Terug
Gepubliceerd op 24/11/2025

2025_CBS_08372 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Gunstig advies - OMV_2025082912. Polderdijkweg 24. District Antwerpen - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 21/11/2025 - 09:00 Stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Koen Kennis, schepen; Patrick Janssens, schepen; Ken Casier, schepen; Karim Bachar, schepen; Stijn De Rooster, schepen; Karin De Craecker, waarnemend algemeen directeur; Elisabeth van Doesburg, waarnemend burgemeester

Afwezig

Nabilla Ait Daoud, schepen; Lien Van de Kelder, schepen; Johan Klaps, schepen; Sven Cauwelier, algemeen directeur

Secretaris

Karin De Craecker, waarnemend algemeen directeur

Voorzitter

Elisabeth van Doesburg, waarnemend burgemeester
2025_CBS_08372 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Gunstig advies - OMV_2025082912. Polderdijkweg 24. District Antwerpen - Goedkeuring 2025_CBS_08372 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Gunstig advies - OMV_2025082912. Polderdijkweg 24. District Antwerpen - Goedkeuring

Motivering

Aanleiding en context

Het team Omgevingseffecten van het departement Omgeving vraagt advies aan het college over een milieueffectenrapport in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning.


Projectnummer:

OMV_2025082912

Gegevens van de aanvrager:

Zie exploitant

Gegevens van de exploitant:

NV SEA-TANK TERMINAL ANTWERP (0702863483) met als adres Polderdijkweg 24 te 2030 Antwerpen

Ligging van het project:

Polderdijkweg 24 te 2030 Antwerpen

Kadastrale gegevens:

afdeling 14 sectie A nrs. 134M4 en 134N4

Inrichtingsnummer:

20190806-0053 (SEA-Tank Terminal Antwerp - Q405)

Vergunningsplichten:

exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten

Voorwerp van de aanvraag:

het verder exploiteren en veranderen van een tankterminal


Juridische grond

Besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectenrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage.

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 12 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 bepaalt dat het team Omgevingseffecten van het departement Omgeving het college om advies vraagt.

Argumentatie

Beoordeling MER

Voorliggende aanvraag van SEA-Tank Terminal Antwerp (STTA) betreft de exploitatie van een tankterminal voor de op- en overslag van aardolieproducten en andere vloeistoffen. De terminal heeft een totale opslagcapaciteit van 209.353 m³, verdeeld over 71 tanks van diverse groottes, die onderverdeeld zijn in 11 tankparken. De verhandelde en opgeslagen vloeistoffen omvatten voornamelijk aardolieproducten (zoals diesel, gasolie en lichte stookolie) en andere vloeibare producten (waaronder smeeroliën, transformatoroliën, vetzuren, …). Deze producten worden aan- en afgevoerd per tankwagen en (binnen)schip. De omgevingsvergunningsaanvraag betreft een hernieuwing en een uitbreiding van de Seveso-stoffen binnen de inrichting (tankpark TP07B).

De aanvraag betreft een project als vermeld in bijlage I van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten, onderworpen aan milieueffectrapportage. Het project heeft betrekking op rubriek 25 van bijlage I van het vermelde besluit:

Installaties voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een capaciteit van 200.000 ton of meer. De verplichting tot de opmaak van een project-MER wordt omvat in art. 155 van het Omgevingsvergunningsdecreet: "De verplichting tot het uitvoeren van een project-MER geldt niet voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning en de omzetting, vermeld in artikel 70 respectievelijk 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, tenzij de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben.". De aanvrager duidt niet waarom er dan toch gekozen werd voor een project-MER. Al kan men de veronderstelling maken dat dit te maken heeft met de uitbreiding van de Seveso-stoffen.

Het Team Omgevingseffecten van het Departement Omgeving vraagt het college van burgemeester en schepenen om een advies specifiek over het opgestelde, maar nog niet goedgekeurde project-MER, binnen een termijn van 30 dagen. Het college wordt eveneens om een advies gevraagd, maar dan voor de gehele omgevingsvergunningsaanvraag, binnen een termijn van 50 dagen. Het advies van het college over de gehele omgevingsvergunningsaanvraag kan pas geformuleerd worden nadat het openbaar onderzoek is afgerond. Onderhavig advies beperkt zich louter tot het opgestelde project-MER.


Discipline lucht

Voor deze discipline concentreert het rapport zich voornamelijk op de emissies van Vluchtige Organische Stoffen (VOS) en Stikstofoxiden (NOx), aangezien dit de belangrijkste parameters zijn die relevant zijn voor de activiteiten van STTA. De effecten worden beoordeeld op basis van de emissies afkomstig van de verbrandingsinstallaties (stoomketels, noodgroepen), de op- en overslagactiviteiten (VOS) en de ligemissies van de aangemeerde schepen.

Inzake VOS worden er op bepaalde locaties duidelijk verhoogde concentraties gemeten. Dit is onder andere het geval inzake trimethylbenzenen, 1,2 dichloorethaan, alifatische kws, benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xylenen ter hoogte van het meetstation Polderdijkweg. Er worden evenwel geen overschrijdingen van grens- of richtwaarden gemeten. Uitgaande van de resultaten van impactberekeningen kan echter afgeleid worden dat de VOS-impact in de actuele situatie als verwaarloosbaar kan beoordeeld worden.

Er wordt geen geurhinder in de omgeving van de woongebieden verwacht. Dit komt doordat de opgeslagen producten (zoals diesel en gasolie) een zeer lage dampspanning en een relatief hoge geurdrempel hebben.

De impact van de vergunningsplichtige installaties van STTA op de NO₂-concentraties wordt in de directe omgeving van het bedrijf als nauwelijks relevant beoordeeld. Wanneer cumulatief rekening wordt gehouden met de ligemissies van de scheepvaart, wordt er in het industriegebied wel een negatieve NO₂-impact berekend in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf. Dit wordt uitgedrukt in een hoge impactscore van -2 in het industriegebied (bijvoorbeeld bij het meetpunt Polderdijkweg). Deze negatieve impact wordt voornamelijk toegeschreven aan de ligemissies van de scheepvaart. Echter ter hoogte van omliggende bewoning wordt de impact wel als verwaarloosbaar beschouwd, zelfs bij toetsing aan de strengere toekomstige EU-2030 grenswaarden.

Wel werd door de exploitant aangegeven dat op basis van de in 2024 uitgevoerde emissiemetingen, één van de stoomketels blijkbaar niet meer voldoet aan de grenswaarde van 150 mg/Nm³ voor NOx. Hier is dus sowieso mildering aan de orde. De stad wenst erop te wijzen dat mildering, zoals een meer nauwkeurige afstelling van de brander, zo snel als mogelijk noodzakelijk is.

Gezien de verwachting dat in 2030 in het studiegebied (voornamelijk in het industriegebied) nog overschrijdingen van de administratief vastgelegde drempelwaarde van 80% van de toekomstige EU-2030 NO₂-grenswaarde zullen optreden, wordt onderzoek naar reductiemogelijkheden noodzakelijk geacht. De voorgestelde maatregelen richten zich op de voornaamste NOx-bronnen,:

  • Rookgasrecirculatie (reductie met grootte-orde 20% mogelijks haalbaar)
  • Vervanging van de brander door een lage NOx-brander of een ultralage NOx-brander (een maximale jaarreductie van circa 2 ton/jaar)
  • Volledige vervanging van de ketels, desgevallend door een elektrisch aangedreven installatie (NOx-reductie van maximaal circa 3 ton/jaar)
  • De aanleg van walstroom zou ongeveer 90% van de ligemissies kunnen vermijden. Echter, dit zijn geen vergunningsplichtige inrichtingen van STTA, maar is afhankelijk van flankerend beleid.
  • Indien er onverwacht toch geurhinder optreedt bij de op- en overslag (zoals bij ‘Used Cooking Oil’), kan dit worden gemilderd door dampen op te vangen en af te leiden naar een actiefkoolfilter.

De aanvrager vermeldt dat de eerste 3 maatregelen, wegens de beperkte reductie niet kosten-effectief zouden zijn. Hij staafde dit echter niet met kostprijzen of andere data. Verder wordt er vooral verwezen naar de ligemissies als de dominante factor voor de impactbeoordeling.


Discipline water

Er wordt zowel leidingwater als hemelwater gebruikt voor sanitaire doeleinden. Het sanitair water komt terecht in twee eigen waterzuiveringen (IBA’s) om vervolgens op het Hansadok

geloosd te worden. Het aangevraagde maximale jaardebiet voor sanitair water is 780 m³/jaar. De impact van de lozing van sanitair water wordt als verwaarloosbaar beschouwd vanwege de relatief beperkte hoeveelheden en de buffercapaciteit van het dokwater.

Er wordt een melding gemaakt van 12.940 m³ aan leidingwater voor ‘overig’ gebruik. Er wordt hier niet gespecifieerd welke toepassingen dit dan zijn en welke kwaliteitsvereisten er zijn. Uit de waterbalans blijkt verder ook nog dat er nog een aanzienlijk potentieel is van hemelwater dat op daken en verhardingen valt en dat nu niet aangewend wordt. Er dient verduidelijkt te worden welk type watervraag dit betreft en of er een mogelijkheid is om hier hemelwater voor aan te wenden.

De totale vergunde debieten voor het geloosde bedrijfsafvalwater zijn vastgesteld op maximaal 120 m³/uur, 1.800 m³/dag en 42.214 m³/jaar. Het bedrijfsafvalwater betreft enerzijds spuiwater afkomstig van de stoomgeneratoren en anderzijds potentieel verontreinigd hemelwater. Dit bestaat uit hemelwater dat op de tankparken terechtkomt en in de inkuipingen wordt opgevangen. Ook hemelwater dat in aanraking komt met de truckverlading van gevaarlijke goederen valt hieronder. Dit water wordt na visuele controle en zuivering via KWS-afscheiders in het dok geloosd, indien het niet sterk verontreinigd is. Indien het verontreinigd is, wordt het afgevoerd naar een externe verwerker. Ook bijvoorbeeld water van tankreinigingen wordt afgevoerd. Dit komt neer op een 560 m³ per jaar.

Dokwater wordt in zeer beperkte hoeveelheden als bluswater gebruikt bij het testen van de blusleidingen in de tankparken, voor druktesten van (gereinigde) tanks en in geval van calamiteiten. Dit dokwater wordt na gebruik, en na toestemming van het Havenbedrijf (gebaseerd op analyses opgenomen en te lozen dokwater waarbij geen relevante verhoging van polluenten mag vastgesteld worden), op het dok geloosd. Geschat wordt dat dit ongeveer 2.500 m³ per jaar is.

De impactbeoordeling op het Hansadok en de Kanaaldokken gebeurt met de Wezer-tool, gebaseerd op een absolute worstcase scenario (maximaal vergund debiet en maximale concentraties). Hoewel de werkelijke jaargemiddelde impact vermoedelijk veel lager ligt, leidt de worstcase berekening tot een aanzienlijk negatief effect (score -3) voor diverse parameters. Dit duidt erop dat de lozing in deze theoretische situatie bijdraagt aan het niet halen van de milieukwaliteitsdoelstellingen (MKN) in het ontvangende oppervlaktewater.

Parameters waarvoor onderzoek naar verbetering is vereist (onder andere omdat de MKN-doelstellingen stroomopwaarts al niet worden gehaald):

  • Nutriënten: totale stikstof (N tot) en totaal fosfor (P tot).
  • Zware metalen/toxische stoffen: totaal kwik (Hg tot) en totaal kobalt (Co tot).
  • PAKs: fluorantheen en benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen en benzo(g,h,i)peryleen.
  • Organische belasting: chemisch zuurstofverbruik (CZV) (relevant bij de beoordeling ‘einde waterloop’ in het Kanaaldok).

Bovendien is gebleken uit recente metingen (zelfcontrole) dat er periodiek overschrijdingen van de lozingsnormen optreden voor onder meer pH, zwevende en bezinkbare stoffen, CZV, BZV, Zn, Cu, Pb, Ba, Xylenen, enkele PAK’s en PFAS (PFBA).

De aanvrager stelt enkele milderende maatregelen voor zoals een brononderzoek, het gebruik van actief koolfilters of het verwijderen van PAK’s door zandfiltratie.

Omwille van de negatieve Wezer-toets en de recente overschrijdingen is er een dwingend onderzoek naar milderende maatregelen nodig. De aanvrager stelt echter in het MER dat er ‘mogelijks’ een actieplan ‘in de toekomst’ moet opgemaakt worden. Dit is echter te vrijblijvend. Het actieplan dient deel uit te maken van het MER (en met uitbreiding dus de omgevingsvergunningsaanvraag) en er dient een timing aan elk van de voorgestelde maatregelen gekoppeld te worden.

 

Discipline bodem en grondwater

De effectbeoordeling voor deze discipline richt zich op de aanwezige historische verontreiniging en de kans op het ontstaan van nieuwe verontreiniging in de geplande situatie. Aangezien de aanvraag een hervergunning betreft zonder geplande wijzigingen of uitbreidingen, is de impact in de geplande situatie volkomen gelijkaardig aan de actuele situatie.

Uit indicatief onderzoek bleek de aanwezigheid van verhoogde concentraties van PAK’s en zware metalen in het vaste deel van de bodem. Deze verontreiniging wordt hoogstwaarschijnlijk toegeschreven aan de ophoging van het terrein en het aanleggen van terreinverharding in het verleden, en wordt daarom als historisch beschouwd

Bij recente bodemonderzoeken werden verhoogde waarden van onder meer arseen en geleidbaarheid in het grondwater vastgesteld. Deze verhoogde concentraties worden toegeschreven aan ‘natuurlijke bronnen’. Het betreft brak grondwater dat vanuit de dokken en de Schelde in de bodem infiltreert, en mogelijke uitloging van arseen uit de opgespoten bodem. Uit een beschrijvend bodemonderzoek (BBO) van 2012 bleek ook dat er historische verontreiniging met minerale olie en EOX aanwezig was, maar deze vormde, gezien de industriële functie van het terrein, geen ernstige bodemverontreiniging waarvoor sanering nodig was.

Het risico voor bodem- en of grondwaterverontreiniging tijdens de exploitatiefase is verwaarloosbaar gezien het terrein volledig ondoorlatend verhard is, er geen grondwaterwinning aanwezig is op de site en de opslag van risicovolle stoffen volgens de van toepassing zijnde wetgeving gebeurt. Het risico op het ontstaan van nieuwe bodem- en grondwaterverontreiniging tijdens de exploitatie (door lekkage of calamiteiten) wordt als verwaarloosbaar beschouwd.


Discipline geluid en trillingen

De berekende maximale specifieke geluidsimmissies (LAsp) op de dichtstbijzijnde woongebieden zijn zeer laag. Bijvoorbeeld, Antwerpen-Linkeroever wordt blootgesteld aan maximaal 17,6 dB(A) en Zwijndrecht aan maximaal 16,4 dB(A). De nachtelijke grenswaarde van 40 dB(A) voor bewoning (gelegen in gebied 2, nabij industriegebied) wordt zeker niet overschreden. Zelfs in het nabije industriegebied (op 200 meter van de perceelsgrens) bedraagt de verwachte LAsp maximaal 42 dB(A), wat ook ruim voldoet aan de nachtelijke grenswaarde van 50 dB(A) voor industriegebied. De impact van STTA op het totale omgevingsgeluid wordt als verwaarloosbaar beschouwd, aangezien de huidige omgevingsgeluidsbelasting in deze zones (Lden) al minimaal 20 tot 30 dB(A) hoger wordt ingeschat dan het specifieke geluid van STTA.

 

Discipline biodiversiteit

De effecten op de discipline Biodiversiteit zijn uitgebreid onderzocht, vooral vanwege de nabijheid van Speciale Beschermingszones (SBZ) en gebieden van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN). Omdat het project een hervergunning betreft en er geen wijzigingen of uitbreidingen in de geplande situatie zijn, zijn de effecten grotendeels vergelijkbaar met de huidige vergunde situatie.

Als eerste werd onderzocht wat het effect is van de neerslag van stikstofoxiden (NOx) en zwaveldioxiden (SOx). De berekende projectspecifieke emissies leiden niet tot een toename van de verzurende of vermestende deposities, aangezien de geplande situatie gelijk is aan de vergunde situatie (een ‘stand still’). De impactscore (maximale procentuele bijdrage aan de kritische depositiewaarde, KDW) bedraagt 0,075% voor vermesting en 0,245% voor verzuring. Deze bijdrage ligt ruim onder de drempelwaarde van 1% uit het Stikstofdecreet.

Inzake de passende beoordeling werd onderzocht of het project een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van SBZ, in het licht van de vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen, zou kunnen veroorzaken. Tevens werd met de verscherpte natuurtoets nagegaan dat er geen sprake is van onvermijdbare en onherstelbare schade van het VEN. Hieruit kan besloten worden dat er geen onvermijdbare en onherstelbare schade veroorzaakt zal worden ter hoogte van actueel aanwezige natuurwaarden binnen VEN.

 

Discipline mens-gezondheid

De discipline gezondheid wordt ook wel gezien als een ontvangende discipline, dit betekent dat hierin de stressoren die besproken worden in andere disciplines meegenomen worden, met name lucht en geluidshinder. De beoordeling richt zich op twee hoofdcategorieën: gezondheidseffecten (toxicologische effecten) en hindereffecten (psychosociale en psychosomatische effecten).

De belangrijkste chemische stressoren die relevant zijn, zijn stikstofoxiden (NOx/NO2) en vluchtige organische stoffen (VOS). De berekende impact van de projectemissies op alle beoordelingspunten voor bewoning wordt als verwaarloosbaar beschouwd. Hier staat tegenover dat de totale NO2-concentratie op zeer lokaal vlak (dit is buiten de woongebieden) de drempel van 80% van de gezondheidsadvieswaarde (GAW) (en zelfs de GAW zelf) wél overschrijdt. Hierdoor wordt de tussenscore van 0 bijgesteld naar -1.

De maximale specifieke geluidsimmissies (LAsp) op de dichtstbijzijnde woongebieden zijn zeer laag (variërend van 14,4 tot 17,6 dB(A)). De nachtelijke grenswaarde van 40 dB(A) voor bewoning wordt zeker niet overschreden. Met betrekking tot de fysische stressor geluid zijn er van het project dan ook geen gezondheidseffecten te verwachten.

 

Discipline landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie

Het gebied rondom STTA wordt gedomineerd door menselijke en industriële activiteiten. Het landschap wordt voornamelijk bepaald door de industriële installaties en op- en overslaginstallaties (zoals tanks en kranen) rond de Schelde en de dokken. De site zelf heeft een typisch industrieel karakter, waarbij de opslagtanks de dominante beelddragers zijn.

Vanwege het ontbreken van geplande wijzigingen, zullen geen veranderingen in het landschapsbeeld optreden. Het bedrijf is visueel waarneembaar vanaf de Polderdijkweg aan de zuidelijke zijde van het terrein, maar de zichtbaarheid reikt niet verder dan deze weg en vormt geen hinder. Aan de noordzijde, aan de overkant van het Hansadok, is het bedrijf ook visueel waarneembaar, maar het is geen opvallend onderdeel van het omliggende landschap, het zit namelijk genesteld binnen de industriële omgeving. De visuele impact van het project op het landschap werd dan ook als verwaarloosbaar beoordeeld.


Discipline mens-mobiliteit

De beoordeling van de mobiliteitseffecten gaat uit van de aanname dat de geplande situatie gelijkgesteld wordt aan de actuele situatie, aangezien er geen wijzigingen of uitbreidingen gepland zijn in het kader van deze hervergunning. Het verkeer dat door de activiteiten van STTA wordt gegenereerd, bestaat uit personenverkeer (werknemers en aannemers) en goederenverkeer (voornamelijk vrachtwagens, maar ook schepen). Voor 2025 bestaat het goederentransport uit 9.500 inkomende en 9.500 uitgaande transporten per weg, naast transport via binnenschepen (850 in/uit) en zeeschepen (150 in/uit). Tijdens het piekuur (rond 6:00 uur) wordt een totale verkeersgeneratie van 337 personenauto-equivalenten (pae) per uur verwacht, inclusief vrachtwagens, eigen werknemers en aannemers in busjes.

De impact van STTA wordt berekend op de Polderdijkweg en de Scheldelaan, de wegen die aansluiten op de terminal. In eerste instantie betreft het de Polderdijkweg die daarna aansluiting geeft aan de Scheldelaan. De Scheldelaan is een tweevaksbaan parallel aan de Schelde van het Noordkasteel tot aan de Noorderbrug (grens met Nederland). De capaciteit van de Scheldelaan van of naar SEA-Tank Terminal Antwerp NV bedraagt vanuit elke

richting 1200 pae (2 rijstroken). De verkeersgeneratie door de activiteiten van STTA bedraagt maximaal 1,33% van de totale capaciteit van de Scheldelaan.

De capaciteit van de Polderdijkweg van of naar SEA-Tank Terminal Antwerp NV bedraagt vanuit elke richting 1000 pae (2 rijstroken). De verkeersgeneratie door de activiteiten van STTA bedraagt maximaal 1,59% van de totale capaciteit van de Polderdijkweg. Beide wegen hebben een impactscore van 0. Er worden geen milderende maatregelen voorgesteld.


Discipline licht en stralingen

De beoordeling richt zich voornamelijk op lichthinder, aangezien er geen effecten te verwachten zijn met betrekking tot warmte en stralingen als gevolg van de activiteiten van STTA.

De bestaande installaties op de terminal zijn verlicht. Aangezien er echter geen receptoren in de omgeving van het industriële landschap aanwezig zijn, wordt verwacht dat de lichtstraling geen aanleiding geeft tot lichthinder.Aangezien er geen belangrijke aanpassingen of uitbreidingen worden beoogd, is de geplande situatie gelijk aan de huidig vergunde situatie.


Discipline veiligheid

Er werd door de exploitant een omgevingsveiligheidsrapport (OVR) opgemaakt in het kader van deze hervergunning. De site is namelijk een hogedrempel Seveso-inrichting.

Indirecte risico’s vanuit STTA naar de omgeving alsook indirecte risico’s vanuit de omgeving naar STTA worden volgens het veiligheidsrapport niet verwacht. De meest nabijgelegen gewests- en/of landsgrens betreft de grens met Nederland op circa 10 km van de exploitant. Grensoverschrijdende effecten voor de mens (1% letaliteit) worden niet verwacht. Grensoverschrijdende effecten via het water binnen een stromingsperiode van 2 dagen worden tevens niet verwacht.

Qua milieurisico’s vermeldt de aanvrager dat er nog PFAS-houdend blusschuim aanwezig is op de site, dit van het type C-6. Ook dit type blusschuim dient op termijn uitgefaseerd te worden, zo zegt ook de Europese verordening van 23 oktober 2025. Er geldt een algemene overgangsperiode van 5 jaar, daarnaast zijn nog specifieke termijnen van toepassing. Meer informatie vindt u op: https://news.belgium.be/nl/verbod-op-pfas-brandblusschuim..


Discipline klimaat

Er werd geen afzonderlijke discipline klimaat opgenomen in het MER.


Conclusie

Het college onderschrijft de conclusies van het project-MER en sluit zich hierbij aan, mits de nodige aanvullingen en/of verduidelijkingen gegeven worden.


Fasering

Procedurestap

Datum

Ontvangst adviesvraag

 27 oktober 2025

Uiterste adviesdatum

 26 november 2025

 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een gunstig advies, zoals geformuleerd in de argumentatie, te geven op het MER.

Artikel 2

Dit besluit heeft in principe geen financiële gevolgen.