Er werd bij de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag wordt behandeld volgens de gewone procedure van het Omgevingsvergunningendecreet. Op 8 augustus 2025 verzocht de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar om een openbaar onderzoek te houden en advies uit te brengen.
Op 26 september 2025 verleende het college van burgemeester en schepenen een voorwaardelijk gunstig advies, zie bijlage.
Op 13 november 2025 aanvaarde de gewestelijke omgevingsambtenaar een wijzigingsverzoek, waarbij opnieuw advies gevraagd werd aan het college en een tweede openbaar onderzoek georganiseerd moest worden.
Projectnummer: | OMV_2024149027 |
Gegevens van de aanvrager: | CommV JV Fabriek met als adres Oude Graanmarkt 63 te 1000 Brussel en CommV JV Levering met als adres Oude Graanmarkt 63 te 1000 Brussel |
Gegevens van de exploitant: | CommV JV Fabriek met als adres Oude Graanmarkt 63 te 1000 Brussel en CommV JV Levering met als adres Oude Graanmarkt 63 te 1000 Brussel |
Ligging van het project: | Scheldelaan te 2030-2024 Antwerpen, Rode Weel 2 te 2030 Antwerpen, Salaadweg zn te 2180 Ekeren (Antwerpen), Vaartkaai 60 te 2170 Merksem (Antwerpen) |
Kadastrale percelen: | afdeling 7 sectie G nrs. 632H6, 632G6, afdeling 16 sectie B nrs. 28/2_, 28E, 28G, 28H, 28K, 28L, 48/2_, 91A, sectie D nrs. 84/2E, 149/4D, 149/4L, 149/4M, sectie F nrs. 225V, 225M, 225C, 226H, 227S, 227R, 234K2, 234S, 234F2, 234B2, 234G2, 234H2, 234R2, 241H3, 241V2, 241L2, 241C3, 241X2, 241R3, 241M3, 241N3, 241S3, 241P3, afdeling 18 sectie F nrs. 180H, afdeling 34 sectie E nrs. 209C, 214G, 219D, afdeling 40 sectie C nrs. 5N en 7D |
waarvan: |
|
- 20241115-0023 | afdeling 16 sectie F nrs. 241P3, 241X2, 234K2, 234G2, 234F2, 241S3, 234S, 234R2, 241N3, 241R3, 241H3, 241L2, 241V2, 234H2, 241C3, 234B2 en 241M3 (IIOA KWP) |
- 20250121-0088 | afdeling 16 sectie F nrs. 241V2, 225V, 241S3, 241X2, 241R3, 241P3, 225C, sectie D nrs. 149/4M, sectie F nrs. 241N3, sectie B nrs. 28H, afdeling 34 sectie E nrs. 214G, afdeling 16 sectie F nrs. 227R, sectie D nrs. 149/4L, 149/4D, afdeling 40 sectie C nrs. 5N, afdeling 16 sectie F nrs. 234K2, 227S, afdeling 7 sectie G nrs. 632G6, afdeling 40 sectie C nrs. 7D, afdeling 16 sectie B nrs. 28G, 28/2_, sectie F nrs. 226H, afdeling 34 sectie E nrs. 209C, afdeling 16 sectie F nrs. 225M, 234F2, afdeling 18 180H, afdeling 16 234H2, 241C3, sectie B nrs. 28E, sectie F nrs. 241H3, 234S, 241L2, 234R2, afdeling 34 sectie E nrs. 219D, afdeling 16 sectie F nrs. 234B2, 241M3, afdeling 7 sectie G nrs. 632H6 en afdeling 16 sectie D nrs. 84/2E (IIOA KWN, PS en RWN) |
Vergunningsplichten: | stedenbouwkundige handelingen, exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten, vegetatiewijzigingen |
Voorwerp van de aanvraag: | bouwen en exploiteren van een koelwaterfabriek, een koelwaterleidingtracé en drie pompstations (project Waterkracht) |
Omschrijving stedenbouwkundige handelingen
Zie advies college van 26 september 2025.
Omschrijving ingedeelde inrichtingen of activiteiten
Zie advies college van 26 september 2025.
Aangevraagde rubriek(en)
Aangevraagde rubriek(en) IIOA KWP
Rubriek | Omschrijving | Gevraagd voor |
3.4.2° | het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II, met een debiet van meer dan 2 m³/uur tot en met 100 m³/uur; | 13,30 m³/uur |
3.6.3.3° | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van bedrijfsafvalwater met een effluent van meer dan 50 m³/uur; | 1.150 m³/uur |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA; | 2x 3.150 kVA |
15.1.1° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; | 4 voertuigen |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW; | 286,75 kW |
17.1.2.2.3° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 10.000 liter; | 40.000 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | opslag van gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton als de inrichting niet hoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt; | 2,65 ton |
17.3.4.3° | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen - opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton; | 208,70 ton |
17.3.6.3° | opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07, met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer 100 ton; | 101,70 ton |
17.3.8.2° | opslagplaatsen voor het aquatisch milieugevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 200 ton; | 82,45 ton |
24.2. | geïntegreerde, kleine laboratoria gericht op de interne controle van eigen productieprocessen en bijhorende in- en uitgaande stromen of de eigen waterzuiveringsinstallatie, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt; | labo |
39.4.1° | warmtewisselaars, andere dan deze vermeld onder rubriek 39.2 en deze voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van 25 liter tot en met 5.000 liter; | 800 liter |
53.2.2°a) | bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, beide met inbegrip van terug in de ondergrond brengen van bemalingswater in dezelfde watervoerende laag en het nuttige gebruik tot maximaal 5.000 m³ bemalingswater per jaar. Dit voor bemalingen niet gelegen in beschermde duingebieden, in een groengebied, een natuurontwikkelingsgebied, een parkgebied of een bosgebied met een debiet van maximaal 30.000 m³ per jaar. | 4.965 m³/jaar |
Aangevraagde rubriek(en) IIOA KWN, PS en RWN
Rubriek | Omschrijving | Gevraagd voor |
3.4.3° | het lozen van meer dan 100 m³/uur bedrijfsafvalwater; | 242,83 m³/uur |
3.6.3.3° | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van bedrijfsafvalwater met een effluent van meer dan 50 m³/uur; | 242,83 m³/uur |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA; | 2x 2.500 kVA |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW; | 5,25 kW |
17.3.2.1.1.1°b) | opslag van gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton als de inrichting niet hoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt; | 7,95 ton |
17.3.4.2°b) | opslagplaatsen voor bijtende vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS05) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 100 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied; | 15,55 ton |
17.3.6.2°b) | opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 100 ton, wanneer de inrichting gedeeltelijk of volledig gelegen is in gebied ander dan een industriegebied; | 5,85 ton |
17.3.7.2°b) | opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 50 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied; | 9,70 ton |
53.2.1°c) | bronbemaling, met inbegrip van terugpompingen van onbehandeld en niet-verontreinigd grondwater in dezelfde watervoerende laag, die technisch noodzakelijk is voor ofwel de verwezenlijking van bouwkundige werken, ofwel de aanleg van openbare nutsvoorzieningen, gelegen in beschermde duingebieden, aangeduid op grond van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen of in een groengebied, een natuurontwikkelingsgebied, een parkgebied of een bosgebied met een debiet van meer dan 2.000 m³ per dag; | 2.144 m³/dag |
53.2.2°b)2° | bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, beide met inbegrip van terug in de ondergrond brengen van bemalingswater in dezelfde watervoerende laag en het nuttige gebruik tot maximaal 5.000 m³ bemalingswater per jaar. Dit voor bemalingen niet gelegen in beschermde duingebieden, in een groengebied, een natuurontwikkelingsgebied, een parkgebied of een bosgebied met een debiet van meer dan 30.000 m³ per jaar en de verlaging van het grondwaterpeil bedraagt meer dan vier meter onder het maaiveld; | 290.945 m³/jaar |
53.11.2° | onttrekken van grondwater met een debiet van 1.000 m³ per dag of meer als de activiteit gelegen is in of een aanzienlijke invloed kan hebben op een gebied, zoals aangeduid ter uitvoering van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen, of als de activiteit een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken. | 5.828 m³/dag |
Aangevraagde bijstelling bijzondere milieuvoorwaarden in afwijking van algemene of sectorale voorwaarden
IIOA KWP
Bij te stellen voorwaarde: Artikel 4.2.3.1 3° (Lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat) Bijlage 5.3.2.54bis bij Vlarem II (Emissiegrenswaarden worden opgelegd in de omgevingsvergunning)
Voorgesteld alternatief/aanvulling: Artikel 4.2.3.1.3° (Lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat): aangepaste lozingsnormen. Bijlage 5.3.2.54bis bij VLAREM II (Emissiegrenswaarden worden opgelegd in de omgevingsvergunning): normenset voor lozing van afvalwater. |
IIOA KWN, PS en RWN
Bij te stellen voorwaarde: Artikel 4.2.9.1.§3: Lozing van bemalingswater. Artikel 5.53.6.1.3.§2: Bronbemalingen. Voorgesteld alternatief/aanvulling: Artikel 4.2.9.1.§3: Lozing van bemalingswater met verhoogde lozingsnormen. Artikel 5.53.6.1.3.§2: Verhoogde concentraties PFAS in het bemalingswater dat terug in de ondergrond wordt ingebracht. |
Omschrijving vegetatiewijzigingen
Zie advies college van 26 september 2025.
Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing.
Conform artikel 24 en 42 van het Omgevingsvergunningsdecreet heeft het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar de bevoegdheid advies uit te brengen voor de vergunningsaanvragen op haar grondgebied waarvoor de deputatie, de Vlaamse regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de bevoegde overheid is, tenzij:
Het college heeft op 17 november 2017 (jaarnummer 2017_CBS_08858) beslist om de adviesbevoegdheid op te nemen.
Adviezen
Externe adviezen
Adviesinstantie | Datum advies gevraagd | Datum advies ontvangen | Advies |
Haven van Antwerpen-Brugge, subadvies milieu | 13 november 2025 | 27 november 2025 | Voorwaardelijk gunstig |
Hulpverleningszone Brandweer zone Antwerpen | 14 november 2025 | Geen advies ontvangen bij opmaak van dit verslag |
|
Toetsing regelgeving en beleidsrichtlijnen
Zie advies college van 26 september 2025.
Omgevingstoets
Toetsing van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening
Zie advies college van 26 september 2025.
Met de wijzigingen in projectinhoudversie 4 bevestigt de aanvrager dat pompstation IJskelder in dienst blijft om het water in de Schijnkoker richting het Albertkanaal te verpompen bij overstromingsgevaar voor de wijken Merksem en Luchtbal. Zoals ook in het eerdere advies van het college reeds aangegeven, worden nog bijkomende maatregelen gevraagd om naast de actieve, ook de passieve waterveiligheid van deze wijken te garanderen. De eerder gestelde voorwaarden hieromtrent worden opnieuw voorgesteld als vergunningsvoorwaarden.
In het gewijzigde project-MER werd aangevuld wat de aanvrager verstaat onder ‘veilige oplossing’ voor fietsers doorheen de werfzones. Het project-MER definieert dit als volgt: “Een veilige oplossing veronderstelt een duidelijke en harde barrière tussen het fietspad enerzijds en de werf of de rijbaan anderzijds, waarbij eventuele verhoogde aansluitingen (zoals boordstenen) worden weggewerkt.”. Het college benadrukt nogmaals de nood aan concrete en goed werkende oplossingen voor de fietspaden die de werfzone zullen kruisen.
Alle in het vorige advies voorgestelde voorwaarden blijven behouden.
Toetsing van aanvaardbaarheid van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten op het vlak van hinder en risico's voor de mens en het milieu
Exploitanten JV Levering en JV Fabriek wensen een project op te starten waarbij koelwater geleverd wordt aan industriële partners in de haven van Antwerpen. Om dit koelwater te produceren wordt oppervlaktewater uit de Voorgracht en effluentwater van de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) Noord en Merksem gebruikt. Dit water wordt verzameld in en gecapteerd uit de Voorgracht. Vanuit de Voorgracht wordt het water naar de koelwaterfabriek op de Covestro-site geleid, waar het water via membraantechnologie en bijmenging van drinkwater verder omgezet wordt tot koelwater.
Het project bestaat uit volgende onderdelen:
- de aanleg van een ruwwaternet vanuit RWZI's Noord en Merksem naar een nieuw te bouwen koelwaterfabriek. Dit omvat nieuwe pompstations (pompstation ‘Vaartkaai’, pompstation ‘Salaadweg’ en pompstation ‘Voorgracht’) die het ruwe water, deels via de bestaande Schijnkoker en grachten, naar de Voorgracht verpompen;
- de bouw van de koelwaterplant door JV Fabriek op de Covestro-site. Deze installatie zal ruw water zuiveren om koelwater te produceren;
- de aanleg van een koelwaternet in de Antwerpse haven, vertrekkende vanuit de koelwaterfabriek. Dit netwerk zal koelwater distribueren naar industriële afnemers op rechteroever langsheen de Scheldelaan.
De aanvrager maakte op 4 november 2025 een nieuwe projectinhoudversie (PIV) over aan de vergunningverlenende overheid, dit om onder andere een antwoord te bieden op de (ongunstige) adviezen van departement Omgeving – afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten (GOP) en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) en om een aantal onduidelijkheden in het dossier recht te zetten.
Op de vorige PIV werden door het college volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd:
De bijzondere voorwaarden komen aldus te vervallen. Het overige uit het advies van 26 september 2025 blijft onverminderd gelden.
Toetsing van het aangevraagde aan de beoordelingsgronden van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
Zie advies college van 26 september 2025.
Advies van het college
Gunstig advies te verlenen voor de aanvraag tot omgevingsvergunning onder voorwaarden.
Dit advies werd opgemaakt op basis van PIV 4.
Geadviseerde stedenbouwkundige voorwaarden
1. De bouwheer nodigt de stedelijke dienst archeologie uit voor een startvergadering, voorafgaand aan de werken, waarin de noodzaak van de meldingsplicht wordt geduid (archeologie@stad.antwerpen.be).
2. De bouwheer meldt 2 weken voor aanvang de start van de werken aan de stedelijke dienst archeologie (archeologie@stad.antwerpen.be).
3. De bouwheer laat werfcontroles op het terrein en tijdens de werken toe door stadsarcheologen.
4. De bouwheer is verplicht om eventuele vondsten en restanten waarvan hij redelijkerwijs vermoedt dat het archeologische waarde heeft, te melden onder de vondstmeldingsplicht (Onroerenderfgoeddecreet van 2 juli 2013, artikel 5.1.4). De dienst archeologie kan de noodzaak hiervan steeds komen inschatten.
5. Vellingswerken mogen niet uitgevoerd worden tijdens de schoontijd van 1 april tot en met 30 juni.
6. Alle te rooien bomen dienen gecompenseerd te worden. Voor de hoogstammige bomen dient dit te gebeuren met een minimale plantmaat 16/18. De heraanplant van deze bomen dient te gebeuren ten laatste tijdens het eerstvolgende plantseizoen na beëindiging der werken (per zone).
7. Voorafgaandelijk aan de werken moet de aanvrager contact opnemen met Natuurpunt of de milieudienst van het Havenbedrijf om de zones met beschermde soorten aan te duiden en af te bakenen. Alle materialen, werfinstallaties en dergelijke moeten gestockeerd worden buiten de zones met beschermde soorten. Daarnaast moeten in het EIN rijplaten gebruikt worden om spoorvorming te vermijden. Na de werken moet het terrein terug hersteld worden naar zijn oorspronkelijke staat en reliëf.
8. De aanvrager dient alle nodige maatregelen te nemen om de verspreiding van Japanse duizendknoop bij maaiwerken, uitgravingen en dergelijke te voorkomen.
9. Er mogen geen zandstocks of afgravingen hoger dan 1 meter aangelegd worden met rechte wanden om kolonisatie door oeverzwaluwen te vermijden.
10. De omheining rond de pompstations dient voorzien te worden in natuurlijke (of natuurlijk ogende) materialen.
11. De groenzones langsheen de Scheldelaan waar vegetatie vernietigd zal worden, dienen opnieuw ingezaaid of aangeplant te worden, om de bufferende werking tussen Schelde en industrie te bewaren, alsook de ruimtebeleving en integratie van de werken te verbeteren.
12. De onbebouwde zone rondom de nieuwe koelwaterfabriek dient ontwikkeld te worden als ecologisch waardevol grasland (met inmenging van Rosa sp.), in afwachting van een nieuwe industriële ontwikkeling of uitbreiding.
13. Bij pompstation Voorgracht dienen alle onbebouwde zones opnieuw ontwikkeld te worden als waardevol groen, met hoogstammig groen waar mogelijk en lage begroeiing waar nodig.
14. Voor de bestaande, te behouden bomen, dienen volgende voorzorgsmaatregelen genomen te worden:
- de boombeschermingszone is een beschermde cirkel rond de boom met een doormeter die gelijk is aan 24x de doormeter van de stam, gemeten op 1 meter hoogte. De boombeschermingszone heeft een minimale doormeter van 4 meter. Er moet een vaste, niet-verplaatsbare afsluiting van minimaal 2 meter hoog geplaatst worden rond de te behouden bomen, vóór dat er met iets van werkzaamheden gestart wordt. De afsluiting wordt geplaatst aan de buitenzijde van de kroonprojectie van de bestaande, te behouden bomen;
- transportbewegingen, aan- of afrijbewegingen en graafwerken zijn niet toegestaan binnen de boombeschermingszone. De aannemer voorziet zijn werfweg, stockage, toilet, … op locaties in de werfzone en buiten de boombeschermingszone (kroonprojectie) van de te behouden bomen. Deze maatregelen moeten duidelijk beschreven zijn in een plan van aanpak en tijdens de werkzaamheden ter plaatse aanwezig zijn;
- er mogen geen wortels beschadigd worden dikker dan 5 cm. Van dunne wortels mag maximaal 20% verwijderd worden. Wortels moeten recht afgeknipt of met scherp gereedschap afgestoken worden;
- schade ondergronds en bovengronds door transportbewegingen en graafwerken aan het te behouden bomenbestand moet vermeden worden. Ook bodemverdichting moet absoluut vermeden worden. Zichtbare schade en mogelijke gevolgschade worden in kaart gebracht via de uniforme methode voor waardebepaling door het VVOG opgesteld. De kosten die hieruit voortvloeien, worden verhaald op de uitvoerder.
15. De voorwaarden en opmerkingen uit het advies van de Brandweer Zone Antwerpen dienen strikt nageleefd te worden.
16. Er wordt een overlegstructuur opgezet met alle partijen die betrokken zijn bij de waterveiligheid van Merksem. VMM als beheerder van de Hoofd- en Voorgracht, de provincie als beheerder van de provinciale waterlopen, Lantis als beheerder van de Schijnkoker (tot dit naar een andere partij is overgedragen), de stad (als algemene verantwoordelijke voor de waterveiligheid van haar burgers) en Aquafin (als beheerder van de RWZI). Op dit overleg worden alle onderhouds- en interventiewerkzaamheden besproken (zie verder) alsook welke alarmen (zie verder) werden uitgestuurd en hoe hierop werd gereageerd. Ook wordt op basis van metingen het gedrag van het systeem gedurende de voorbije periode besproken.
17. De bijkomende pompgemalen worden onderhouden en hersteld volgens een strikt onderhouds- en interventieschema dat vooraf wordt voorgelegd binnen de voornoemde overlegstructuur.
18. Er wordt een robuust alarmsysteem opgezet inclusief sensoren en disseminatie. Dit systeem meldt onmiddellijk mogelijke defecten in de gemalen, abnormale waterpeilen en dergelijke.
19. Het project Waterkracht mag de doelstelling om de Schijnkoker open te leggen en een ecologische verbinding te creëren tussen Bospolder en Oude Landen niet hypothekeren.
20. De ecologische waarde die de Laarse Beek heeft als verbinding tussen het Peerdsbos en Oude Landen moet eveneens behouden blijven.
21. De aanvrager dient regelmatig te overleggen met de leidingbeheerders, Agentschap Wegen en Verkeer, het Havenbedrijf en stad Antwerpen voor de werken aan of nabij de Scheldelaan, zodat in onderling overleg voor de verschillende projecten hier (gelijklopend of aansluitend) steeds gezocht kan worden naar de meest veilige verkeerssituatie.
22. De milderende maatregelen uit het project-MER dienen onverminderd uitgevoerd te worden.
Geadviseerde rubriek(en)
Geadviseerde rubriek(en) IIOA KWP
Rubriek | Omschrijving | Gevraagd voor |
3.4.2° | het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II, met een debiet van meer dan 2 m³/uur tot en met 100 m³/uur; | 13,30 m³/uur |
3.6.3.3° | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van bedrijfsafvalwater met een effluent van meer dan 50 m³/uur; | 1.150 m³/uur |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA; | 2x 3.150 kVA |
15.1.1° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; | 4 voertuigen |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW; | 286,75 kW |
17.1.2.2.3° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 10.000 liter; | 40.000 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | opslag van gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton als de inrichting niet hoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt; | 2,65 ton |
17.3.4.3° | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen - opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton; | 208,70 ton |
17.3.6.3° | opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07, met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer 100 ton; | 101,70 ton |
17.3.8.2° | opslagplaatsen voor het aquatisch milieugevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 200 ton; | 82,45 ton |
24.2. | geïntegreerde, kleine laboratoria gericht op de interne controle van eigen productieprocessen en bijhorende in- en uitgaande stromen of de eigen waterzuiveringsinstallatie, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt; | labo |
39.4.1° | warmtewisselaars, andere dan deze vermeld onder rubriek 39.2 en deze voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van 25 liter tot en met 5.000 liter; | 800 liter |
53.2.2°a) | bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, beide met inbegrip van terug in de ondergrond brengen van bemalingswater in dezelfde watervoerende laag en het nuttige gebruik tot maximaal 5.000 m³ bemalingswater per jaar. Dit voor bemalingen niet gelegen in beschermde duingebieden, in een groengebied, een natuurontwikkelingsgebied, een parkgebied of een bosgebied met een debiet van maximaal 30.000 m³ per jaar. | 4.965 m³/jaar |
Geadviseerde rubriek(en) IIOA KWN, PS en RWN
Rubriek | Omschrijving | Gevraagd voor |
3.4.3° | het lozen van meer dan 100 m³/uur bedrijfsafvalwater; | 242,83 m³/uur |
3.6.3.3° | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van bedrijfsafvalwater met een effluent van meer dan 50 m³/uur; | 242,83 m³/uur |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA; | 2x 2.500 kVA |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW; | 5,25 kW |
17.3.2.1.1.1°b) | opslag van gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton als de inrichting niet hoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt; | 7,95 ton |
17.3.4.2°b) | opslagplaatsen voor bijtende vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS05) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 100 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied; | 15,55 ton |
17.3.6.2°b) | opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 100 ton, wanneer de inrichting gedeeltelijk of volledig gelegen is in gebied ander dan een industriegebied; | 5,85 ton |
17.3.7.2°b) | opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 50 ton, als de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied; | 9,70 ton |
53.2.1°c) | bronbemaling, met inbegrip van terugpompingen van onbehandeld en niet-verontreinigd grondwater in dezelfde watervoerende laag, die technisch noodzakelijk is voor ofwel de verwezenlijking van bouwkundige werken, ofwel de aanleg van openbare nutsvoorzieningen, gelegen in beschermde duingebieden, aangeduid op grond van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen of in een groengebied, een natuurontwikkelingsgebied, een parkgebied of een bosgebied met een debiet van meer dan 2.000 m³ per dag; | 2.144 m³/dag |
53.2.2°b)2° | bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, beide met inbegrip van terug in de ondergrond brengen van bemalingswater in dezelfde watervoerende laag en het nuttige gebruik tot maximaal 5.000 m³ bemalingswater per jaar. Dit voor bemalingen niet gelegen in beschermde duingebieden, in een groengebied, een natuurontwikkelingsgebied, een parkgebied of een bosgebied met een debiet van meer dan 30.000 m³ per jaar en de verlaging van het grondwaterpeil bedraagt meer dan vier meter onder het maaiveld; | 290.945 m³/jaar |
53.11.2° | onttrekken van grondwater met een debiet van 1.000 m³ per dag of meer als de activiteit gelegen is in of een aanzienlijke invloed kan hebben op een gebied, zoals aangeduid ter uitvoering van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen, of als de activiteit een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken. | 5.828 m³/dag |
Procedurestap | Datum |
Ontvangst eerste adviesvraag | 8 augustus 2025 |
Start eerste openbaar onderzoek | 16 augustus 2025 |
Einde eerste openbaar onderzoek | 14 september 2025 |
| Ontvangst laatste adviesvraag | 13 november 2025 |
Start laatste openbaar onderzoek | 22 november 2025 |
Einde laatste openbaar onderzoek | 21 december 2025 |
Gemeenteraad voor aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen | geen |
Uiterste adviesdatum | 13 december 2025 |
De aanvraag werd onderworpen aan twee openbare onderzoeken. De bezwaarschriften die tijdens het eerste openbaar onderzoek werden ingediend, werden reeds behandeld in het advies van 26 september 2025 (zie bijlage).
Op het moment van opmaak van dit verslag is het laatste openbaar onderzoek nog lopende. Het hierbij geformuleerde advies is opgemaakt onder voorbehoud van eventuele bijkomende opmerkingen, bezwaren of standpunten tijdens de resterende tijd van het openbaar onderzoek. Tot op heden werden geen nieuwe opmerkingen, standpunten of bezwaren ontvangen. De beoordeling van de eventuele bijkomende bezwaren wordt overgelaten aan de vergunningverlenende overheid.
Informatievergadering
Over de aanvraag werd een informatievergadering georganiseerd op 1 december 2025. Het verslag van de informatievergadering werd bezorgd aan de vergunningverlenende overheid.
Het college beslist een gunstig advies, zoals geformuleerd in de argumentatie, te geven op de aanvraag, onder volgende voorwaarden.
Geadviseerde stedenbouwkundige voorwaarden
1. De bouwheer nodigt de stedelijke dienst archeologie uit voor een startvergadering, voorafgaand aan de werken, waarin de noodzaak van de meldingsplicht wordt geduid (archeologie@stad.antwerpen.be).
2. De bouwheer meldt 2 weken voor aanvang de start van de werken aan de stedelijke dienst archeologie (archeologie@stad.antwerpen.be).
3. De bouwheer laat werfcontroles op het terrein en tijdens de werken toe door stadsarcheologen.
4. De bouwheer is verplicht om eventuele vondsten en restanten waarvan hij redelijkerwijs vermoedt dat het archeologische waarde heeft, te melden onder de vondstmeldingsplicht (Onroerenderfgoeddecreet van 2 juli 2013, artikel 5.1.4). De dienst archeologie kan de noodzaak hiervan steeds komen inschatten.
5. Vellingswerken mogen niet uitgevoerd worden tijdens de schoontijd van 1 april tot en met 30 juni.
6. Alle te rooien bomen dienen gecompenseerd te worden. Voor de hoogstammige bomen dient dit te gebeuren met een minimale plantmaat 16/18. De heraanplant van deze bomen dient te gebeuren ten laatste tijdens het eerstvolgende plantseizoen na beëindiging der werken (per zone).
7. Voorafgaandelijk aan de werken moet de aanvrager contact opnemen met Natuurpunt of de milieudienst van het Havenbedrijf om de zones met beschermde soorten aan te duiden en af te bakenen. Alle materialen, werfinstallaties en dergelijke moeten gestockeerd worden buiten de zones met beschermde soorten. Daarnaast moeten in het EIN rijplaten gebruikt worden om spoorvorming te vermijden. Na de werken moet het terrein terug hersteld worden naar zijn oorspronkelijke staat en reliëf.
8. De aanvrager dient alle nodige maatregelen te nemen om de verspreiding van Japanse duizendknoop bij maaiwerken, uitgravingen en dergelijke te voorkomen.
9. Er mogen geen zandstocks of afgravingen hoger dan 1 meter aangelegd worden met rechte wanden om kolonisatie door oeverzwaluwen te vermijden.
10. De omheining rond de pompstations dient voorzien te worden in natuurlijke (of natuurlijk ogende) materialen.
11. De groenzones langsheen de Scheldelaan waar vegetatie vernietigd zal worden, dienen opnieuw ingezaaid of aangeplant te worden, om de bufferende werking tussen Schelde en industrie te bewaren, alsook de ruimtebeleving en integratie van de werken te verbeteren.
12. De onbebouwde zone rondom de nieuwe koelwaterfabriek dient ontwikkeld te worden als ecologisch waardevol grasland (met inmenging van Rosa sp.), in afwachting van een nieuwe industriële ontwikkeling of uitbreiding.
13. Bij pompstation Voorgracht dienen alle onbebouwde zones opnieuw ontwikkeld te worden als waardevol groen, met hoogstammig groen waar mogelijk en lage begroeiing waar nodig.
14. Voor de bestaande, te behouden bomen, dienen volgende voorzorgsmaatregelen genomen te worden:
- de boombeschermingszone is een beschermde cirkel rond de boom met een doormeter die gelijk is aan 24x de doormeter van de stam, gemeten op 1 meter hoogte. De boombeschermingszone heeft een minimale doormeter van 4 meter. Er moet een vaste, niet-verplaatsbare afsluiting van minimaal 2 meter hoog geplaatst worden rond de te behouden bomen, vóór dat er met iets van werkzaamheden gestart wordt. De afsluiting wordt geplaatst aan de buitenzijde van de kroonprojectie van de bestaande, te behouden bomen;
- transportbewegingen, aan- of afrijbewegingen en graafwerken zijn niet toegestaan binnen de boombeschermingszone. De aannemer voorziet zijn werfweg, stockage, toilet, … op locaties in de werfzone en buiten de boombeschermingszone (kroonprojectie) van de te behouden bomen. Deze maatregelen moeten duidelijk beschreven zijn in een plan van aanpak en tijdens de werkzaamheden ter plaatse aanwezig zijn;
- er mogen geen wortels beschadigd worden dikker dan 5 cm. Van dunne wortels mag maximaal 20% verwijderd worden. Wortels moeten recht afgeknipt of met scherp gereedschap afgestoken worden;
- schade ondergronds en bovengronds door transportbewegingen en graafwerken aan het te behouden bomenbestand moet vermeden worden. Ook bodemverdichting moet absoluut vermeden worden. Zichtbare schade en mogelijke gevolgschade worden in kaart gebracht via de uniforme methode voor waardebepaling door het VVOG opgesteld. De kosten die hieruit voortvloeien, worden verhaald op de uitvoerder.
15. De voorwaarden en opmerkingen uit het advies van de Brandweer Zone Antwerpen dienen strikt nageleefd te worden.
16. Er wordt een overlegstructuur opgezet met alle partijen die betrokken zijn bij de waterveiligheid van Merksem. VMM als beheerder van de Hoofd- en Voorgracht, de provincie als beheerder van de provinciale waterlopen, Lantis als beheerder van de Schijnkoker (tot dit naar een andere partij is overgedragen), de stad (als algemene verantwoordelijke voor de waterveiligheid van haar burgers) en Aquafin (als beheerder van de RWZI). Op dit overleg worden alle onderhouds- en interventiewerkzaamheden besproken (zie verder) alsook welke alarmen (zie verder) werden uitgestuurd en hoe hierop werd gereageerd. Ook wordt op basis van metingen het gedrag van het systeem gedurende de voorbije periode besproken.
17. De bijkomende pompgemalen worden onderhouden en hersteld volgens een strikt onderhouds- en interventieschema dat vooraf wordt voorgelegd binnen de voornoemde overlegstructuur.
18. Er wordt een robuust alarmsysteem opgezet inclusief sensoren en disseminatie. Dit systeem meldt onmiddellijk mogelijke defecten in de gemalen, abnormale waterpeilen en dergelijke.
19. Het project Waterkracht mag de doelstelling om de Schijnkoker open te leggen en een ecologische verbinding te creëren tussen Bospolder en Oude Landen niet hypothekeren.
20. De ecologische waarde die de Laarse Beek heeft als verbinding tussen het Peerdsbos en Oude Landen moet eveneens behouden blijven.
21. De aanvrager dient regelmatig te overleggen met de leidingbeheerders, Agentschap Wegen en Verkeer, het Havenbedrijf en stad Antwerpen voor de werken aan of nabij de Scheldelaan, zodat in onderling overleg voor de verschillende projecten hier (gelijklopend of aansluitend) steeds gezocht kan worden naar de meest veilige verkeerssituatie.
22. De milderende maatregelen uit het project-MER dienen onverminderd uitgevoerd te worden.