Terug
Gepubliceerd op 08/12/2025

2025_CBS_08839 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Gunstig advies - OMV_2025082912. Polderdijkweg 24. District Antwerpen - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 05/12/2025 - 09:00 Stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Koen Kennis, schepen; Patrick Janssens, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Lien Van de Kelder, schepen; Johan Klaps, schepen; Ken Casier, schepen; Karim Bachar, schepen; Stijn De Rooster, schepen; Nathalie van Baren, schepen; Sven Cauwelier, algemeen directeur; Elisabeth van Doesburg, waarnemend burgemeester

Secretaris

Sven Cauwelier, algemeen directeur

Voorzitter

Elisabeth van Doesburg, waarnemend burgemeester
2025_CBS_08839 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Gunstig advies - OMV_2025082912. Polderdijkweg 24. District Antwerpen - Goedkeuring 2025_CBS_08839 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Gunstig advies - OMV_2025082912. Polderdijkweg 24. District Antwerpen - Goedkeuring

Motivering

Aanleiding en context

Er werd bij de deputatie een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag wordt behandeld volgens de gewone procedure van het Omgevingsvergunningendecreet.

De deputatie verzoekt het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar om:

- een openbaar onderzoek te houden;

- advies uit te brengen.

 

Projectnummer:

OMV_2025082912

Gegevens van de aanvrager:

NV SEA-TANK TERMINAL ANTWERP met als adres Polderdijkweg 24 te 2030 Antwerpen

Gegevens van de exploitant:

NV SEA-TANK TERMINAL ANTWERP (0702863483) met als adres Polderdijkweg 24 te 2030 Antwerpen

Ligging van het project:

Polderdijkweg 24 te 2030 Antwerpen

Kadastrale percelen:

afdeling 14 sectie A nrs. 134M4 en 134N4

waarvan:

 

-          20190806-0053

afdeling 14 sectie A nrs. 134M4 en 134N4 (SEA-Tank Terminal Antwerp - Q405)

Vergunningsplichten:

exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten

Voorwerp van de aanvraag:

het verder exploiteren en veranderen van een tankterminal

 

Relevante voorgeschiedenis

- 8/08/2024: omgevingsvergunning (OMV_2024066565) voor het uitbreiden van een kantoorgebouw door plaatsing van prefab bureelcontainers;

- 8/05/2020: omgevingsvergunning (OMV_2019038219) voor de regularisatie van een vergund tankpark;

- 12/12/2019: omgevingsvergunning (OMV_2017006244) voor de regularisatie en uitbreiding van een kantoorgebouw en de regularisatie van een gascabine;

- 25/08/2006: stedenbouwkundige vergunning (HV/2006/B/0040 – 2006100049) voor het bouwen van een bovengronds tankpark met bijhorend technisch gebouw en kantoorgebouw + technische uitrustingen.

 

Omschrijving ingedeelde inrichtingen of activiteiten

 

Voorgeschiedenis

Op 13 juli 2006 verleende de deputatie van de provincie Antwerpen een vergunning voor de uitbating van een tankpark, voor een termijn verstrijkend op 13 juli 2026. Nadien werden er nog diverse vergunningen verleend voor veranderingen.

 

Inhoud van de aanvraag

Het voorwerp van de aanvraag omvat het verder exploiteren en veranderen van een tankterminal.

 

Aangevraagde rubriek(en)

 

Rubriek

Omschrijving

Gevraagd voor

1.4.

Inrichtingen voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een opslagcapaciteit van 100.000 ton of meer;

209.413 ton

2.1.2.d)2°

opslag en overslag van andere afvalstoffen dan vermeld in e) (asbesthoudend afval) of f) (gemengde afvalstoffen, mengsels van afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen) niet aan verwerking verbonden, met een opslagcapaciteit van meer dan 100 ton;

209.353 ton

2.2.4.1°

op- en overslag van dierlijke bijproducten zoals vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

3.4.3°

het lozen van meer dan 100 m³/uur bedrijfsafvalwater;

120 m³/uur
 (hernieuwing)

3.6.1.

afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar;

780 m³/jaar

6.4.3°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van meer dan 5.000.000 liter;

209.363.000 liter
 (+732.650 liter)

6.5.1°

brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen, namelijk installaties voor het vullen van brandstoftanks van motorvoertuigen met vloeibare koolwaterstoffen, bestemd voor de voeding van de erop geïnstalleerde motor(en) met maximaal twee verdeelslangen;

1 verdeelslang
 (hernieuwing)

7.1.3°

niet elders ingedeelde inrichtingen, voor de productie of behandeling van organische of anorganische chemicaliën waarbij, gebruik gemaakt wordt van alkylering, aminering met ammoniak, carbonylering, condensatie, dehydrogenering, verestering, halogenering en fabricage van halogenen, hydrogenering, hydrolyse, oxidatie, polymerisatie, ontzwaveling, synthese en omzetting van zwavelhoudende verbindingen, nitrering en synthese van stikstofhoudende verbindingen, synthese van fosforhoudende verbindingen, distillatie, extractie, solvatie en/of menging, met een jaarcapaciteit van meer dan 10.000 ton;

209.353 ton/jaar
 (+722,65 ton/jaar)

12.2.2°

transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA;

1 x 1.500 kVA
 (hernieuwing)

16.3.2°b)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW;

220 kW
 (+20 kW)

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1.000 liter tot en met 10.000 liter;

3.625 liter
 (+2.325,00 liter)

17.1.2.2.3°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 10.000 liter;

36.500 liter
 (hernieuwing)

17.2.2.

VR-plichtige inrichting waar gevaarlijke producten in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, deel 1 en 2, kolom 3, bij dit besluit, aanwezig zijn, in voorkomend geval gebruikmakend van de sommatieregel, vermeld in noot 4 bij bijlage 5, deel 1 en deel 2 (hogedrempel Seveso-inrichting)

209.413 ton
 (+9.782,65 ton)

17.3.2.1.1.3°

gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 500 ton;

209.413 ton
 (+10.132,62 ton)

17.3.2.1.2.3°

opslagplaatsen voor overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 200 ton;

209.353 ton
 (+9.722,65 ton)

17.3.4.3°

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen - opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton;

209.369 ton
 (+9.716,25 ton)

17.3.5.3°

opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 5 ton;

209.363 ton
 (+193.169,54 ton)

17.3.6.3°

opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07, met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer 100 ton;

209.369 ton
 (+9.732,65 ton)

17.3.7.3°

opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 50 ton;

209.363 ton
 (+9.732,65 ton)

17.3.8.3°

opslagplaatsen voor het aquatisch milieugevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 200 ton;

209.353 ton
 (+9.722,65 ton)

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter;

5.000 liter
 (hernieuwing)

24.4.

laboratoria waar geen afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt;

1 laboratorium
 (hernieuwing)

26.2.

opslagplaatsen voor lijmen en niet voor consumptie bestemde gelatine, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, van meer dan 10 ton;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

29.5.5.1°a)

Oppervlaktebehandeling, met inbegrip van ontvetting van metalen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, als de gezamenlijke inhoud van de gebruikte behandelingsbaden en spoelbaden of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën, als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, uit de volgende volumes bestaat: 10 liter tot en met 1.000 liter, als de inrichting volledig in een industriegebied ligt;

400 liter
 (hernieuwing)

29.5.7.1°a)1)

Ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van: gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een vlampunt tot en met 55 °C met een totaal inhoudsvermogen van de baden en de spoelbaden of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, van 10 liter tot en met 1.000 liter, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied;

400 liter
 (hernieuwing)

31.1.1°a)

stationaire motoren en gasturbines met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 kW tot en met 2.000 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt;

400 kW
 (hernieuwing)

39.1.1°

stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren, met een individuele inhoud van 25 liter tot en met 500 liter;

248,38 liter
 (hernieuwing)

39.1.2°

stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren, met een individuele inhoud van meer dan 500 liter tot en met 5.000 liter;

695 liter
 (hernieuwing)

39.4.1°

warmtewisselaars, andere dan deze vermeld onder rubriek 39.2 en deze voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van 25 liter tot en met 5.000 liter;

3.400 liter
 (hernieuwing)

43.1.2°a)

stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 2.000 kW tot en met 5.000 kW in de gevallen andere dan vermeld sub 1°, a) of b);

3.704 kW
 (hernieuwing)

44.3.

opslagplaatsen voor vetten, wassen, oliën of andere niet-eetbare vetstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 17 en 48;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

45.4.e)2°

opslagplaatsen voor producten van dierlijke oorsprong met uitzondering van de producten vermeld in rubriek 48, van meer dan 50 ton;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

45.18.1°

op- en overslag van dierlijke bijproducten;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

45.18.2°a)

dierlijke bijproducten als vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen: opslag en activiteiten van categorie 3-materiaal;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

45.18.2°b)

dierlijke bijproducten als vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen: opslag en activiteiten van categorie 2-materiaal;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

45.18.2°c)

dierlijke bijproducten als vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen: opslag en activiteiten van categorie 1-materiaal.

209.353 ton
 (+722,65 ton)

  

Aangevraagde bijstelling bijzondere milieuvoorwaarden in afwijking van algemene of sectorale voorwaarden


1.

Bij te stellen voorwaarde:

Artikel 5.2.1.5.§5 De plaatsing van een groenscherm.

 

Voorgesteld alternatief/aanvulling:

De exploitant wenst geen groenscherm te voorzien.

 

2.

Bij te stellen voorwaarde:

Artikel 5.2.1.2.§3 & artikel 5.2.1.6.§4 Uitbatingsuren.

 

Voorgesteld alternatief/aanvulling:

De exploitant wenst 24u/24u en 7 dagen/7 dagen te exploiteren.

 

3.

Bij te stellen voorwaarde:

Artikel 5.2.1.5.§1 Uithangbord.

 

Voorgesteld alternatief/aanvulling:

De exploitant wenst geen bijkomend uithangbord te voorzien gezien er in het kader van de VR-plicht al een informatiebord wordt voorzien.

 

4.

Bij te stellen voorwaarde:

Artikel 5.2.2.10.2.§1 Dierlijke afvalstoffen moeten binnen 24 uur na aanvoer verwerkt worden.

 

Voorgesteld alternatief/aanvulling:

De exploitant wenst geen termijn om dierlijke afvalstoffen te verwerken aangezien er geen verwerking zal gebeuren van afvalstoffen.

 

5.

Bij te stellen voorwaarde:

Artikel 5.6.1.3.8 Afstand tussen houders onderling.

 

Voorgesteld alternatief/aanvulling:

De exploitant zal alle opslagtanks voorzien van een isolatiemantel waardoor eventuele lekken niet buiten de inkuiping terecht kunnen komen.

 

6.

Bij te stellen voorwaarde:

Artikel 4.2.5.1.1 Meet en bemonsteringsapparatuur.

 

Voorgesteld alternatief/aanvulling:

De exploitant wenst geen meetgoot te plaatsen maar een controlemogelijkheid waar een representatief schepstaal genomen kan worden.

 

7.

Bij te stellen voorwaarde:

bijlage 5.3.2.53°a Sectorale lozingsnormen voor bedrijfsafvalwater.

 

Voorgesteld alternatief/aanvulling:

De exploitant wenst de bestaande lozingsnormen voor bedrijfsafvalwater te behouden.

 

 

Juridische grond

Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing.

Regelgeving: bevoegdheid

Conform artikel 24 en 42 van het Omgevingsvergunningsdecreet heeft het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar de bevoegdheid advies uit te brengen voor de vergunningsaanvragen op haar grondgebied waarvoor de deputatie, de Vlaamse regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de bevoegde overheid is, tenzij:

 

  1. de aanvraag ingediend is door het betrokken college;
  2. de aanvraag louter betrekking heeft op mobiele of verplaatsbare ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

 

Het college heeft op 17 november 2017 (jaarnummer 2017_CBS_08858) beslist om de adviesbevoegdheid op te nemen.

Argumentatie

Adviezen

 

Externe adviezen

 

Adviesinstantie

Datum advies gevraagd

Datum advies ontvangen

Advies

Haven van Antwerpen-Brugge, subadvies milieu

23 oktober 2025

14 november 2025

Voorwaardelijk gunstig

 

Toetsing regelgeving en beleidsrichtlijnen

 

Plannen van aanleg, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingen


Het goed is gelegen in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Afbakening zeehavengebied Antwerpen (Besluit van de Vlaamse regering van 30 april 2013), binnen de afbakeningslijn.

De gebieden binnen de afbakeningslijn behoren tot het zeehavengebied Antwerpen.

Met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgelegd, blijven de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing.

 

Het goed is volgens voornoemd gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bestemd als Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven.

Zulk gebied is bestemd om te functioneren als Vlaams havengebied als onderdeel van de haven van Antwerpen. Het is bestemd voor zeehavengebonden en zeehavengerelateerde industriële en logistieke activiteiten en distributie-, opslag- en overslagactiviteiten die gebruikmaken van en aangewezen zijn op de zeehaveninfrastructuur.

Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming en voor de exploitatie van de haven en de bedrijven zijn toegelaten.

Daartoe worden ook de volgende werken, handelingen, voorzieningen, en wijzigingen gerekend:

- de aanleg en het onderhoud van infrastructuur die nodig is voor de toegankelijkheid of voor verbindingen langs de waterzijde en langs de landszijde;

- het laguneren of op een andere wijze bergen of verwerken van baggerspecie.

Daarnaast is de ontwikkeling, het herstel en de instandhouding van tijdelijke ecologische infrastructuur toegelaten.

In het gebied zijn eveneens gebouwen of lokalen voor bewakingspersoneel toegelaten.

In het gebied zijn kantoorgebouwen niet toegelaten, tenzij ze noodzakelijk zijn voor en een inherent onderdeel zijn van de exploitatie van haven- en industriële activiteiten. De bestaande kantoorgebouwen kunnen behouden blijven binnen het bestaande bouwvolume op het moment van definitieve vaststelling van dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Uitbreidingen zijn niet toegelaten.

 

De aanvraag dient beoordeeld te worden aan de hand van de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan.

De aanvraag is in overeenstemming met de bestemming en de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.

 

Voor een straal van 500 meter rond de aanvraag is het voormelde GRUP tevens van toepassing. Hier gelden voornamelijk de bestemmingsvoorschriften Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven en – voor het Hansadok – Gebied voor waterweginfrastructuur. Ten zuidoosten van de aanvraag lopen twee overdrukken met als aanduiding Leidingstraat en Hoogspanningsleiding. Ten westen van de aanvraag loopt nog een overdruk met als aanduiding Leidingstraat.

 

Omgevingstoets

 

Toetsing van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening

 

De ingedeelde inrichting of activiteit is vanuit stedenbouwkundig oogpunt hoofdzakelijk vergund. Er zijn geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen aangevraagd. De aanvraag is verenigbaar met de ruimtelijke context van het havengebied waarbinnen deze aanvraag is gesitueerd. Er is geen bezwaar vanuit stedenbouwkundig oogpunt.

 

Toetsing van aanvaardbaarheid van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten op het vlak van hinder en risico's voor de mens en het milieu

 

Voorliggende aanvraag van SEA-Tank Terminal Antwerp (STTA) betreft de exploitatie van een tankterminal voor de op- en overslag van aardolieproducten en andere vloeistoffen. De terminal heeft een totale opslagcapaciteit van 209.353 m³, verdeeld over 71 tanks van diverse groottes, die onderverdeeld zijn in 11 tankparken. De verhandelde en opgeslagen vloeistoffen omvatten voornamelijk aardolieproducten (zoals diesel, gasolie en lichte stookolie) en andere vloeibare producten (waaronder smeeroliën, transformatoroliën, vetzuren, …). Deze producten worden aan- en afgevoerd per tankwagen en (binnen)schip. De omgevingsvergunningsaanvraag betreft een hernieuwing van de gehele site en een uitbreiding van de Seveso-stoffen binnen de inrichting (voor tankpark TP07B).

 

Voor voorliggende aanvraag werd eveneens een project-MER opgemaakt. Hiervoor werd reeds een afzonderlijk advies uitgebracht door het college.

 

Verder is er binnen de inrichting ook de mogelijkheid tot blenden voorzien binnen dezelfde productgroep en tankpark. Dit blenden wordt ook gebruikt om de tankinhoud te homogeniseren of additieven toe te voegen.

 

Door de uitbreiding zullen in totaal volgende gevaarlijke stoffen kunnen opgeslagen worden:

  • 209.353 ton vloeistoffen die gevaarlijk zijn voor het aquatisch milieu, gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS09 in bovengrondse houders;
  • 209.353 ton op lange termijn schadelijke vloeistoffen gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS08 in bovengrondse houders;
  • 209.369 ton schadelijke vloeistoffen gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 waarvan 209.353 ton in bovengrondse houders;
  • 209.353 ton acuut toxische stoffen in bovengrondse houders in tankparken. Dit betreft stoffen die acuut toxisch zijn via orale en/of dermale blootstelling (H300/H301 en/of H310/H311);
  • 209.369 ton bijtende vloeistoffen gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 waarvan 209.353 ton in bovengrondse houders;
  • 209.353 ton overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 in bovengrondse houders in tankparken. Dit betreft ontvlambare vloeistoffen van categorie 3 met een vlampunt tussen 55°C en 60°C;
  • 209.353 ton gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt ≥ 55 °C in bovengrondse houders, opslag van 50 ton in een ondergrondse houder.

 

Huidige aanvraag betreft ook een zogenaamde hogedrempel Seveso-inrichting. Dit ten gevolge van de overschrijding van de hoge drempels voor de aanwezigheid van toxische stoffen (H1/H2/H3), ontvlambare vloeistoffen (P5a/P5c), milieugevaarlijke stoffen (E1/E2) en met naam genoemde stoffen (MNG22/MNG26/MNG34). Om deze reden is de exploitant verplicht om een omgevingsveiligheidsrapport (OVR) op te maken. Uit dit rapport blijkt dat er geen scenario’s verwacht worden die aanleiding geven tot externe mensrisico’s.

 

Een aantal productcategorieën zullen mits deze verandering niet meer opgeslagen worden, zoals 208.630,35 ton aan biociden, kunstmeststoffen, kleurstoffen en pigment, cosmetische producten, reinigingsmiddelen en rubbers.

 

Voor de uitbating van de terminal zijn ook verschillende nutsvoorzieningen in beheer. Zo is er bijvoorbeeld een centrale hoogspanning- en laagspanningscabine per tankpark (vergund voor 1.500 kVA). Verder worden er ook compressoren voorzien voor de perslucht van de installatie (dit voor een totaal van 220 kW). Ook heeft de inrichting een stikstofinstallatie, zo wordt er 36.500 liter aan stikstof opgeslagen in een bovengronds reservoir. Er zijn ook 2 stookinstallaties aanwezig van 3.704 kW in totaal en een stoominstallatie voor het opwarmen van de tanks met stoom. Er is daarnaast ook een machine voor het ontvetten van metalen aanwezig met een inhoud van 400 liter. Als laatste is er ook een blusinstallatie, bestaande uit dieselpompen voor het voeden van het bluswaternet (vermogen van 200 kW elk). Elk van deze pompen heeft een afzonderlijke tank. Tot slot is ook een brandstofverdeelslang aanwezig.

 

Door de exploitant werd aangegeven dat een van de stoomketels niet meer voldoet aan de emissiegrenswaarde van 150 mg/Nm³. Hier zijn dus onmiddellijke maatregelen nodig, zoals bijvoorbeeld het nauwkeuriger afstellen van de brander. Het is onduidelijk of de aanvrager de nodige maatregelen in de tussentijd al uitgevoerd heeft.

 

Er wordt zowel leidingwater als hemelwater gebruikt voor sanitaire doeleinden. Het sanitair afvalwater komt terecht in twee eigen waterzuiveringen (IBA’s) om vervolgens op het Hansadok geloosd te worden. Het aangevraagde maximale jaardebiet voor sanitair water is 780 m³/jaar.

 

Er wordt een melding gemaakt van 12.940 m³ per jaar aan leidingwater voor ‘overig’ gebruik. Er wordt hier niet gespecifieerd welke toepassingen dit dan zijn en welke kwaliteitsvereisten er zijn. Uit de waterbalans blijkt verder ook nog dat er nog een aanzienlijk potentieel is van hemelwater dat op daken en verhardingen valt en dat nu niet aangewend wordt. Er dient verduidelijkt te worden welk type watervraag dit betreft en of er een mogelijkheid is om hier hemelwater voor aan te wenden. VLAREM artikel 4.2.1.3 stelt namelijk dat er voor de afvoer van hemelwater in eerste instantie steeds de voorkeur moet gegeven worden aan opvang voor hergebruik.

 

De totale vergunde debieten voor het geloosde bedrijfsafvalwater zijn vastgesteld op maximaal 120 m³/uur, 1.800 m³/dag en 42.214 m³/jaar. Het bedrijfsafvalwater betreft enerzijds spuiwater afkomstig van de stoomgeneratoren en anderzijds potentieel verontreinigd hemelwater. Dit bestaat uit hemelwater dat op de tankparken terechtkomt en in de inkuipingen wordt opgevangen. Ook hemelwater dat in aanraking komt met de truckverlading van gevaarlijke goederen valt hieronder. Dit water wordt na visuele controle en zuivering via KWS-afscheiders in het dok geloosd, indien het niet sterk verontreinigd is. Indien het verontreinigd is, wordt het afgevoerd naar een externe verwerker. Ook bijvoorbeeld water van tankreinigingen wordt afgevoerd. Dit komt neer op een 560 m³ per jaar.

 

De impactbeoordeling op het Hansadok en de Kanaaldokken gebeurt met de Wezer-tool, gebaseerd op een absoluut worstcasescenario (maximaal vergund debiet en maximale concentraties). Hoewel de werkelijke jaargemiddelde impact vermoedelijk veel lager ligt, leidt de worstcaseberekening tot een aanzienlijk negatief effect (score -3) voor diverse parameters. Dit duidt erop dat de lozing in deze theoretische situatie bijdraagt aan het niet halen van de milieukwaliteitsdoelstellingen (MKN) in het ontvangende oppervlaktewater.

 

Parameters waarvoor onderzoek naar verbetering is vereist (onder andere omdat de MKN-doelstellingen stroomopwaarts al niet worden gehaald):

  •  nutriënten: totale stikstof (N tot) en totaal fosfor (P tot);
  •         zware metalen/toxische stoffen: totaal kwik (Hg tot) en totaal kobalt (Co tot);
  •         PAKs: fluorantheen en benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen en benzo(g,h,i)peryleen;
  •         organische belasting: chemisch zuurstofverbruik (CZV) (relevant bij de beoordeling ‘einde waterloop’ in het Kanaaldok).

 

Bovendien is gebleken uit recente metingen (zelfcontrole) dat er periodiek overschrijdingen van de lozingsnormen optreden voor onder meer pH, zwevende en bezinkbare stoffen, CZV, BZV, Zn, Cu, Pb, Ba, xylenen, enkele PAK’s en PFAS (PFBA).

 

De aanvrager stelt enkele milderende maatregelen voor zoals een brononderzoek, het gebruik van actiefkoolfilters of het verwijderen van PAK’s door zandfiltratie.

 

Omwille van de negatieve Wezer-toets en de recente overschrijdingen is er een dwingend onderzoek naar milderende maatregelen nodig. De aanvrager stelt echter in het project-MER dat er ‘mogelijks’ een actieplan ‘in de toekomst’ moet opgemaakt worden. Dit is te vrijblijvend. Ook de haven van Antwerpen-Brugge stelt zich vragen bij het gebrek aan concrete maatregelen en de achteruitgang zoals bepaald door de Kaderrichtlijn Water. Het actieplan dient gedetailleerd uitgewerkt te worden en er dient een timing aan elk van de voorgestelde maatregelen gekoppeld te worden. Volgende voorwaarde wordt gesuggereerd in het subadvies:

“Binnen de 2 jaar na het verlenen van de omgevingsvergunning moet de aanvrager verslag uitbrengen van het onderzoek aan de vergunningverlenende overheid en het Havenbedrijf. Het verslag moet onder meer volgende elementen bevatten: monitoring en vaststelling van eventuele overschrijdingen, oorzaken en concreet onderzoek naar mogelijke haalbaarheid van verbeterdoelstellingen en aangescherpte zuivering. Met betrekking tot PFAS moet ‒ vanuit de recente bijstelling van de Kaderrichtlijn Water (oktober 2025) ‒ de PFAS 25 (oppervlaktewater) worden opgenomen.” De stad volgt deze suggestie en wenst dit op te leggen als bijzondere voorwaarde.

 

Qua milieurisico’s vermeldt de aanvrager dat er nog PFAS-houdend blusschuim aanwezig is op de site, dit van het type C-6. Ook dit type blusschuim dient op termijn uitgefaseerd te worden, zo zegt ook de Europese verordening van 23 oktober 2025. Er geldt een algemene overgangsperiode van 5 jaar, daarnaast zijn nog specifieke termijnen van toepassing. Meer informatie vindt u op: https://news.belgium.be/nl/verbod-op-pfas-brandblusschuim.

 

Volgens artikel 5.2.1.5. §5 van het VLAREM dient een groenscherm aangelegd te worden van 5 meter breed. De aanvrager vraagt hier een afwijking op aan. Hij stelt dat er geen visueel voordeel is. Het college volgt deze visie en kan akkoord gaan met deze (hernieuwde) afwijkingsaanvraag, en wenst hierbij aan te stippen dat het een vernieuwing betreft van een bestaande site, dat er geen werken worden uitgevoerd waarbij dergelijk scherm kan geïntegreerd worden.

 

Verder wordt er ook nog een bijstelling gevraagd van artikel 5.2.1.2 dat stelt dat de aan- of afvoer van de afvalstoffen niet voor 7 uur en na 19 uur mag plaatsvinden. De exploitant vraagt dat de aan- en afvoer van de afvalstoffen continu kan plaatsvinden. Deze bijstelling kan gunstig geadviseerd worden, omwille van de specifieke ligging binnen havengebied wordt er geen hinder verwacht.

 

Afwijking van artikel 5.2.1.5§1 wordt gevraagd voor de plaatsing van een uithangbord aangezien de site reeds is voorzien van een informatiebord waarop de noodzakelijke informatie vermeld wordt inzake de VR-plicht. Het college heeft geen bezwaar tegen dit verzoek.

 

De exploitant vraag een afwijking van artikel 5.2.2.10.2§1 waarin vermeld wordt dat dierlijke afvalstoffen binnen de 24 uur moeten verwerkt worden. Op de inrichting worden geen afvalstoffen verwerkt, enkel op- en overgeslagen in opdracht van de klant. De dierlijke afvalstoffen zijn vetten en oliën die in opslagtanks worden bewaard. De geuremissies zouden beperkt blijven. Het college kan akkoord gaan met deze gevraagde bijstelling.

 

Voor artikel 5.6.1.3.8 wordt afwijking gevraagd wat betreft de afstand tussen de houders onderling. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, bedraagt de afstand tussen de houders onderling ten minste 0,5 m en tussen de houders en de binnenwanden van de inkuiping of de onderkant van de dammen ten minste de helft van de hoogte van de houders.

 

Deze laatste verplichting vervalt:

1° bij opslag van gevaarlijke vloeistoffen in dubbelmantelhouders of houders met ringmantel of een gelijkwaardige afscherming, die er voor zorgt dat eventuele lekvloeistof binnen de inkuiping terechtkomt, of

2° bij opslag van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van meer dan 100 °C of extra zware stookolie, ongeacht het vlampunt, en een voldoende viscositeit waardoor de eventuele lekvloeistof binnen de inkuiping terechtkomt.

De exploitant zal bij alle opslagtanks een isolatiemantel voorzien waardoor eventuele lekken niet buiten de inkuiping terecht zullen komen. Het college oordeelt dat bijgevolg kan gesteld worden dat niet dient voldaan te worden aan het artikel.

 

Afwijking op artikel 4.2.5.1.1 wordt eveneens gevraagd. De exploitant wenst geen meetgoot te plaatsen maar een controlemogelijkheid waar een representatief schepstaal genomen kan worden. Als bijkomende motivatie wordt weergegeven dat de berekende uur- en dagdebieten van het potentieel verontreinigd hemelwater zijn debieten berekend op basis van cijfers van piekdebieten (afkomstig van composietbuien met een terugkeerperiode van 2 jaar). Bij lozing (niet continu) zal er geloosd worden volgens de capaciteit van de pompen van de aanwezige pompputten en de dimensionering van de KWS-afscheiders. Door de genomen maatregelen, de voorbehandeling en de aard van de stroom, wordt verwacht dat het potentieel verontreinigd hemelwater amper verontreinigd is, bij visuele vaststelling van verontreiniging bij de verzamelputten of pomputten wordt de stroom extern verwerkt. Aangezien het gaat om de lozing van potentieel verontreinigd hemelwater, heeft het bedrijf enkel impact op het geloosde debiet en kan het tevens geen situaties veroorzaken waarbij de maximaal vergunde debieten overschreden worden. Bijgevolg zal de plaatsing van een meetgoot geen meerwaarde geven voor de opvolging van de geloosde stroom. Het bedrijf vraagt via de voorliggende vergunningsaanvraag van deze voorwaarde te mogen afwijken. Ook bij andere terminals werd dergelijke afwijking reeds bekomen.  In het bewuste artikel wordt reeds de mogelijkheid geboden om af te wijken van een meetgoot als een evenwaardige meetmogelijkheid wordt voorzien. Het verzoek lijkt dan ook zonder voorwerp te zijn.

 

Advies van het college

Gunstig advies te verlenen voor de aanvraag tot omgevingsvergunning, onder voorwaarden.

 

Dit advies werd opgemaakt op basis van PIV 4.

 

Geadviseerde rubriek(en)

 

Rubriek

Omschrijving

Geadviseerd voor

1.4.

Inrichtingen voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een opslagcapaciteit van 100.000 ton of meer;

209.413 ton

2.1.2.d)2°

opslag en overslag van andere afvalstoffen dan vermeld in e) (asbesthoudend afval) of f) (gemengde afvalstoffen, mengsels van afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen) niet aan verwerking verbonden, met een opslagcapaciteit van meer dan 100 ton;

209.353 ton

2.2.4.1°

op- en overslag van dierlijke bijproducten zoals vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

3.4.3°

het lozen van meer dan 100 m³/uur bedrijfsafvalwater;

120 m³/uur
 (hernieuwing)

3.6.1.

afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar;

780 m³/jaar

6.4.3°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van meer dan 5.000.000 liter;

209.363.000 liter
 (+732.650 liter)

6.5.1°

brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen, namelijk installaties voor het vullen van brandstoftanks van motorvoertuigen met vloeibare koolwaterstoffen, bestemd voor de voeding van de erop geïnstalleerde motor(en) met maximaal twee verdeelslangen;

1 verdeelslang
 (hernieuwing)

7.1.3°

niet elders ingedeelde inrichtingen, voor de productie of behandeling van organische of anorganische chemicaliën waarbij, gebruik gemaakt wordt van alkylering, aminering met ammoniak, carbonylering, condensatie, dehydrogenering, verestering, halogenering en fabricage van halogenen, hydrogenering, hydrolyse, oxidatie, polymerisatie, ontzwaveling, synthese en omzetting van zwavelhoudende verbindingen, nitrering en synthese van stikstofhoudende verbindingen, synthese van fosforhoudende verbindingen, distillatie, extractie, solvatie en/of menging, met een jaarcapaciteit van meer dan 10.000 ton;

209.353 ton/jaar
 (+722,65 ton/jaar)

12.2.2°

transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA;

1 x 1.500 kVA
 (hernieuwing)

16.3.2°b)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW;

220 kW
 (+20 kW)

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1.000 liter tot en met 10.000 liter;

3.625 liter
 (+2.325,00 liter)

17.1.2.2.3°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 10.000 liter;

36.500 liter
 (hernieuwing)

17.2.2.

VR-plichtige inrichting waar gevaarlijke producten in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, deel 1 en 2, kolom 3, bij dit besluit, aanwezig zijn, in voorkomend geval gebruikmakend van de sommatieregel, vermeld in noot 4 bij bijlage 5, deel 1 en deel 2 (hogedrempel Seveso-inrichting)

209.413 ton
 (+9.782,65 ton)

17.3.2.1.1.3°

gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 500 ton;

209.413 ton
 (+10.132,62 ton)

17.3.2.1.2.3°

opslagplaatsen voor overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 200 ton;

209.353 ton
 (+9.722,65 ton)

17.3.4.3°

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen - opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton;

209.369 ton
 (+9.716,25 ton)

17.3.5.3°

opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 5 ton;

209.363 ton
 (+193.169,54 ton)

17.3.6.3°

opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07, met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer 100 ton;

209.369 ton
 (+9.732,65 ton)

17.3.7.3°

opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 50 ton;

209.363 ton
 (+9.732,65 ton)

17.3.8.3°

opslagplaatsen voor het aquatisch milieugevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 200 ton;

209.353 ton
 (+9.722,65 ton)

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter;

5.000 liter
 (hernieuwing)

24.4.

laboratoria waar geen afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt;

1 laboratorium
 (hernieuwing)

26.2.

opslagplaatsen voor lijmen en niet voor consumptie bestemde gelatine, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, van meer dan 10 ton;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

29.5.5.1°a)

Oppervlaktebehandeling, met inbegrip van ontvetting van metalen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, als de gezamenlijke inhoud van de gebruikte behandelingsbaden en spoelbaden of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën, als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, uit de volgende volumes bestaat: 10 liter tot en met 1.000 liter, als de inrichting volledig in een industriegebied ligt;

400 liter
 (hernieuwing)

29.5.7.1°a)1)

Ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van: gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een vlampunt tot en met 55 °C met een totaal inhoudsvermogen van de baden en de spoelbaden of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, van 10 liter tot en met 1.000 liter, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied;

400 liter
 (hernieuwing)

31.1.1°a)

stationaire motoren en gasturbines met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 kW tot en met 2.000 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt;

400 kW
 (hernieuwing)

39.1.1°

stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren, met een individuele inhoud van 25 liter tot en met 500 liter;

248,38 liter
 (hernieuwing)

39.1.2°

stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren, met een individuele inhoud van meer dan 500 liter tot en met 5.000 liter;

695 liter
 (hernieuwing)

39.4.1°

warmtewisselaars, andere dan deze vermeld onder rubriek 39.2 en deze voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van 25 liter tot en met 5.000 liter;

3.400 liter
 (hernieuwing)

43.1.2°a)

stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 2.000 kW tot en met 5.000 kW in de gevallen andere dan vermeld sub 1°, a) of b);

3.704 kW
 (hernieuwing)

44.3.

opslagplaatsen voor vetten, wassen, oliën of andere niet-eetbare vetstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 17 en 48;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

45.4.e)2°

opslagplaatsen voor producten van dierlijke oorsprong met uitzondering van de producten vermeld in rubriek 48, van meer dan 50 ton;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

45.18.1°

op- en overslag van dierlijke bijproducten;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

45.18.2°a)

dierlijke bijproducten als vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen: opslag en activiteiten van categorie 3-materiaal;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

45.18.2°b)

dierlijke bijproducten als vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen: opslag en activiteiten van categorie 2-materiaal;

209.353 ton
 (+722,65 ton)

45.18.2°c)

dierlijke bijproducten als vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen: opslag en activiteiten van categorie 1-materiaal.

209.353 ton
 (+722,65 ton)

 

Geadviseerde bijzondere milieuvoorwaarden

  1. Binnen de 2 jaar na het verlenen van de omgevingsvergunning moet de aanvrager verslag uitbrengen van het onderzoek aan de vergunningverlenende overheid en het Havenbedrijf. Het verslag moet onder meer volgende elementen bevatten: monitoring en vaststelling van eventuele overschrijdingen, oorzaken en concreet onderzoek naar mogelijke haalbaarheid van verbeterdoelstellingen en aangescherpte zuivering. Met betrekking tot PFAS moet ‒ vanuit de recente bijstelling van de Kaderrichtlijn Water (oktober 2025) ‒ de PFAS 25 (oppervlaktewater) worden opgenomen.

 

Fasering

Procedurestap

Datum

Ontvangst adviesvraag

22 oktober 2025

Start openbaar onderzoek

31 oktober 2025

Einde openbaar onderzoek

29 november 2025

Gemeenteraad voor aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen

geen

Uiterste adviesdatum

11 december 2025

Onderzoek

De aanvraag werd onderworpen aan een openbaar onderzoek. Er werden standpunten, opmerkingen en/of bezwaren ingediend tijdens de openbaarmaking.

 

Bespreking van de bezwaren

 

Standpunten werden ontvangen van Elia Asset nv in het kader van het openbaar onderzoek. Men geeft aan geen bezwaar te hebben tegen het project, op voorwaarde dat de veiligheidsafstanden en veiligheidsvoorschriften worden nageleefd bij werken in de nabijheid van de vervoersinstallaties van Elia Asset nv.

 

Informatievergadering

Over de aanvraag werd een informatievergadering georganiseerd op 4 november 2025. Het verslag van de informatievergadering werd bezorgd aan de vergunningverlenende overheid.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een gunstig advies, zoals geformuleerd in de argumentatie, te geven op de aanvraag, onder volgende voorwaarden.


  1. Binnen de 2 jaar na het verlenen van de omgevingsvergunning moet de aanvrager verslag uitbrengen van het onderzoek aan de vergunningverlenende overheid en het Havenbedrijf. Het verslag moet onder meer volgende elementen bevatten: monitoring en vaststelling van eventuele overschrijdingen, oorzaken en concreet onderzoek naar mogelijke haalbaarheid van verbeterdoelstellingen en aangescherpte zuivering. Met betrekking tot PFAS moet ‒ vanuit de recente bijstelling van de Kaderrichtlijn Water (oktober 2025) ‒ de PFAS 25 (oppervlaktewater) worden opgenomen.

 

Artikel 2

Dit besluit heeft in principe geen financiële gevolgen.