Er werd bij de deputatie een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag wordt behandeld volgens de gewone procedure van het Omgevingsvergunningendecreet.
De deputatie verzoekt het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar om:
- een openbaar onderzoek te houden;
- advies uit te brengen.
Projectnummer: | OMV_2025050288 |
Gegevens van de aanvrager: | BV Bolder Industries Belgium met als adres De Kleetlaan 12A te 1831 Machelen |
Gegevens van de exploitant: | BV Bolder Industries Belgium (0789984727) met als adres De Kleetlaan 12A te 1831 Machelen |
Ligging van het project: | Baanbrekerstraat 3 te 2030 Antwerpen |
Kadastrale percelen: | afdeling 16 sectie C nr. 340R2 |
waarvan: |
|
- 20250418-0043 | afdeling 16 sectie C nr. 340R2 (Bolder Industries Belgium-Exploitatie) |
- 20250626-0069 | afdeling 16 sectie C nr. 340R2 (Bolder Industries-Werffase-Tijdelijke burelen) |
Vergunningsplichten: | stedenbouwkundige handelingen, exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten |
Voorwerp van de aanvraag: | Bouwen van een recyclagefabriek met aanhorige gebouwen en constructies en omgevingsaanleg; werf en exploitatie van een recyclagefabriek |
Omschrijving stedenbouwkundige handelingen
Relevante voorgeschiedenis
- 04/07/2025: omgevingsvergunning (OMV_2025007984) voor de regularisatie van het eerder vergunde project ‘infrastructuuraanleg NextGen District’;
- 30/12/2021: omgevingsvergunning (OMV_2021119580) voor de infrastructuuraanleg van het NextGen District;
- 21/05/2021: omgevingsvergunning (OMV_2020146821) voor ophoging Churchillzone, slopen van spoorwegen en exploitatie van een drainage;
- 20/04/2018: omgevingsvergunning (OMV_2018011073) voor het slopen van de voormalige site van General Motors.
Vergunde/bestaande toestand
Braakliggend en bouwrijp terrein in het noorden van het NextGen District (voormalige GM-site). De werken voor de infrastructuuraanleg zijn grotendeels afgerond.
Tijdelijke toestand
In de toekomst beoogt de aanvrager de realisatie van een volwaardig kantoorgebouw op de site. Vooraleer verdere tijd en middelen in de uitwerking hiervan te investeren, wenst men echter eerst zekerheid te verkrijgen omtrent de goedkeuring van de vergunning voor de productiegebouwen. Eveneens zijn er nog onzekerheden over hoeveel werknemers er op de site zullen komen werken in de toekomst. Daarom maakt het definitieve kantoorgebouw nog geen deel uit van voorliggende aanvraag, maar worden er wel tijdelijke constructies aangevraagd voor de huisvesting van werknemers voor maximaal 5 jaar:
- bureelcontainers:
- fietsenstalling:
- de bureelcontainers en de fietsenstalling worden op een tijdelijke grindverharding geplaatst, met een totale oppervlakte van 275 m², ten oosten van de parking voor personenwagens.
Naast de tijdelijke bureelcontainers en fietsenstalling vraagt de aanvrager een tijdelijke vergunning aan voor de opslag van rubbergranulaat in containers, met een maximale capaciteit van 399 containers. Deze voorraadopbouw is essentieel om een vlotte, betrouwbare en continue aanvoer van grondstof te garanderen bij de opstart van de pyrolyse-installatie, aangezien er tijdens de opstartperiode verwacht wordt dat er nog niet voldoende leveringszekerheid van deze rubbergranulaten is om een continu proces te garanderen. Deze opslag wordt aangevraagd voor een periode van 3 jaar.
Nieuwe toestand
- functie:
De site wordt volledig ingericht met:
- een recyclagefabriek:
- bijgebouwen, horende bij de recyclagefabriek:
- verhardingen:
- opslagtanks/silo’s verspreid op de site:
- constructies, verspreid op de site:
- in het noorden op het terrein worden drie parkeerplaatsen voor vrachtwagens voorzien die Bolder Oil en Carbon Black komen ophalen;
- in het westen op de site worden vier zones voorzien voor het stapelen van materiaalcontainers, in afwachting van de verwerking. Deze zones hebben een totale opslagcapaciteit van 72 containers (4 keer 6x3 containers). De maximale stapelhoogte bedraagt 7,8 meter (3 containers van 2,6 meter hoog);
- wadi’s en groenaanleg:
- reliëfwijzigingen zijn noodzakelijk voor:
- drie zaakgebonden publiciteitsinrichtingen:
Inhoud van de aanvraag
- bouwen van recyclagefabriek;
- bouwen van een utiliteitsgebouw;
- bouwen van twee overkappingen;
- bouwen van een portiershuis;
- oprichten van 38 tanks/silo’s;
- oprichten van zes mouwenfilters;
- oprichten van twee verdampers;
- bouwen van een middenspanningscabine;
- bouwen van een schouw;
- bouwen van een noodfakkel;
- plaatsen van een tijdelijke fietsenstalling;
- plaatsen van tijdelijke bureelcontainers;
- plaatsen van een betonnen afsluitwand;
- plaatsen van een gaskast;
- aanleggen van een inkuiping voor een tankpark;
- aanleggen van twee weegbruggen;
- het aanleggen van verhardingen;
- het gewoonlijk gebruik van de grond voor opslag;
- het gewoonlijk gebruik van de grond voor parkeren;
- het aanleggen van een tijdelijke waterdoorlatende verharding;
- uitvoeren van reliëfwijzigingen;
- aanbrengen van zaakgebonden gevelpubliciteit;
- het tijdelijke plaatsen van 300 gestapelde containers voor opslag van materiaal.
In de aanvraag worden eveneens het plaatsen van een omheining (hoogte 2,25 meter), laadinfrastructuur en slagbomen aangevraagd. Deze handelingen zijn vrijgesteld van stedenbouwkundige vergunningsplicht volgens artikels 3.1.7°/1, 3.1.14° en 4.1 van het Vrijstellingenbesluit, waardoor deze zonder voorwerp vallen.
Omschrijving ingedeelde inrichtingen of activiteiten
Voorgeschiedenis
Het betreft een nieuwe ingedeelde inrichting of activiteit (IIOA).
Inhoud van de aanvraag
Het voorwerp van de aanvraag betreft de exploitatie van een recyclagefabriek voor rubbergranulaat.
Aangevraagde rubriek(en)
Aangevraagde rubriek(en) Bolder Industries Belgium-Exploitatie
Rubriek | Omschrijving | Gevraagd voor |
2.2.5.e)3° | opslag en nuttige toepassing - opslag en fysisch-chemische behandeling, al of niet in combinatie met een mechanische behandeling, van andere niet gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 25 ton; | 15.194,25 ton |
2.2.5.f)2° | opslag en nuttige toepassing - opslag en fysisch-chemische behandeling, al of niet in combinatie met een mechanische behandeling, van andere gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 1 ton; | 1.426,80 ton |
2.3.4.2.d) | opslag en meeverbranding van andere niet-gevaarlijke afvalstoffen; | 15.194,25 ton |
2.3.4.2.e) | opslag en meeverbranding van andere niet-gevaarlijke afvalstoffen; | 60 ton |
2.4.1.b) | fysisch-chemische behandeling van gevaarlijke afvalstoffen; | 122,25 ton/dag |
2.4.2.a) | de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur; | 10,88 ton/uur |
2.4.5. | tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen in afwachting van behandeling; | 1.426,80 ton |
3.4.2° | het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II, met een debiet van meer dan 2 m³/uur tot en met 100 m³/uur; | 20,75 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar; | 12.959,10 m³/jaar |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 liter tot en met 50.000 liter uitgezonderd de gezamenlijke opslag van minder dan 5 ton gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige brandstoffen bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt; | 880 liter |
7.11.1°a) | de fabricage van organisch-chemische producten, zoals eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische); | 37.067 ton/jaar |
7.11.2°e) | De fabricage van: (Er kan een overlapping zijn met de deelrubrieken van rubriek 7, 13 en 38. Onder fabricage in de zin van deze rubriek wordt verstaan de fabricage van de stoffen of groepen van stoffen, vermeld in deze rubriek, op industriële schaal door chemische of biologische omzetting.) van niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals calciumcarbide, silicium, siliciumcarbide, titaandioxide; | 32.110 ton/jaar |
12.1.1.1°a) | inrichtingen die wisselspanning opwekken, met een geïnstalleerd totaal elektrisch schijnbaar vermogen van 150 kVA tot en met 800 kVA als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied; | 375 kVA |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA; | 1 x 6.250 kVA |
15.1.1° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; | 12 voertuigen |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW; | 3.152,20 kW |
17.1.2.2.3° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 10.000 liter; | 55.000 liter |
17.3.4.3° | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen - opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton; | 185,96 ton |
17.3.6.3° | opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07, met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer 100 ton; | 185,50 ton |
17.3.7.3° | opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 50 ton; | 140 ton |
17.3.8.2° | opslagplaatsen voor het aquatisch milieugevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 200 ton; | 45,50 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter; | 5.000 kg |
24.4. | laboratoria waar geen afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt; | 2 labo's |
29.5.2.1°a) | smederijen en inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, wanneer volledig gelegen in een industriegebied; | 80,40 kW |
39.2.1° | stoomvaten, met inbegrip van warmtewisselaars waarvan de primaire ruimte als stoomvat wordt beschouwd, met een individuele inhoud van 300 liter tot en met 5.000 liter; | 700 liter |
39.4.1° | warmtewisselaars, andere dan deze vermeld onder rubriek 39.2 en deze voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van 25 liter tot en met 5.000 liter; | 700 liter |
43.1.3° | stookinstallaties zonder elektriciteitsproductie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5.000 kW; | 38.720 kW |
43.3.1° | het stoken in installaties, inclusief stationaire motoren en gasturbines, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW tot 50 MW; | 38,72 MW |
43.4. | installaties voor het verbranden van brandstof met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of stedelijk afval. | 38,72 MW |
Aangevraagde rubriek(en) Bolder Industries-Werffase-Tijdelijke burelen
Rubriek | Omschrijving | Gevraagd voor |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar; | 1.620,00 m³/jaar |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen, namelijk installaties voor het vullen van brandstoftanks van motorvoertuigen met vloeibare koolwaterstoffen, bestemd voor de voeding van de erop geïnstalleerde motor(en) met maximaal twee verdeelslangen; | 2 verdeelslangen |
15.1.1° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; | 15 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW; | 50 kW |
17.1.2.1.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van 300 liter tot en met 1.000 liter; | 720 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | opslag van gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton als de inrichting niet hoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt; | 3,33 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter. | 2.000 liter |
Aangevraagde bijstelling bijzondere milieuvoorwaarden in afwijking van algemene of sectorale voorwaarden
Bolder Industries Belgium-Exploitatie
1. |
| Bij te stellen voorwaarde: Artikel 5.2.1.5.§5: de aanleg van een groenscherm
Voorgesteld alternatief/aanvulling: In afwijking van artikel 5.2.1.5.§5 dient niet voorzien te worden in een groenscherm zoals in dit artikel bepaald. Het groenplan dat opgenomen wordt in deze aanvraag dient uitgevoerd te worden zoals voorgesteld in het dossier. |
2. |
| Bij te stellen voorwaarde: Artikel 5.2.1.2.§3: werktijden: aan- en afvoer afvalstoffen
Voorgesteld alternatief/aanvulling: In afwijking van artikel 5.2.1.2.§3 kunnen de verschillende activiteiten volcontinu plaatsvinden inclusief de daarbij horende aan- en afvoer van afvalstoffen. |
3. |
| Bij te stellen voorwaarde: Artikel 4.2.5.1.1.§1: de plaatsing van een meetgoot
Voorgesteld alternatief/aanvulling: In afwijking van artikel 4.2.5.1.1.§1 dient geen meetgoot geplaatst te worden. Er wordt evenwel voorzien in een controleput met mogelijkheid tot monstername ter controle van de waterkwaliteit van het potentieel verontreinigd hemelwater. |
Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing.
Conform artikel 24 en 42 van het Omgevingsvergunningsdecreet heeft het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar de bevoegdheid advies uit te brengen voor de vergunningsaanvragen op haar grondgebied waarvoor de deputatie, de Vlaamse regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de bevoegde overheid is, tenzij:
Het college heeft op 17 november 2017 (jaarnummer 2017_CBS_08858) beslist om de adviesbevoegdheid op te nemen.
Adviezen
Externe adviezen
Adviesinstantie | Datum advies gevraagd | Datum advies ontvangen | Advies |
Elia Asset | 3 oktober 2025 | 24 oktober 2025 | Voorwaardelijk gunstig |
Fluvius System Operator | 3 oktober 2025 | Geen advies ontvangen bij opmaak van dit verslag |
|
Haven van Antwerpen-Brugge, subadvies milieu | 6 oktober 2025 | 12 november 2025 | Gunstig |
| Ekopak | 3 oktober 2025 | Geen advies ontvangen bij opmaak van dit verslag | |
Water-link | 3 oktober 2025 | Geen advies ontvangen bij opmaak van dit verslag |
|
Interne adviezen
Adviesinstantie | Datum advies gevraagd | Datum advies |
Stadsontwikkeling/ Mobiliteit | 3 oktober 2025 | 7 november 2025 |
Stadsontwikkeling/ Onroerend Erfgoed/ Archeologie | 3 oktober 2025 | 16 oktober 2025 |
Toetsing regelgeving en beleidsrichtlijnen
Plannen van aanleg, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingen
Het goed is gelegen in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) Afbakening zeehavengebied Antwerpen (Besluit van de Vlaamse regering van 30 april 2013), binnen de afbakeningslijn.
De gebieden binnen de afbakeningslijn behoren tot het zeehavengebied Antwerpen.
Met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgelegd, blijven de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing.
Het goed is volgens voornoemd gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bestemd als Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven.
Zulk gebied is bestemd om te functioneren als Vlaams havengebied als onderdeel van de haven van Antwerpen. Het is bestemd voor zeehavengebonden en zeehavengerelateerde industriële en logistieke activiteiten en distributie-, opslag- en overslagactiviteiten die gebruikmaken van en aangewezen zijn op de zeehaveninfrastructuur.
Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming en voor de exploitatie van de haven en de bedrijven zijn toegelaten.
Daartoe worden ook de volgende werken, handelingen, voorzieningen, en wijzigingen gerekend:
- de aanleg en het onderhoud van infrastructuur die nodig is voor de toegankelijkheid of voor verbindingen langs de waterzijde en langs de landszijde;
- het laguneren of op een andere wijze bergen of verwerken van baggerspecie.
Daarnaast is de ontwikkeling, het herstel en de instandhouding van tijdelijke ecologische infrastructuur toegelaten.
In het gebied zijn eveneens gebouwen of lokalen voor bewakingspersoneel toegelaten.
In het gebied zijn kantoorgebouwen niet toegelaten, tenzij ze noodzakelijk zijn voor en een inherent onderdeel zijn van de exploitatie van haven- en industriële activiteiten. De bestaande kantoorgebouwen kunnen behouden blijven binnen het bestaande bouwvolume op het moment van definitieve vaststelling van dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Uitbreidingen zijn niet toegelaten.
De aanvraag dient beoordeeld te worden aan de hand van de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
De aanvraag is in overeenstemming met de bestemming en de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.
Voor een straal van 500 meter rond de aanvraag is het voormelde GRUP tevens van toepassing. Hier gelden volgende bestemmingsvoorschriften:
- Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven;
- Gebied voor verkeers- en vervoersinfrastructuur voor de Noorderlaan;
- Gebied voor spoorweginfrastructuur voor het vormingsstation Antwerpen-Noord en de spoorwegen rond de Grote Kreek;
- Zone voor permanente ecologische infrastructuur voor de Grote Kreek en de zone tussen de Noorderlaan en het vormingsstation Antwerpen-Noord;
- Zone voor permanente ecologische infrastructuur ‘met medegebruik’ voor het gebied tussen de Noorderlaan en de Grote Kreek;
- overdruk Leidingstraat parallel aan de Noorderlaan.
Gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen
Hemelwater: het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.
De verordening hemelwater is niet van toepassing op de dakoppervlakte van de middenspanningscabine, de tijdelijke fietsenstalling en het utilitiesgebouw daar het hemelwater op natuurlijke wijze kan infiltreren op eigen terrein in de onverharde zone rondom deze constructies.
De verordening hemelwater is wel van toepassing op de overige nieuwe dakoppervlakte en de nieuwe verharding. Er worden twee bovengrondse hemelwaterputten geplaatst met een totale inhoud van 900.000 liter waarop de daken van de industriegebouwen (reactorhallen, technische ruimte en laadzone: 8.898,6 m²) aangesloten worden. Dit hemelwater zal maximaal hergebruikt worden tijdens de productieprocessen. Aangezien het verbruik van de productie hoger ingeschat wordt dan het op te vangen volume, wordt er geen overloop op de hemelwaterputten voorzien.
Het hemelwater dat op het dak van het portiersgebouw (57,7 m²) en de tijdelijke bureelcontainers (252 m²) valt, wordt in aparte hemelwaterputten opgevangen. Bij het portiersgebouw wordt een ondergrondse hemelwaterput met een inhoud van 6.000 liter voorzien, waarbij het opgevangen water hergebruikt zal worden voor spoeling van de toiletten in het portiersgebouw. Bij de bureelcontainers wordt een ondergrondse hemelwaterput voorzien met een inhoud van 25.000 liter, waarbij het opgevangen water hergebruikt zal worden voor spoeling van de toiletten in de containers en een buitenkraan.
Het hemelwater dat op de waterdoorlatende verhardingen (9.253,7 m²) valt, kan door deze verhardingen infiltreren, waardoor deze niet meegerekend moeten worden bij de berekening van de infiltratievoorziening. Het overige hemelwater dat op de niet-waterdoorlatende verhardingen (17.644,3 m²) valt, wordt door middel van bovengrondse infiltratievoorzieningen geïnfiltreerd in de bodem. Er worden infiltratievoorzieningen (vijf wadi’s) aangelegd verspreid op de site met een totale infiltratieoppervlakte van circa 2.437,7 m² en een infiltratievolume van circa 764 m³. De wadi’s hebben een maximale diepte van 50 centimeter. De grondwaterstand ligt op minimaal 3,59 meter ten opzichte van het huidig maaiveld, waardoor de bodem van de wadi’s zich ruim boven de grondwatertafel bevinden. Er wordt voldaan aan de gewestelijke hemelwaterverordening. Echter wordt wel opgemerkt dat, gezien de grote vraag aan hemelwater binnen het bedrijfsproces (waarvoor de dakoppervlaktes niet volstaan), eveneens zou gekozen kunnen worden voor hergebruik van het hemelwater dat op de verhardingen valt, in plaats van dit ter plaatse te laten infiltreren via wadi’s.
Toegankelijkheid: het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid.
De gewestelijke verordening toegankelijkheid is niet van toepassing op de aanvraag aangezien de aanvrager aangeeft dat de gebouwen enkel toegankelijk zijn voor medewerkers van de site. Het is wel aangeraden ook rekening te houden met eventuele werknemers die tijdelijk of permanent gebruik maken van een rolstoel. Er worden wel vier toegankelijke parkeerplaatsen voorzien.
Publiciteit: het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening voor publiciteitsinrichtingen.
De gewestelijke verordening publiciteit is van toepassing op de aanvraag. De aanvraag betreft drie inwendig verlichte zaakgebonden publiciteitsinrichtingen, aangebracht op de gevel van het gebouw en op de betonnen afscheidingswand. De publiciteit bestaat uit het bedrijfslogo en de bedrijfsnaam opgebouwd uit stalen letters in de bedrijfskleur donkerblauw. Volgens de verordening dient deze verlichting niet-verblindend uitgevoerd te worden, alsook dient de helderheid zich automatisch aan te passen aan het omgevingslicht. Een knipperende of flitsende verlichting is niet toegestaan.
Sectorale wetgeving
Archeologienota: overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 moet aan bepaalde aanvragen een bekrachtigde archeologienota worden toegevoegd.
In voorliggende aanvraag, die niet door een publiekrechtelijke instantie is ingediend, bedraagt de ingreep in de bodem meer dan 5.000 m². Het project is gelegen in industriegebied, buiten beschermde archeologische sites en buiten geïnventariseerde archeologische zones, waardoor de aanvrager verplicht is een archeologienota waarvan akte is genomen toe te voegen aan de aanvraag. Het Agentschap Onroerend Erfgoed heeft op 23 april 2025 akte genomen van de toegevoegde archeologienota met ID 32978. Er werd geen programma van maatregelen opgemaakt.
Omgevingstoets
Toetsing van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening
Functionele inpasbaarheid
Het nieuwe bedrijventerrein NextGen District is voorbehouden voor bedrijven die vanuit een klimaatneutrale en circulaire economische gedachte functioneren. In dat kader wordt een recyclagefabriek voor afgedankte rubberen autobanden gebouwd. Naast de fabriek worden bijhorende constructies, zoals tanks en bijgebouwen voorzien en verhardingen, in functie van wegenis, parkings en opslag aangelegd.
Daarnaast worden voor een periode van vijf jaar tijdelijke bureelcontainers en een fietsenstalling geplaatst. Deze voorzieningen dienen als tussentijdse oplossing in afwachting van de realisatie van een permanent kantoorgebouw op de site. Het permanent kantoorgebouw maakt nog geen deel uit van voorliggende aanvraag. Een ruimte die langdurig gebruikt wordt als werkplaats dient voor haar gebruikers en bewoners voldoende kwalitatief te zijn. Een voldoende vrije hoogte voor verblijfsruimten garandeert dat elk vertrek over een minimale verblijfskwaliteit beschikt. Bovendien zijn gebouwen met een grotere vrije hoogte meer flexibel naar toekomstige aanpassing, hergebruik of functiewijziging. De functionele levensduur van gebouwen met lagere verdiepingshoogte dan 2,60 meter voor verblijfsruimten is beperkter. Aangezien het om een tijdelijke constructie gaat en de periode van ingebruikname beperkt blijft tot maximum 5 jaar, is flexibiliteit minder aan de orde en is de 2,45 meter vrije hoogte verantwoord. De aanvrager geeft ook aan dat er binnen 5 jaar een permanent kantoorgebouw voorzien zal worden.
Het recyclagecentrum betreft een industrieel bedrijf dat deel zal uitmaken van een nieuwe cluster met circulaire bedrijven (het NextGen District). De aanvraag past zich functioneel in binnen dit industrieveld.
Schaal - ruimtegebruik - bouwdichtheid
De werken vinden plaats op een braakliggend terrein maar zijn in overeenstemming met de bestemming die van toepassing is op dit gebied. Door het herontwikkelen van een in onbruik geraakte bedrijvensite, kan het aansnijden van nieuwe open ruimte vermeden worden. De aanvraag kadert in de herontwikkeling van de voormalige GM-site.
De schaal van het nieuwe gebouw past binnen de in ruimere omgeving reeds aanwezige bebouwing en binnen de voorziene ontwikkeling van deze site. De aanvraag is in overeenstemming en verenigbaar met de ruimtelijke context van het havengebied waarbinnen deze aanvraag is gesitueerd.
Visueel-vormelijke elementen
De gevels van de recyclagefabriek worden afgewerkt met een plint (6 meter hoog) van geïsoleerde betonnen sandwichpanelen in een lichtgrijze kleur, met daarboven donkergrijze geïsoleerde betonnen sandwichpanelen. De donkergrijze panelen krijgen een motief dat refereert naar het profiel van autobanden. Het buitenschrijnwerk en de markeringen om de gevels worden voorzien in een fluo gele kleur (RAL1016);
De gevels van het technisch gebouw, de laadzone, het utiliteitsgebouw en het portiershuis bestaan uit geïsoleerde betonnen sandwichpanelen in een lichtgrijze kleur.
De middenspanningscabine betreft een prefabcabine in beton en de overkapping met afzuiging wordt afgewerkt met metalen sandwichpanelen in een donkergrijze kleur (RAL 7016);
De meeste gevels van de gebouwen en constructies zullen uitgevoerd worden in dezelfde materialen en kleuren, en zullen een esthetisch geheel vormen in deze industriële omgeving. De gebruikte materialen en gevelkleuren zijn, op enkele accenten na, neutraal. Het geheel is aanvaardbaar binnen deze industriële omgeving.
De tijdelijke fietsenstalling betreft een staalconstructie met glazen luifel (RAL 7016). De tijdelijke burelen betreffen prefab containers waarvan de gevels afgewerkt worden met metalen sandwichpanelen in een donkergrijze kleur (RAL 7015). Het type constructie zelf is weinig architecturaal en weinig visueel aantrekkelijk, maar de gebruikte materialen en gevelkleuren zijn neutraal of veelvoorkomend en aldus aanvaardbaar voor tijdelijke burelen binnen deze industriële zeehavenomgeving.
Bodemreliëf
In kader van de ontwikkeling van de NextGen site werd het terrein reeds opgehoogd (gemiddeld 1,56 meter) door het storten van lagen per 30 centimeter, waarbij elke laag verdicht werd. De ophoging werd in een lichte piramidevorm aangelegd, waarbij de hoogste vlakken zich op 8,88 mTAW bevinden (in het zuiden), met een geleidelijke afname van het maaiveld naar de buitenste noordelijke rand (8,65 mTAW). De omgeving ligt op circa 6,5 mTAW. De afgewerkte vloerpas van de gebouwen zal op 9,12 mTAW gelegd worden, waardoor een gravitaire afwatering van de omringende buitenverhardingen ontstaat, weg van de gebouwen.
Er worden verschillende wadi’s aangelegd in kader van de gewestelijke hemelwaterverordening waarbij het opgevangen regenwater opnieuw kan infiltreren in eigen bodem. De wadi’s hebben een maximale diepte van 50 centimeter. Verder wordt ook een verdiepte laadkade voorzien.
De reliëfwijzigingen zijn functioneel en beperkt in omvang.
Ecologische aspecten
Tussen de perceelsgrens en de ringweg wordt een groenzone voorzien van minimaal 7,5 meter breed waarin infiltratiegrachten zijn verwerkt. Daarnaast worden nog twee grote wadi’s aangelegd tussen de ringweg en de parking voor personenwagens en wordt tussen de hoofdgebouwen een wandelboulevard ingericht met waterdoorlatende verhardingen en groenzones. De zone waarop in een latere fase het permanent kantoorgebouw voorzien zal worden, wordt eveneens aangelegd als groenzone. De aanvrager geeft aan dat alle groenzones aangelegd worden als droge graslanden, ruigte of pioniersvegetatie type II, riet of moeras. Voor opgaande aanplantingen wordt uitsluitend gebruik gemaakt van streekeigen heesters en bomen. Als voorwaarde wordt opgelegd dat alle groenzones intensief beplant moeten worden met een afwisseling van hoog- en laagstammig groen, om de gewenste biodiversiteit en biotoopcreatie te bekomen, zoals ook voorgesteld in het project-MER. Dit zal eveneens de landschappelijke inpassing van de nieuwe fabriek verbeteren, zoals reeds opgemerkt in het advies van het college op het project-MER.
Hinderaspecten – gezondheid – gebruiksgenot – veiligheid in het algemeen
De vergunningverlenende overheid heeft het advies ingewonnen van de Brandweer Zone Antwerpen. Dit advies is op datum van opstelling van dit verslag nog niet uitgebracht. Ook de lokale overheid hecht belang aan het brandweeradvies.
Wegens de situering van de aanvraag in de directe nabijheid van een hoogspanningsleiding werd het advies ingewonnen van de beheerder van deze leiding. Het advies van Elia Asset is voorwaardelijk gunstig. De opgelegde voorwaarden hebben betrekking op specifieke veiligheidsvoorschriften waarmee tijdens de uitvoering van de werken rekening moet worden gehouden. Aan het advies werd tevens een plan toegevoegd waarop het type en het spanningsniveau van de installatie vermeld staat. Deze voorwaarden betreffen uitvoeringsmodaliteiten en kunnen integraal aan dit advies gekoppeld worden.
Wegens de situering van de aanvraag in de directe nabijheid van pijpleidingen werd het advies ingewonnen van de beheerders van deze leidingen. Fluvius en Ekopak hebben echter geen tijdig advies uitgebracht. De aanvrager is wettelijk verplicht om voor de start van de werken een klip-klim melding uit te voeren.
Wegens de nabijheid van een waterleiding werd tevens advies gevraagd aan Water-Link. Zij hebben echter geen tijdig advies uitgebracht. De aanvrager is wettelijk verplicht om voor de start van de werken een klip-klim melding uit te voeren.
Mobiliteitsimpact (onder andere toetsing parkeerbehoefte)
Er werd advies gevraagd aan de dienst mobiliteit van de stad.
Parkeerbehoefte
Het MER geeft de mobiliteitsbehoefte voor het project weer. De werkelijke parkeerbehoefte wordt in de begeleidende documenten berekend op basis van het maximaal aantal personeelsleden en bezoekers dat tegelijkertijd aanwezig zal zijn op de site en de nodige shift wissels. Dit wordt ingeschat op 66 werknemers en 4 bezoekers.
In kader van een worstcasebenadering van de verkeersgeneratie wordt hierbij conform de kencijfers uit het project-MER voor het NextGen District (OMV_2021119580) uitgegaan van een modal split van 80% autoaandeel. Als deze leidraad wordt toegepast op deze aanvraag wordt de totale parkeerbehoefte vastgelegd op 57 parkeerplaatsen (66 x 0,80 + 4).
In het bijgevoegde MER wordt de totale parkeerbehoefte berekend op 52 parkeerplaatsen (48 parkeerplaatsen voor personeel en 4 parkeerplaatsen voor bezoekers). Er wordt niet meegegeven hoe aan dit aantal gekomen wordt.
De plaatsing van de bureelcontainers voor het Bolder personeel betreft een tijdelijke handeling en wordt aangevraagd voor een bepaalde termijn van 5 jaar na het toekennen van de omgevingsvergunning. In de toekomst wenst Bolder een volwaardig kantoorgebouw op te richten op de site. Echter, Bolder wenst eerst de zekerheid te bekomen dat de vergunning van de productiegebouwen zal goedgekeurd worden alvorens tijd en middelen in te zetten in het verder uitwerken van het kantoorgebouw. De huidige parkeerbehoefte wordt op eigen terrein opgevangen. Bij het ontwerp van het nieuwe kantoorgebouw zal rekening gehouden moeten worden met de eventuele toename aan personeel en bijhorende gewijzigde parkeerbehoefte.
Voor het gebruik van deelmobiliteit wordt wel gebruik gemaakt van het overkoepelende aanbod van het NextGen District.
Fietsvoorzieningen
In fase 1 wordt ter hoogte van de containers een tijdelijke fietsenstalling voor minstens 20 fietsen en 4 bakfietsen voorzien. De helft van de fietsstalplaatsen wordt voorzien met laadmogelijkheden. Bij de bouw van het kantoorgebouw wordt een fietsenstalling voorzien op de begane grond. In de leidraad fietsparkeren op de NextGen site wordt opgenomen om minimaal 1 fietsparkeerplaats per 3 autostalplaatsen te voorzien. Hier wordt met 24 fietsstalplaatsen dus aan voldaan. Voor een gelijktijdig aantal aanwezige werknemers van 66, betekent dit een modal split van 36% fietsaandeel. Dit is realistisch voor deze locatie.
De tijdelijke fietsenstalling is overdekt, maar niet afsluitbaar. Het is aangewezen deze afsluitbaar te voorzien.
Ontsluiting/bereikbaarheid
Bij de interne ontsluiting van Bolder wordt uitgegaan van een maximale scheiding van de verkeersdeelnemers. Zo wordt er een aparte toegang voorzien voor vrachtwagens en voor personenwagens. Fietsers hebben een rechtstreekse toegang tot de site vanuit het dubbelrichtingsfietspad langs de interne ontsluitingsweg. Interne fiets- en voetpaden worden afgeschermd van gemotoriseerd verkeer door middel van groene buffers en eventuele conflictpunten met gemotoriseerd verkeer worden voorzien van een zebrapadmarkering.
De in- en uitritten voor personenwagens en vrachtwagens komen rechtstreeks uit op het dubbelrichtingsfietspad aan de Baanbrekerstraat. Ter hoogte van deze nieuwe toegangen moet op eigen terrein een verkeersbord B1 met bijhorende haaientandenmarkering voorzien worden. Om de zichtbaarheid te garanderen, moeten zichtbelemmerende zaken vermeden worden. Er moet contact opgenomen worden met de wegbeheerder om het fietspad ter hoogte van deze toegangen te voorzien van een fietspadmarkering (twee evenwijdige witte onderbroken strepen), rode slemlaag en fietspictogrammen met pijlen in 2 richtingen. Dit om duidelijk aan te geven dat bij het verlaten van de site voorrang moet verleend worden aan de fietsers op het fietspad. Deze zaken werden ook opgenomen als flankerende maatregelen in het project-MER, en dienen opgelegd te worden in de vergunning.
Laden en lossen
Op de site worden 3 parkeerplaatsen voorzien om eventueel wachtende vrachtwagens te kunnen parkeren. In het MER werd opgenomen dat vrachtwagens die toekomen buiten de openingsuren van de site (8u00-18u00) dienen te wachten op parking Goordijk aan de Noorderlaan. Zoals reeds eerder gesteld in het advies van het college op het project-MER, is het onduidelijk of deze parking hiervoor voldoende capaciteit heeft. Wachtende vrachtwagens moeten steeds op het eigen terrein worden opgesteld. Daarnaast wordt opgemerkt dat in het initiële project-MER van NextGen District reeds gesteld werd dat het vrachtverkeer van en naar complex 16 beperkt en verspreid in tijd (buiten spitsuren) moest worden. Er werd toen voorgesteld om vrachtvervoer op de NextGen-site slechts toe te laten tussen 9u00 en 16u00 en vanaf 18u00 tot 6u00. Het voorzien van een eigen bufferparking, om vrachtwagens buiten de spitsuren te laten toekomen en vertrekken, wordt daarom opgelegd als voorwaarde.
In het project-MER is sprake van 74 vrachtwagens per etmaal (werkdag) voor Bolder in fase 2 (volledige exploitatie), wat overeenstemt met circa 18.500 vrachtwagenpassages op jaarbasis (gerekend met 250 werkdagen per jaar zoals in het initiële MER). Dit betreft een aandeel van 21% in de voorziene vrachtwagenbewegingen voor het gehele NextGen District (351 per werkdag), hoewel de concessieoppervlakte van Bolder slechts 14% van de totale concessieoppervlakte van NextGen District (38,2 hectare) inneemt. Hierover wordt in het MER enkel gesteld dat de verwachte verkeersstromen van de huidig gecontracteerde bedrijven op NextGen District met zekerheid ruim beneden de inschattingen uit het initiële MER blijven. Maar dit wordt niet gestaafd met concrete cijfers. Het is aangewezen dit verder te onderbouwen.
Voor de verdeling van de verkeersgeneratie van Bolder over de verschillende ontsluitende kruispunten en snelwegcomplexen wordt in het project-MER ook teruggegrepen naar de verdeling uit het initiële project-MER van NextGen District. Vooral voor het vrachtverkeer wordt verwacht dat hier een nauwkeurigere inschatting gedaan kan worden op basis van de reeds gekende leveranciers en afnemers of logistieke partners. Voor complex 16 wordt geen significant effect (0) verwacht door Bolder. Dit lijkt vreemd en is mogelijk te wijten aan een verkeerde basis (huidige toestand). Het is aangewezen dit opnieuw te onderzoeken.
Toetsing van aanvaardbaarheid van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten op het vlak van hinder en risico's voor de mens en het milieu
Voorliggende aanvraag betreft de bouw en exploitatie van een nieuwe recyclagefabriek voor rubbergranulaat uit autobanden op de NextGen-site. De exploitatie zal bestaan uit een inrichting voor de pyrolyse van rubbergranulaat, waarbij een mengsel van pyrolyseolie, syngas en Carbon Black wordt geproduceerd. Deze pyrolyse zal plaatsvinden in 8 verschillende reactoren, dewelke gefaseerd gebouwd zullen worden. De 8 pyrolysereactoren hebben een thermisch vermogen van in totaal 21,12 MWth.
Voor voorliggende aanvraag werd eveneens een milieueffectrapport opgemaakt, hier werd reeds een advies voor uitgebracht door het college.
De grondstof voor het pyrolyseproces, bestaande uit rubbergranulaten afkomstig van auto- en vrachtwagenbanden, worden geleverd door Belgische shredderbedrijven en vervolgens in open containers opgeslagen. Daarna wordt de grondstof via transportbanden en pneumatisch transport naar de opslagsilo’s in de hal vervoerd, van waaruit het via trechters naar de pyrolysereactoren wordt gebracht. In de pyrolysereactoren ontbindt het rubber in gasvormige producten (ruwe syngas) en een vaste stroom, het ruwe Carbon Black. Het ruwe syngas wordt afgekoeld in twee stappen: eerst tot ongeveer 100°C om de Bolder Oil Heavy (BOH) te condenseren, en vervolgens tot ongeveer 20°C om Bolder Oil Light (BOL) en een waterige reststroom (proceswater) te verkrijgen.
Het resterende niet-gecondenseerde syngas wordt voor ongeveer 69% aangewend voor de interne verwarming van de pyrolysereactoren. Het proceswater en het resterende niet-gecondenseerde syngas (ongeveer 31% van het totaal), worden verbrand in thermische oxidizers (naverbranders). De thermische oxidizers functioneren bij hoge temperaturen (900-1.000°C) en verzekeren de volledige oxidatie van organische componenten, waarna de rookgassen een nabehandeling ondergaan met een droge gaswasser (met gebluste kalk en actieve kool) en mouwenfilters voordat ze via de schouw worden geëmitteerd. De geproduceerde warmte wordt teruggewonnen door stoom op te wekken, die onder meer wordt gebruikt voor het drogen van de Carbon Black pellets. Het ruwe Carbon Black wordt afgekoeld, van metalen gescheiden, vermalen, gepelletiseerd en gedroogd om het eindproduct, de Carbon Black pellets, te vormen, die vervolgens worden opgeslagen in silo’s of bigbags. Stof dat tijdens de verwerking vrijkomt, wordt opgevangen via mouwenfilters en teruggevoerd naar de maalinstallatie voor hergebruik in het proces.
Voorliggende aanvraag wordt opgesplitst in een vergunningsaanvraag voor de exploitatie en voor de werffase.
IIOA: exploitatie permanente situatie
De installatie is een volledig gesloten systeem en is uitgerust met uitgebreide rookgasreinigingstechnieken, waaronder een naverbrander (thermische oxidizer), een Selectieve Niet-Katalytische Reductie (SNCR) systeem en droge rookgasreiniging met mouwenfilters. Uit het MER blijkt dat de effecten op de luchtkwaliteit beperkt zullen zijn met deze projectgeïntegreerde maatregelen.
Zowel de rubbergranulaten (SC2) als de geproduceerde Carbon Black pellets (SC1) worden gezien als stuivende stoffen. Stofemissies kunnen hier ontstaan bij manipulatie van materialen, zoals lossen en verder transporteren. Om hier tegen in te gaan worden de containers met rubbergranulaat buiten gelost met stofafzuiging in de overkappingen. Het afgezogen stof wordt vervolgens verzameld in een mouwenfilter. Alle opslag en handelingen van het Carbon Black (tussenproduct/afgewerkt product) vinden plaats in een gesloten systeem. Stofbeperkende maatregelen zijn hier ook voorzien in het ontwerp (cyclo(o)n(en), filter(s)). Hoewel er met aanzienlijk veel stuivende stoffen gewerkt wordt, is omwille van de beperkte oppervlakte de opmaak van een stofrapport niet noodzakelijk. Dit wil uiteraard niet zeggen dat er niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag dient gelegd te worden tijdens de verwerking hiervan, dit om stofhinder op eigen terrein en op openbaar domein te voorkomen.
In het MER werd besproken of er al dan niet een kans is op aanwezigheid van PFAS in de grondstof (rubbergranulaat). Enerzijds haalt de exploitant aan dat er geen PFAS wordt gebruikt in rubberforumleringen, anderzijds haalt hij aan dat dit wel gebruikt kan zijn in machines die het rubber bewerken. Het is onduidelijk of dit effectief dan ook aanleiding geeft tot een aanwezigheid van PFAS in het productieproces. De stad stelt voor het aangevoerde materiaal periodiek te laten analyseren.
Het totale waterverbruik voor de installatie van Bolder (in een maximale opstelling) is op te splitsen in proceswater en niet-procesgebonden water. Het proceswaterverbruik slaat dan op het verbruik voor de pelletisering van de ruwe black carbon (31.526 m³/jaar) en voor het stoomnetwerk (5.860 m³/jaar). Voor het pelletiseerproces wordt deels hemelwater van de daken verbruikt (bij 8 reactoren is dit circa 14%). Het overige is drinkwater (27.087 m³/jaar voor 8 reactoren). Voor de stoomturbine kan de noodzakelijke kwaliteit, voor de bescherming van de turbine, enkel gehaald worden door behandeling van leidingwater (5.860 m³/jaar) met een omgekeerde osmose- (OO) en elektro-deïonisatie-module. Het niet-procesgebonden waterverbruik is dan vooral personeelsverbuik, bijvoorbeeld toiletspoelingen, en is ongeveer 3.036 m³/jaar. Er is toch een aanzienlijk deel aan leidingwaterverbuik, dat eventueel ook van hernieuwbare bronnen had kunnen komen.
De verschillende bronnen aan afvalwater zijn huishoudelijk afvalwater, potentieel verontreinigd hemelwater, proceswater na olieverwerking, spui van het stoomcondensaatcircuit en omgekeerde osmoseconcentraat. De hoeveelheid huishoudelijk afvalwater bedraagt 4.574 m³/jaar en zal gezuiverd worden via IBA’s. De overloop van de IBA’s mondt uit in het Churchilldok.
De totale lozing van bedrijfsafvalwater bedraagt 20,75 m³/uur. Dit afvalwater bestaat allereerst uit spuiwater, afkomstig van de stoomproductie. Dit dient om opgeconcentreerde opgeloste stoffen uit de ketel te verwijderen zodat afzettingen en corrosie voorkomen kunnen worden. Daarnaast is er ook concentraat uit de zuivering van de omgekeerde osmose. En als laatste is er ook nog het potentieel verontreinigd hemelwater, dit is het hemelwater dat terechtkomt in het tankpark en de laadzone bij het tankpark. Dit hemelwater wordt via afvoergoten afgeleid naar een dubbelwandige KWS-afscheider met coalescentiefilter, dit om te voorkomen dat eventuele verontreinigingen van olieresiduen geloosd worden. Dit water wordt via het DW-netwerk eveneens geloosd op het Churchilldok.
Hiernaast wordt er ook afvalwater gecreëerd, dat echter niet geloosd wordt. Dit betreft het proceswater na olieverwerking. Dit omvat de waterige fractie die overblijft bij de afscheiding van de olie. Dit afvalwater zal opgeslagen worden in een tank in het tankpark en vervolgens geïnjecteerd worden in de thermische oxidizer, waar de volatiele componenten direct verbrand worden of via de rookgasreiniging afgebroken worden. Dit gaat over een maximale hoeveelheid van 3.276 m³ per jaar. De thermische oxidizer heeft een thermisch ingangsvermogen van 17,6 MWth. Hierbij hoort ook een stoomvat van 700 liter. Omwille van deze specifieke verwerking wordt dit ook aangevraagd onder ‘opslag en meeverbranding van afval’.
Er is een maximale jaarlijkse productie van 37.067 ton aan pyrolyseolie en 32.110 ton aan carbon black per jaar. Er wordt een opslag en behandeling van 15.194,25 ton aan rubbergranulaten aangevraagd, een 1.426,8 ton aan pyrolyseolie en een 1.426,8 ton aan afgewerkte ‘Bolder’ oliën. Hierin zit reeds verwerkt dat voor een beperkte duurtijd (3 jaar) een grotere hoeveelheid rubber moet opgeslagen worden (tot extra 9.000 ton in containers), dit om de betrouwbare aanvoer van het grondstof te verzekeren. Het is onduidelijk waarom de pyrolyseolie en de ‘Bolder’-olie nog wordt aangevraagd als afvalstof, aangezien deze opnieuw zullen worden ingezet als grondstof.
Er is een generator met een vermogen 375 kVA voorzien voor de opwekking van elektriciteit met behulp van een stoomturbine. De rookgassen van de verbranding in de thermische oxiders worden namelijk gebruikt om stoom te creëren. Het stoom wordt enerzijds gebruikt voor het drogen van de pellets en anderzijds voor de energieopwekking. De elektrische output wordt geschat op 292 kW. Verder worden er ook 2 transformatoren voorzien, een van 7.500 kVA en een van 6.250 kVA.
De aanvrager voorziet het stallen van 12 bedrijfsvoertuigen in totaal, hieronder vallen de reachstackers, maar ook de heftrucks, hoogtewerkers en opleggers. Ook wordt er in totaal 3.152,2 kW aan compressoren voorzien, op verschillende plekken in de exploitatie. De aanvrager voorziet ook 2 labo’s voor productcontrole, hier wordt echter geen afvalwater geproduceerd.
Er wordt een vaste gasttank voor de opslag van vloeibare stikstof voorzien met een inhoudsvermogen van 55.000 liter. Dit stikstof is nodig om een zuurstofvrije omgeving te creëren in het pyrolyseproces. Verder wordt er ook nog voor 140 ton aan gebluste kalk, 45,5 ton aan ammoniak en 0,46 ton aan ketelwaterbehandelingsproduct opgeslagen.
De inrichting van Bolder wordt beschouwd als een GPBV-bedrijf. (Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging). Als GPBV-bedrijf moet de inrichting aan strikte eisen voldoen, met name op het gebied van monitoring en Best Beschikbare Technieken (BBT). Een BBT-aftoetsing werd toegevoegd aan de aanvraag.
Voorliggende exploitatie betreft een zogenaamde broeikasgas (BKG-inrichting). Dit wil zeggen dat men onder het zogenaamde emissiehandelsysteem valt, omwille van de hoge CO2- uitstoot, dit wordt geschat op 31.341 ton per jaar. Het MER spreekt hier wel de Y-bijlage tegen. Dergelijke inrichtingen hebben verplichtingen rond het continu verminderen van de uitstoot. De exploitant heeft een voorstel van initieel monitoringplan 2021-2025 ingediend bij het Verificatiebureau Benchmarking Vlaanderen (VBBV). Na verificatie door en advies aan het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap (VEKA) vanwege het VBBV, heeft het VEKA dit monitoringplan goedgekeurd. Men moet nu op basis van dit goedgekeurd monitoringplan over elk jaar van de periode 2021-2025 een geverifieerd emissiejaarrapport indienen bij het VEKA.
Gezien het voorwerp van de aanvraag, dient conform art. 5.2.1.5.§5 van het VLAREM II een groenscherm van minstens 5 meter breedte aangelegd te worden rondom de exploitatie. De aanvrager vraagt hierop af te wijken. Als argumenten stelt de aanvrager dat de inrichting bijna volledig omringd is door andere industrie (enkel niet in het noorden) en dat zowel productie als stockage plaats vindt in gesloten gebouwen of containers. De aanvrager voorziet wel een ‘groenzone’ (onverharde/bebouwde strook) van 7,5 meter waarin de infiltratiegrachten verwerkt zijn. Het college kan hiermee akkoord gaan, indien een vegetatiebeeld wordt nagestreefd dat past binnen het Soortenbeschermingsprogramma van de Haven van Antwerpen-Brugge.
Verder wordt er ook nog een bijstelling gevraagd van artikel 5.2.1.2 voor de aan- of afvoer van de afvalstoffen niet voor 7 uur of na 19 uur te laten plaatsvinden. Deze bijstelling kan gunstig geadviseerd worden, omwille van de specifieke ligging binnen havengebied wordt er geen hinder verwacht.
IIOA: werffase
De activiteiten van de werffase zijn tijdelijk en worden ook louter aangevraagd voor een duurtijd van 5 jaar. Tijdens de werffase worden verschillende zones ingericht, waaronder een mobiele werfzone waar voertuigen kunnen worden gestald, diesel wordt opgeslagen voor het tanken van deze voertuigen, producten in kleine verpakkingen van maximaal 25 kilogram of liter worden bewaard en gassen worden opgeslagen voor de werkzaamheden.
Daarnaast komt er een werfzone met naar schatting veertien bureelcontainers van de aannemer, die voorzien zijn van warmtepompen voor de klimaatregeling. Deze containers worden gebruikt in afwachting van de bouw van het kantoorgebouw (niet in de aanvraag). Er worden eveneens IBA’s voorzien voor de lozing van huishoudelijk afvalwater en dit voor een debiet van 1620 m³/jaar.
Al bovenstaande activiteiten betreffen louter klasse 3 rubrieken en zijn in strictu sensu dus louter akteerbaar, indien niet verboden.
Advies van het college
Gunstig advies te verlenen voor de aanvraag tot omgevingsvergunning onder voorwaarden en voor zover het advies van de brandweer gunstig is of voorwaardelijk gunstig met uitvoerbare voorwaarden.
Dit advies werd opgemaakt op basis van PIV 3.
Geadviseerde stedenbouwkundige voorwaarden
1. Alle groenzones moeten intensief beplant worden met een afwisseling van hoog- en laagstammig groen, om de gewenste biodiversiteit en biotoopcreatie te bekomen.
2. De voorwaarden uit het advies van Elia Asset dienen strikt nageleefd te worden.
3. Ter hoogte van de in- en uitrit voor personenwagens en vrachtwagens moet op eigen terrein een verkeersbord B1 met bijhorende haaientandenmarkering voorzien worden.
4. Er moet contact opgenomen worden met de wegbeheerder (Haven van Antwerpen-Brugge) om het fietspad ter hoogte van de in- en uitrit te voorzien van een fietspadmarkering, rode slemlaag en fietspictogrammen met pijlen in 2 richtingen.
5. Wachtende vrachtwagens moeten steeds op eigen terrein worden opgesteld. Hiervoor dient een eigen bufferparking op de site voorzien te worden.
Geadviseerde rubriek(en)
Rubriek | Omschrijving | Geadviseerd voor |
2.2.5.e)3° | opslag en nuttige toepassing - opslag en fysisch-chemische behandeling, al of niet in combinatie met een mechanische behandeling, van andere niet gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 25 ton; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 15.194,25 ton |
2.2.5.f)2° | opslag en nuttige toepassing - opslag en fysisch-chemische behandeling, al of niet in combinatie met een mechanische behandeling, van andere gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 1 ton; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 1.426,80 ton |
2.3.4.2.d) | opslag en meeverbranding van andere niet-gevaarlijke afvalstoffen; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 15.194,25 ton |
2.3.4.2.e) | opslag en meeverbranding van andere niet-gevaarlijke afvalstoffen; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 60 ton |
2.4.1.b) | fysisch-chemische behandeling van gevaarlijke afvalstoffen; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 122,25 ton/dag |
2.4.2.a) | de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 10,88 ton/uur |
2.4.5. | tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen in afwachting van behandeling; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 1.426,80 ton |
3.4.2° | het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II, met een debiet van meer dan 2 m³/uur tot en met 100 m³/uur; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 20,75 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 12.959,10 m³/jaar |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar; (inrichting Bolder Industries-Werffase-Tijdelijke burelen) | 1.620 m³/jaar |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 liter tot en met 50.000 liter uitgezonderd de gezamenlijke opslag van minder dan 5 ton gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige brandstoffen bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 880 liter |
6.5.1° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen, namelijk installaties voor het vullen van brandstoftanks van motorvoertuigen met vloeibare koolwaterstoffen, bestemd voor de voeding van de erop geïnstalleerde motor(en) met maximaal twee verdeelslangen; (inrichting Bolder Industries-Werffase-Tijdelijke burelen) | 2 verdeelslangen |
7.11.1°a) | de fabricage van organisch-chemische producten, zoals eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische); (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 37.067 ton/jaar |
7.11.2°e) | De fabricage van: (Er kan een overlapping zijn met de deelrubrieken van rubriek 7, 13 en 38. Onder fabricage in de zin van deze rubriek wordt verstaan de fabricage van de stoffen of groepen van stoffen, vermeld in deze rubriek, op industriële schaal door chemische of biologische omzetting.) van niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals calciumcarbide, silicium, siliciumcarbide, titaandioxide; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 32.110 ton/jaar |
12.1.1.1°a) | inrichtingen die wisselspanning opwekken, met een geïnstalleerd totaal elektrisch schijnbaar vermogen van 150 kVA tot en met 800 kVA als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 375 kVA |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 1 x 6.250 kVA |
15.1.1° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 12 voertuigen |
15.1.1° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; (inrichting Bolder Industries-Werffase-Tijdelijke burelen) | 15 voertuigen |
16.3.2°a) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW; (inrichting Bolder Industries-Werffase-Tijdelijke burelen) | 50 kW |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 3.152,20 kW |
17.1.2.1.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van 300 liter tot en met 1.000 liter; (inrichting Bolder Industries-Werffase-Tijdelijke burelen) | 720 liter |
17.1.2.2.3° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 10.000 liter; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 55.000 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | opslag van gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton als de inrichting niet hoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt; (inrichting Bolder Industries-Werffase-Tijdelijke burelen) | 3,33 ton |
17.3.4.3° | bijtende vloeistoffen en vaste stoffen - opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 185,96 ton |
17.3.6.3° | opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07, met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer 100 ton; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 185,50 ton |
17.3.7.3° | opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 50 ton; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 140 ton |
17.3.8.2° | opslagplaatsen voor het aquatisch milieugevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 200 ton; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 45,50 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 5.000 kg |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter; (inrichting Bolder Industries-Werffase-Tijdelijke burelen) | 2.000 liter |
24.4. | laboratoria waar geen afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 2 labo's |
29.5.2.1°a) | smederijen en inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, wanneer volledig gelegen in een industriegebied; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 80,40 kW |
39.2.1° | stoomvaten, met inbegrip van warmtewisselaars waarvan de primaire ruimte als stoomvat wordt beschouwd, met een individuele inhoud van 300 liter tot en met 5.000 liter; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 700 liter |
39.4.1° | warmtewisselaars, andere dan deze vermeld onder rubriek 39.2 en deze voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van 25 liter tot en met 5.000 liter; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 700 liter |
43.1.3° | stookinstallaties zonder elektriciteitsproductie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5.000 kW; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 38.720 kW |
43.3.1° | het stoken in installaties, inclusief stationaire motoren en gasturbines, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW tot 50 MW; (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 38,72 MW |
43.4. | installaties voor het verbranden van brandstof met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of stedelijk afval. (inrichting Bolder Industries Belgium-Exploitatie) | 38,72 MW |
Geadviseerde bijzondere milieuvoorwaarden
1. Het aangevoerde rubbergranulaat dient periodiek geanalyseerd te worden op de aanwezigheid van PFAS. |
Procedurestap | Datum |
Ontvangst adviesvraag | 2 oktober 2025 |
Start openbaar onderzoek | 11 oktober 2025 |
Einde openbaar onderzoek | 9 november 2025 |
Gemeenteraad voor aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen | geen |
Uiterste adviesdatum | 21 november 2025 |
De aanvraag werd onderworpen aan een openbaar onderzoek. Er werden standpunten, opmerkingen en/of bezwaren ingediend tijdens de openbaarmaking.
Bespreking van de bezwaren
Standpunten werden ontvangen van Infrabel NV in het kader van het openbaar onderzoek. Men geeft aan geen bezwaar te hebben tegen de omgevingsvergunningsaanvraag, op voorwaarde dat de veiligheidsafstanden en de algemene voorwaarden met betrekking tot bouwaanvragen stikt dienen nageleefd te worden.
Informatievergadering
Over de aanvraag werd een informatievergadering georganiseerd op 15 oktober 2025. Het verslag van de informatievergadering werd bezorgd aan de vergunningverlenende overheid.
Het college beslist een gunstig advies, zoals geformuleerd in de argumentatie, te geven op de aanvraag, onder volgende voorwaarden en voor zover het advies van de brandweer gunstig is of voorwaardelijk gunstig met uitvoerbare voorwaarden.
Geadviseerde stedenbouwkundige voorwaarden
1. Alle groenzones moeten intensief beplant worden met een afwisseling van hoog- en laagstammig groen, om de gewenste biodiversiteit en biotoopcreatie te bekomen.
2. De voorwaarden uit het advies van Elia Asset dienen strikt nageleefd te worden.
3. Ter hoogte van de in- en uitrit voor personenwagens en vrachtwagens moet op eigen terrein een verkeersbord B1 met bijhorende haaientandenmarkering voorzien worden.
4. Er moet contact opgenomen worden met de wegbeheerder (Haven van Antwerpen-Brugge) om het fietspad ter hoogte van de in- en uitrit te voorzien van een fietspadmarkering, rode slemlaag en fietspictogrammen met pijlen in 2 richtingen.
5. Wachtende vrachtwagens moeten steeds op eigen terrein worden opgesteld. Hiervoor dient een eigen bufferparking op de site voorzien te worden.
Geadviseerde bijzondere milieuvoorwaarden
1. Het aangevoerde rubbergranulaat dient periodiek geanalyseerd te worden op de aanwezigheid van PFAS. |