassingswerken’ in werkelijkheid een totaal nieuw gebouw op te richten.
Beoordeling:
Dit bezwaar is zuiver hypothetisch en maakt geen deel uit van deze aanvraag.
Het bezwaar is ongegrond.
Basisvereisten: Volgens bezwaarindiener voldoet het buurtlokaal niet aan de basisvereisten, zoals onder meer brandveiligheid en salubriteit.
Beoordeling:
Voor voorliggende aanvraag is geen advies vereist van de brandweer aangezien de werken die ter regularisatie voorliggen geen impact hebben op de brandveiligheid. Voorliggend dossier werd afgetoetst aan de bouwcode, er werd vastgesteld dat de aanvraag in overeenstemming is met de bepalingen van de bouwcode.
Het bezwaar is ongegrond.
Vereiste neutraliteit: Bezwaarindiener meent dat de aanvraag in haar geheel wijst op een manifest gebrek aan neutraliteit.
Twee afzonderlijke dossiers, geacht vergund en bouwaanvraag, worden subtiel door elkaar gehaspeld.
Men blijft in het ongewisse wat de uiteindelijke bestemming betreft.
Beoordeling:
Er is duidelijk bewijsmateriaal toegevoegd aan het dossier waarmee wordt aangetoond dat de constructie voor vermoeden van vergunning in aanmerking komt. In het kader van administratieve vereenvoudiging is het aangewezen dergelijke dossiers samen te voegen.
Een seniorenlokaal is een buurtlokaal. De bestemming blijft ongewijzigd.
Het bezwaar is ongegrond.
Gebrekkig opvolgings- en handhavingsbeleid: Bezwaarindiener meent dat de regelgeving inzake het vermoeden van vergunning het resultaat is van het gebrekkig opvolgings- en handhavingsbeleid van de overheid.
Beoordeling:
Voor oude gebouwen en constructies is het vaak moeilijk om de vergunningstoestand te achterhalen. Vergunningen of toelatingen werden voor 1979 niet altijd opgenomen in het vergunningenregister en de archivering stond niet op punt. Daarom werd in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening het vermoeden van vergunning in het leven geroepen.
Het bezwaar is ongegrond.
Vermoeden van vergunning: Bezwaarindiener merkt op dat de burger die zich op vermoeden van vergunning wil beroepen moet aantonen dat de constructie effectief in de geviseerde periode werd opgericht en moet bovendien aantonen dat de constructie destijds werd opgericht zoals ze nu bestaat.
Beoordeling:
De constructie werd gebouwd voor 1979. Het vermoeden kan door de overheid weerlegd worden, maar het enige geldige tegenbewijs is een proces-verbaal of een niet-anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van 5 jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie.
Het bezwaar is ongegrond.
Ruimtelijk kwetsbaar gebied: bezwaarindiener meent dat vermoeden van vergunning niet geldt indien de constructie gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied.
Beoordeling:
Het bezwaar baseert zich op artikel 4.2.14. van de Vlaamse codex voor ruimtelijke ordening:
“§ 1. Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden voor de toepassing van deze codex te allen tijde geacht te zijn vergund.
§ 2. Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, worden voor de toepassing van deze codex geacht te zijn vergund, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie.
Het tegenbewijs, vermeld in het eerste lid, kan niet meer worden geleverd eens de constructie één jaar als vergund geacht opgenomen is in het vergunningenregister. 1 september 2009 geldt als eerste mogelijke startdatum voor deze termijn van één jaar. Deze regeling geldt niet indien de constructie gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied. (…)”
Enkel de regeling uit de laatste alinea geldt niet indien de constructie gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied.
Het bezwaar is ongegrond.
Onpartijdig onderzoek: Bezwaarindiener meent dat de overheid rechter en partij is in het onderzoek naar vermoeden van vergunning waardoor de onpartijdigheid totaal zoek is.
Beoordeling:
Een vergunningenregister is een gemeentelijk gegevensbestand. Uitsluitend het college van Burgemeester en schepenen is volgens de Vlaamse codex ruimtelijke ordening bevoegd om een constructie te laten opnemen in het vergunningenregister.
Het bezwaar is ongegrond.
Concessie: Bezwaarindiener meent dat de beslissing tot concessie werd aangetast door een onregelmatigheid op het vlak van ruimtelijke ordening.
Beoordeling:
Het verlenen van een concessie is niet van stedenbouwkundige aard en maakt geen deel uit van de beoordeling van voorliggende aanvraag.
Het bezwaar is ongegrond.
Overlast: Bezwaarindiener vreest overlast voor de gebruikers en de dieren van het park en voor de omwonenden.
Beoordeling:
Om de hinder te beperken voor de gebruikers van het park, de dieren en omwonenden moeten de voorwaarden opgenomen in de politiecodex worden nageleefd. Bezwaar tegen eventuele overlast is louter hypothetisch en niet stedenbouwkundig van aard.
Het bezwaar is ongegrond.
Conform artikel 15 van het Omgevingsvergunningsdecreet is het college van burgemeester en schepenen voor zijn ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor volgende aanvragen van:
Er werd een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend bij het college van burgemeester en schepenen, die behandeld wordt volgens de gewone procedure van het Omgevingsvergunningendecreet.
|
Projectnummer : |
OMV_2018026356 |
|
Gegevens van de aanvrager: |
Gemeente Antwerpen met als adres Grote Markt 1 te 2000 Antwerpen |
|
Ligging van het project: |
Te Boelaarpark ZN te 2140 Borgerhout (Antwerpen) |
|
Kadastrale gegevens: |
afdeling 26 sectie B nrs. 946G2 en 946C2 |
|
Vergunningsplichten: |
stedenbouwkundige handelingen |
|
Voorwerp van de aanvraag: |
regulariseren van wijzigingen aan een buurtlokaal en opname in het vergunningenregister |
Omschrijving aanvraag
Stedenbouwkundige handelingen
Bestaande toestand
Vergund geachte toestand
Inhoud van de aanvraag
Voorafgaand aan zijn beslissing neemt het college kennis van het verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar.
Externe adviezen
|
Adviesinstantie |
Datum advies gevraagd |
Datum advies ontvangen |
Advies |
|
Digit - Vlaams gewest, Agentschap Natuur en Bos |
18 april 2018 |
20 april 2018 |
Voorwaardelijk gunstig |
Interne adviezen
|
Adviesinstantie |
Datum advies gevraagd |
Datum advies ontvangen |
|
stadsontwikkeling/ onroerend erfgoed/ monumentenzorg |
18 april 2018 |
23 april 2018 |
|
stadsontwikkeling/ geacht vergund |
18 april 2018 |
18 april 2018 |
|
stadsbeheer/ vastgoed/ ontwikkeling/ bouwprojecten |
18 april 2018 |
26 april 2018 |
|
autonoom gemeentebedrijf vastgoed en stadsprojecten Antwerpen |
18 april 2018 |
Geen tijdig advies ontvangen |
Toetsing voorschriften
Plannen van aanleg, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingen
Het goed is gelegen binnen de omschrijving van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen, goedgekeurd op 19 juni 2009.
Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen kan u raadplegen via www.antwerpen.be, zoek op ‘goedgekeurde BPA’s en RUP’s’.
Het eigendom is gelegen in het gewestplan Antwerpen (Koninklijk Besluit van 3 oktober 1979 en latere wijzigingen). Het eigendom ligt, volgens dit van kracht zijnde gewestplan, in een parkgebied. De parkgebieden moeten in hun staat bewaard worden of zijn bestemd om zodanig ingericht te worden, dat ze, in de al dan niet verstedelijkte gebieden, hun sociale functie kunnen vervullen. (Artikel 14 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen.)
Het eigendom is gelegen in het gewestplan Antwerpen (Koninklijk Besluit van 3 oktober 1979 en latere wijzigingen). Het eigendom ligt, volgens dit van kracht zijnde gewestplan, in een woongebied. De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. (Artikel 5 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen.)
Het gewestplan kan u raadplegen via www.ruimtelijkeordening.be, ga naar PLANNING > Plannen > Bestemmingsplan > Gewestplan
De aanvraag ligt niet in een verkaveling.
De aanvraag is in overeenstemming met de bepalingen van het gewestplan.
Gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen
De verordening toegankelijkheid is niet van toepassing op de aanvraag.
Algemene bouwverordeningen
Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen
De aanvraag is in overeenstemming met de bepalingen van de bouwcode.
Sectorale wetgeving
Rekening houdend met de kenmerken van de aanvraag en zijn omgeving wordt geoordeeld dat de mogelijke milieueffecten van het project niet aanzienlijk zijn.
Het voorliggende project heeft een beperkte oppervlakte en ligt niet in een overstromingsgevoelig gebied, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld dat geen schadelijk effect wordt veroorzaakt.
Toetsing van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening
Functionele inpasbaarheid
Volgens artikel 14.4.4 uit het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 moeten parkgebieden in hun staat bewaard worden of zijn bestemd om zodanig ingericht te worden, dat ze, in de al dan niet verstedelijkte gebieden, hun sociale functie kunnen vervullen.
Het lokaal werd opgetrokken als ontspanningslokaal. Hierdoor is de constructie in overeenstemming met het bestemmingsplan en niet zonevreemd. Door deze constructie kan de sociale functie van het lokale park namelijk vervuld worden, zoals een paviljoen in het park.
Dat dit lokaal in het verleden enkel werd gebruikt door senioren vermindert deze mogelijkheid niet. Evenmin wanneer dit lokaal gebruikt wordt door de lokale bewoners, als ‘buurtlokaal’. De soort gebruiker doet namelijk geen afbreuk aan de functie als ontspanningslokaal op voorwaarde natuurlijk dat, bij het gebruik er van, het accent wordt gelegd op de sociale functie van het park.
Het toevoegen van een luifel aan de bestaande, geacht vergunde, constructie heeft geen impact op de functionele inpasbaarheid.
Schaal - ruimtegebruik – bouwdichtheid
Het toevoegen van een luifel aan de bestaande, geacht vergunde, constructie heeft een kleine impact op de omgeving aangezien het volume is gelegen in een park. De luifel met een oppervlakte van 20 m² staat in verhouding met het bestaande gebouw dat een oppervlakte heeft van 65 m².
Naar aanleiding van voorliggende aanvraag werd advies gevraagd aan het agentschap Natuur en Bos. Hun advies luidt als volgt: “Op basis van bovenstaande uiteenzetting stelt het Agentschap voor Natuur en Bos vast dat de bestaande natuurwaarden niet worden geschaad. De aanvraag wordt gunstig geadviseerd, onder volgende voorwaarden:
- Alle onvergunde of onvergund geachte constructies die zich eventueel op het terrein bevinden dienen afgebroken te worden. Het is de gemeentelijke bevoegdheid om uitsluitsel over de vergunningstoestand te geven.
- De verbouwing dient te voldoen aan het decretaal kader inzake de verbouwing van zonevreemde woningen, zo van toepassing eveneens BPA en/of RUP terzake. Het is de gemeentelijke bevoegdheid om de verenigbaarheid met het decretaal kader te onderzoeken.”
Aangezien uit de bijgevoegde bewijsmaterialen blijkt dat de constructie, inclusief de functie van ontspanningslokaal, in aanmerking komen voor opname als vergund geacht én niet zonevreemd is gelegen zijn deze voorwaarden niet van toepassing.
Er kan besloten worden dat de uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is.
Visueel-vormelijke elementen
De voorgestelde materialisatie in hout sluit aan bij de gebruikte materialen voor het bestaande volume. Bijgevolg is de uitwerking verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening.
Cultuurhistorische aspecten
De dienst stadsontwikkeling/onroerend erfgoed/monumentenzorg heeft geen bezwaar tegen de regularisatie van de luifel. De houten luifel doet geen afbreuk aan de waardevolle constructies in het park.
Hinderaspecten – gezondheid – gebruiksgenot – veiligheid in het algemeen
Het toevoegen van een luifel aan de constructie verhoogt het gebruiksgenot ervan.
Mobiliteitsimpact (onder andere toetsing parkeerbehoefte)
Om te vermijden dat de parkeerbehoefte (geheel of gedeeltelijk) wordt afgewenteld op het openbaar domein, is het de bedoeling om parkeren maximaal op eigen terrein te voorzien, het zogenaamde POET principe (Parkeren Op Eigen Terrein).
De parkeerparagraaf is niet van toepassing gezien de aanvraag geen functiewijziging ten opzichte van de bestaande en vergunde of vergund geachte situatie inhoudt.
Stedenbouwkundige handelingen
Advies over de stedenbouwkundige handelingen
Aan het college wordt voorgesteld om voor de stedenbouwkundige handelingen de omgevingsvergunning te verlenen.
Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing.
|
Procedurestap |
Datum |
|
Indiening aanvraag |
19 maart 2018 |
|
Volledig- en ontvankelijk |
18 april 2018 |
|
Start openbaar onderzoek |
25 april 2018 |
|
Einde openbaar onderzoek |
24 mei 2018 |
|
Gemeenteraad voor wegenwerken |
geen |
|
Uiterste beslissingsdatum |
31 juli 2018 |
|
Verslag GOA |
4 juli 2018 |
|
naam GOA |
Wim Van Roosendael |
Het college sluit zich integraal aan bij:
Het college beslist de aanvraag tot omgevingsvergunning goed te keuren en de vergunning af te leveren aan de aanvrager, die ertoe gehouden is de algemene voorwaarden die aan de vergunning zijn gehecht en er integraal deel van uitmaken, zijn strikt na te leven.
Het college beslist de plannen waarvan overzicht als bijlage bij dit besluit gevoegd, goed te keuren.