Geachte voorzitter,
Twee van mijn schriftelijke vragen, ingediend op 20 mei 2025, bleven onbeantwoord.
In het geval van de vraag over de Gloriantlaan (2025.SV.00228) kreeg ik als enige reactie dat het onderwerp reeds behandeld werd op de districtsraad, en dat “vragen toen konden gesteld worden”. Sommige onderdelen van het mondelinge antwoord boden echter onvoldoende duidelijkheid. Reden waarom ik deze vraag opnieuw indiende in schriftelijke vorm, met het oog op formele, inhoudelijke verduidelijking van de volledige parkeerbalans na aanpassing van het aanvullend verkeersreglement.
In het geval van het RUP D’Herbouville (2025.SV.00227) werd zelfs letterlijk gesteld dat mijn vragen “geen materie zijn voor een schriftelijke vraag”. Dit suggereert dat vragen over beleidsmatige keuzes niet schriftelijk zouden mogen worden gesteld. Die redenering is problematisch om twee redenen:
Vooreerst valt dat juridisch niet te verantwoorden, aangezien artikel 33 van het Decreet Lokaal Bestuur géén inhoudelijke beperking oplegt aan het schriftelijk vragenrecht;
Ten tweede waren niet alle gestelde vragen beleidsmatig van aard: zo werd o.a. gevraagd of het district, het stadsbestuur of AG Vespa reeds gesprekken gevoerd hebben met potentiële eigenaars, investeerders of projectontwikkelaars over de site, en werd ook expliciet gevraagd naar toelichting over de eigendomsstructuur van de percelen binnen het plangebied. Deze vragen werden in geen geval beantwoord tijdens de districtsraad, zijn feitelijk, controleerbaar en rechtstreeks verbonden met de bevoegdheid van het district in adviesprocedures.
Het is bovendien duidelijk dat tijdens de districtsraad en de voorafgaande commissie niet alle vragen konden worden gesteld of beantwoord, en dat de mondelinge antwoorden onvolledig en ontoereikend waren. De weigering om deze schriftelijke vragen alsnog inhoudelijk te beantwoorden, getuigt van een gebrek aan transparantie en respect voor de controlerende rol van de raad, en roept ernstige juridische bezwaren op.
Daarom volgende vragen aan het districtscollege:
Op welke concrete wettelijke bepaling baseert de districtsburgemeester zich om een schriftelijke vraag niet te beantwoorden met als enige argument dat het onderwerp “al behandeld werd” en dat “vragen toen konden gesteld worden”?
Op basis van welke bepaling in het Decreet Lokaal Bestuur meent het college dat beleidsmatige vragen niet via een schriftelijke vraag mogen worden gesteld?
Erkent het college dat artikel 33 van het Decreet Lokaal Bestuur raadsleden een volwaardig recht toekent op het stellen van schriftelijke vragen, zonder beperking tot louter technische of cijfermatige aspecten?
Is het college bereid om alsnog volledig en inhoudelijk te antwoorden op de schriftelijke vragen van onze fractie over de Gloriantlaan en het RUP D’Herbouville?
Met hoogachting,
Kristof Luypaert
Districtsraadslid