Er werd bij de deputatie een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag wordt behandeld volgens de gewone procedure van het Omgevingsvergunningendecreet.
De deputatie verzoekt het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar om:
- een openbaar onderzoek te houden;
- advies uit te brengen.
Projectnummer: | OMV_2025067608 |
Gegevens van de aanvrager: | NV SynPet Circularity Plant Antwerp met als adres Frankrijklei 5 te 2000 Antwerpen |
Gegevens van de exploitant: | NV SynPet Circularity Plant Antwerp (1005585637) met als adres Frankrijklei 5 te 2000 Antwerpen |
Ligging van het project: | Muisbroeklaan 61 (kaai 524) te 2030 Antwerpen |
Kadastrale percelen: | afdeling 16 sectie A nrs. 36M en afdeling 18 sectie E nrs. 196/4A |
waarvan: |
|
- 20250528-0002 | afdeling 16 sectie A nrs. 36M en afdeling 18 sectie E nrs. 196/4A (IIOA SynPet) |
Vergunningsplichten: | stedenbouwkundige handelingen, exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten |
Voorwerp van de aanvraag: | de bouw en exploitatie van een 'circularity plant' |
Omschrijving stedenbouwkundige handelingen
Relevante voorgeschiedenis
- 22/08/2025: omgevingsvergunning (OMV_2025063892) voor het slopen van gebouwen en verharding, bouwrijp maken van terrein;
- 17/08/2009: stedenbouwkundige vergunning (HVN/2008/B/0049 – 20081981) voor het bouwen van een nieuw bureelgebouw.
Vergunde toestand
* functie:
> industrie en bedrijvigheid;
> het terrein wordt bouwrijp gemaakt voor een nieuwe invulling.
* inrichting:
> het kantoorgebouw wordt tijdelijk gebruikt tijdens de werffase;
> na de sloopwerken blijft het terrein braak liggen in afwachting van een nieuwe ontwikkeling. Deze nieuwe ontwikkeling maakt het voorwerp uit voor voorliggende aanvraag.
Bestaande toestand
* functie:
> industrie en bedrijvigheid;
> terrein gebruikt voor de opslag van containers. De vergunde afbraakwerken lijken nog niet gestart.
* inrichting:
> een volledig verhard terrein gelegen ten zuiden van het Duwvaart-Schuildok, gekenmerkt door de buitenopslag van containers;
> langs de oostelijke terreingrens bevindt zich het kantoorgebouw;
> in het noorden van het terrein is een garage ingeplant;
> in het zuidwesten van het terrein bevindt zich een afsluitergebouw voor de ingebuisde Voorgracht die onder het perceel doorloopt en uitmondt in de dokken.
Tijdelijke toestand
Tijdens de constructiefase zullen er gebouwen geplaatst worden die na voltooiing van de werken weer verwijderd worden. Het betreft een kantoorgebouw en een gebouw met sociale voorzieningen zoals een refter, kleedkamers, sanitair. Tevens wordt een zone voorzien voor de tijdelijke opslag van grond en een installatie voor de zuivering van het bemalingswater.
Nieuwe toestand
* functie:
> industrie en bedrijvigheid;
> bouw van een nieuwe fabriek voor het omzetten van gemengd koolstofhoudend afval (plastic) naar koolwaterstoffen (nafta).
* bouwvolume:
De fabriek bestaat uit verschillende gebouwen en constructies. De voornaamste zijn:
> hoofdgebouw:
- grondoppervlakte bedraagt circa 700 m², hoogte bedraagt circa 10 meter.
> fietsenstalling:
- grondoppervlakte bedraagt 8 m², hoogte bedraagt 2,60 meter.
> voorbehandelingsgebouw:
- grondoppervlakte bedraagt circa 4.000 m², maximale hoogte bedraagt circa 14 meter.
> procesinstallatie:
- grondoppervlakte bedraagt circa 3.775 m², maximale hoogte bedraagt circa 53 meter.
> fakkel:
- doorsnede bedraagt circa 20 meter, hoogte bedraagt circa 30 meter.
> tankpark:
- grondoppervlakte tankpark bedraagt circa 7.000 m²;
- inhoud tanks:
- 5 tanks met een inhoud van elk 1.100.000 liter;
- 3 tanks met een inhoud van elk 4.570.000 liter;
- 1 tank met een inhoud van 1.400.000 liter.
> wateropslag:
- 3 tanks met een inhoud van 1.150.000 liter, 1.600.000 liter en 300.000 liter.
> elektrisch gebouw 1:
- grondoppervlakte bedraagt circa 1.820 m², maximale hoogte bedraagt circa 15 meter.
> elektrisch gebouw 2:
- grondoppervlakte bedraagt circa 1.455 m², hoogte bedraagt circa 6,70 meter.
> emissie-monitoring gebouw:
- grondoppervlakte bedraagt circa 10 m², hoogte bedraagt circa 3 meter.
> magazijn:
- grondoppervlakte bedraagt circa 615 m², maximale hoogte bedraagt circa 6,50 meter.
> char-opslag gebouw:
- grondoppervlakte bedraagt circa 1.080 m², maximale hoogte bedraagt circa 20 meter.
> char-opslag silo’s:
- 7 silo’s met een hoogte van circa 30 meter.
> afvalwaterbehandelingsgebouw:
- grondoppervlakte bedraagt circa 1.900 m², hoogte bedraagt circa 9,50 meter.
> pompgebouw bluswater:
- grondoppervlakte bedraagt circa 80 m², maximale hoogte bedraagt circa 7 meter.
> bluswatertank:
- inhoud bedraagt circa 3.000.000 liter.
> kleppengebouw:
- grondoppervlakte bedraagt circa 40 m², hoogte bedraagt circa 4 meter.
> koelwaterinstallatie:
- grondoppervlakte bedraagt circa 350 m², hoogte bedraagt circa 13 meter.
* gevelafwerking:
> de gebouwen krijgen een uniform uitzicht door het gebruik van een metalen gevelbekleding in een grijze kleur.
* inrichting:
> een volledig verhard terrein dat bereikbaar is via de huidige hoofd in- en uitgang;
> het hoofdgebouw bevindt zich in het zuidoosten van het terrein;
> de industriële installaties en gebouwen worden met elkaar verbonden door middel van leidingbruggen.
Inhoud van de aanvraag
- bouwen van een fabriek met aanhorigheden;
- bouwen van een hoofdgebouw met ondersteunende functie (kantoor);
- grond gewoonlijk gebruiken voor opslag van materiaal;
- plaatsen van een omheining;
- plaatsen van zaakgebonden publiciteit.
Tijdelijke handelingen tijdens de uitvoeringsfase:
- plaatsen van kantoorgebouw en reftergebouw;
- plaatsen van waterzuiveringsinstallatie;
- grond gewoonlijk gebruiken voor opslag van grond.
Omschrijving ingedeelde inrichtingen of activiteiten
Voorgeschiedenis
Het betreft een nieuwe ingedeelde inrichting of activiteit.
Inhoud van de aanvraag
Het voorwerp van de aanvraag betreft de exploitatie van een nieuwe fabriek, waarin plastic afval omgezet wordt naar circulaire nafta.
Aangevraagde rubrieken
Rubriek | Omschrijving | Gevraagd voor |
2.2.2.a)1° | opslag en mechanische behandeling van inerte afvalstoffen met een opslagcapaciteit van maximaal 1.000 m³; | 150 m³ |
2.2.2.f)2° | opslag en mechanische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen van meer dan 100 ton; | 11.250 ton |
2.2.5.e)3° | opslag en nuttige toepassing - opslag en fysisch-chemische behandeling, al of niet in combinatie met een mechanische behandeling, van andere niet gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 25 ton; | 11.250 ton |
2.2.5.f)2° | opslag en nuttige toepassing - opslag en fysisch-chemische behandeling, al of niet in combinatie met een mechanische behandeling, van andere gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 1 ton; | 14.506,50 ton |
2.3.4.2.d) | opslag en meeverbranding van andere niet-gevaarlijke afvalstoffen; | 750 ton/dag |
2.3.4.2.e) | opslag en meeverbranding van andere gevaarlijke afvalstoffen; | 24 ton/dag |
2.4.1.b) | fysisch-chemische behandeling van gevaarlijke afvalstoffen; | 24 ton/dag |
2.4.2.a) | de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur; | 32 ton/uur |
2.4.2.b) | de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag; | 24 ton/dag |
2.4.3.b)2° | nuttige toepassing of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding; | 750 ton/dag |
2.4.5. | tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen in afwachting van behandeling; | 924 ton |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar; | 1.000 m³/jaar |
3.6.3.3° | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van bedrijfsafvalwater met een effluent van meer dan 50 m³/uur; | 300 m³/uur |
3.8.1°b) | het lozen van bemalingswater, afkomstig van een bemaling ingedeeld in rubriek 53.1, 1°, 53.2 of 53.5. met een geloosd debiet van maximaal 2.500 m³/dag afkomstig van een andere bemaling dan de bemaling vermeld in 1°, a); | 459 m³/dag |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 liter tot en met 50.000 liter uitgezonderd de gezamenlijke opslag van minder dan 5 ton gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige brandstoffen bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt; | 5.000 liter |
7.11.1°a) | de fabricage van organisch-chemische producten, zoals eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische); | 100.706 ton/jaar |
7.13.3° | de productie van organische bulkchemicaliën door kraken, reforming, gedeeltelijke of volledige oxidatieve of vergelijkbare processen, met een productiecapaciteit van meer dan 100 ton per dag; | 480 ton/dag |
12.1.1.3° | inrichtingen die wisselspanning opwekken, met een geïnstalleerd totaal elektrisch schijnbaar vermogen van meer dan 10.000 kVA; | 17.000 kVA |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA; | 43.000 kVA |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; | 28 voertuigen |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW; | 2.814 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1.000 liter tot en met 10.000 liter; | 5.400 liter |
17.1.2.2.3° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 10.000 liter; | 133.580 liter |
17.2.2. | VR-plichtige inrichting waar gevaarlijke producten in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, deel 1 en 2, kolom 3, bij dit besluit, aanwezig zijn, in voorkomend geval gebruikmakend van de sommatieregel, vermeld in noot 4 bij bijlage 5, deel 1 en deel 2 (hogedrempel Seveso-inrichting) | inrichting |
17.3.2.1.1.3° | gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 500 ton; | 924 ton |
17.3.4.2°a) | opslagplaatsen voor bijtende vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS05) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied; | 24,20 ton |
17.3.5.3° | opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 5 ton; | 14.632,50 ton |
17.3.6.3° | opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07, met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer 100 ton; | 947,80 ton |
17.3.7.3° | opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 50 ton; | 15.556,50 ton |
17.3.8.3° | opslagplaatsen voor het aquatisch milieugevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 200 ton; | 15.561,30 ton |
19.3.1°a) | inrichtingen voor het mechanisch behandelen en het vervaardigen van artikelen van hout e.d. andere dan deze bedoeld in rubriek 19.8 met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied; | 100 kW |
24.2. | geïntegreerde, kleine laboratoria gericht op de interne controle van eigen productieprocessen en bijhorende in- en uitgaande stromen of de eigen waterzuiveringsinstallatie, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt; | labo |
29.5.2.1°a) | smederijen en inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, wanneer volledig gelegen in een industriegebied; | 100 kW |
29.5.7.2°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een vlampunt tot en met 55° C met een totaal inhoudsvermogen van de baden en de spoelbaden of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, van 10 liter tot en met 1.000 liter, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied; | 400 liter |
39.1.3° | stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren, met een individuele inhoud van meer dan 5.000 liter; | 60.000 liter |
39.2.1° | stoomvaten, met inbegrip van warmtewisselaars waarvan de primaire ruimte als stoomvat wordt beschouwd, met een individuele inhoud van 300 liter tot en met 5.000 liter; | 3.750 liter |
39.2.2° | stoomvaten, met inbegrip van warmtewisselaars waarvan de primaire ruimte als stoomvat wordt beschouwd, met een individuele inhoud van meer dan 5.000 liter; | 3.743.420 liter |
39.4.1° | warmtewisselaars, andere dan deze vermeld onder rubriek 39.2 en deze voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van 25 liter tot en met 5.000 liter; | 7.500 liter |
39.5.1° | overige stoomtoestellen en stoommachines (zuigermachines, turbines) met een totaal vermogen (het vermogen van de brander valt onder rubriek 43) van 1 tot en met 100 MW; | 17 MW |
43.1.3° | stookinstallaties zonder elektriciteitsproductie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5.000 kW; | 200.000,00 kW |
43.4. | installaties voor het verbranden van brandstof met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of stedelijk afval; | 200 MW |
53.2.1° | bemaling, technisch noodzakelijk voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, met inbegrip van het weer in de ondergrond brengen van bemalingswater en het nuttige gebruik tot maximaal 5.000 m³ bemalingswater per jaar, met een netto opgepompt volume per IIOA van maximaal 30.000 m³; | 24.800 m³ |
61.2.1° | tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem die voldoet aan een toepassing overeenkomstig het Vlarebo met een capaciteit van 1.000 m³ tot en met 10.000 m³. | 5.000 m³ |
Aangevraagde bijstelling bijzondere milieuvoorwaarden in afwijking van algemene of sectorale voorwaarden
Bij te stellen voorwaarde:
Voorgesteld alternatief/aanvulling:
Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing.
Conform artikel 24 en 42 van het Omgevingsvergunningsdecreet heeft het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar de bevoegdheid advies uit te brengen voor de vergunningsaanvragen op haar grondgebied waarvoor de deputatie, de Vlaamse regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de bevoegde overheid is, tenzij:
Het college heeft op 17 november 2017 (jaarnummer 2017_CBS_08858) beslist om de adviesbevoegdheid op te nemen.
Adviezen
Externe adviezen
Adviesinstantie | Datum advies gevraagd | Datum advies ontvangen | Advies |
Aquafin | 7 oktober 2025 | 10 oktober 2025 | Geen advies |
Haven van Antwerpen-Brugge, subadvies milieu | 7 oktober 2025 | 4 november 2025 | Voorwaardelijk gunstig |
Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) - Advies grondwater Antwerpen | 7 oktober 2025 | 5 november 2025 | Geen advies |
Water-link | 7 oktober 2025 | Geen advies ontvangen bij opmaak van dit verslag |
|
Interne adviezen
Adviesinstantie | Datum advies gevraagd | Datum advies |
Stadsontwikkeling/ Mobiliteit | 10 oktober 2025 | 12 november 2025 |
Stadsontwikkeling/ Onroerend Erfgoed/ Archeologie | 10 oktober 2025 | 21 oktober 2025 |
Stadsontwikkeling/ Publieke Ruimte | 7 oktober 2025 | 10 oktober 2025 |
Toetsing regelgeving en beleidsrichtlijnen
Plannen van aanleg, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingen
Het goed is gelegen in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) Afbakening zeehavengebied Antwerpen (Besluit van de Vlaamse regering van 30 april 2013), binnen de afbakeningslijn.
De gebieden binnen de afbakeningslijn behoren tot het zeehavengebied Antwerpen.
Met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgelegd, blijven de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing.
Het goed is volgens voornoemd gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bestemd als Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven.
Zulk gebied is bestemd om te functioneren als Vlaams havengebied als onderdeel van de haven van Antwerpen. Het is bestemd voor zeehavengebonden en zeehavengerelateerde industriële en logistieke activiteiten en distributie-, opslag- en overslagactiviteiten die gebruikmaken van en aangewezen zijn op de zeehaveninfrastructuur.
Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming en voor de exploitatie van de haven en de bedrijven zijn toegelaten.
Daartoe worden ook de volgende werken, handelingen, voorzieningen, en wijzigingen gerekend:
- de aanleg en het onderhoud van infrastructuur die nodig is voor de toegankelijkheid of voor verbindingen langs de waterzijde en langs de landszijde;
- het laguneren of op een andere wijze bergen of verwerken van baggerspecie.
Daarnaast is de ontwikkeling, het herstel en de instandhouding van tijdelijke ecologische infrastructuur toegelaten.
In het gebied zijn eveneens gebouwen of lokalen voor bewakingspersoneel toegelaten.
In het gebied zijn kantoorgebouwen niet toegelaten, tenzij ze noodzakelijk zijn voor en een inherent onderdeel zijn van de exploitatie van haven- en industriële activiteiten. De bestaande kantoorgebouwen kunnen behouden blijven binnen het bestaande bouwvolume op het moment van definitieve vaststelling van dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Uitbreidingen zijn niet toegelaten.
Over het goed loopt een overdruk met als aanduiding Leidingstraat. In het gebied, aangeduid met deze overdruk, zijn alle handelingen toegelaten voor de aanleg, de exploitatie en wijzigingen van transportleidingen en hun aanhorigheden. Nieuwe leidingen worden gerealiseerd in functie van het optimaal ruimtegebruik van de leidingstraat. De aanvragen voor vergunningen voor een transportleiding en aanhorigheden worden beoordeeld rekening houdend met de in grondkleur aangegeven bestemming. De in grondkleur aangegeven bestemming is van toepassing voor zover de aanleg, de exploitatie en wijzigingen van de leidingen en hun aanhorigheden niet in het gedrang worden gebracht.
De aanvraag dient beoordeeld te worden aan de hand van de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
De aanvraag is in overeenstemming met de bestemming en de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.
Voor een straal van 500 meter rond de aanvraag is het voormelde GRUP tevens van toepassing. Binnen deze zone geldt voornamelijk het bestemmingsvoorschrift Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven en – voor het Kanaaldok B1 en Duwvaart Schuildok – Gebied voor waterweginfrastructuur. De Noorderlaan langs de oostzijde van de aanvraag heeft als bestemming Gebied voor verkeers- en vervoersinfrastructuur. Voor de spoorwegen ten oosten van de Noorderlaan geldt het bestemmingsvoorschrift Gebied voor spoorinfrastructuur. Langs deze bestemming geldt het bestemmingsvoorschrift Zone voor permanente ecologische infrastructuur ‘met medegebruik’. Op circa 280 meter ten oosten van de aanvraag, buiten de afbakening van het zeehavengebied, geldt voor de Kuifeend het bestemmingsvoorschrift Natuurgebied met als overdruk Grote Eenheid Natuur (GEN).
Gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen
Hemelwater: het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.
De verordening hemelwater is niet van toepassing op delen van de aanvraag waarvan het hemelwater als potentieel verontreinigd moet worden beschouwd. Deze delen betreffen de volgende:
- opslagzone plastic balen;
- tankpark;
- vrachtwagenparking;
- procesinstallatie;
- zone transformatoren.
Voor wat betreft de tijdelijke gebouwen (kantoor en refter), wordt bovengrondse hemelwateropvang (10.000 liter en 15.000 liter) geplaatst waarbij het hemelwater wordt hergebruikt als sanitair spoelwater. Volgens toegevoegde berekeningen (met Groenblauwpeil) is de vraag naar sanitair spoelwater zodanig groot dat het opgevangen hemelwater in de putten volledig zal gebruikt worden. De aanvraag voorziet dan ook niet in de aanleg van een infiltratievoorziening voor deze tijdelijke gebouwen. Hierbij wordt wel opgemerkt dat de tool Groenblauwpeil niet geschikt lijkt voor deze berekening, gezien deze geen berekening maakt voor grotere putten dan 15.000 liter. Gezien de totale dakoppervlakte van de tijdelijke gebouwen (590 m²), en de ingeschatte verbruiksmogelijkheden, is het aangewezen alsnog grotere opvangtanks te kiezen en/of een meer gedetailleerde berekening te maken.
Voor wat betreft de tijdelijke gebouwen (kantoor en refter), wordt bovengrondse hemelwateropvang geplaatst waarbij het hemelwater wordt hergebruikt als sanitair spoelwater. Volgens toegevoegde berekeningen, is de vraag naar sanitair spoelwater zodanig groot dat het opgevangen hemelwater volledig zal gebruikt worden. De aanvraag voorziet dan ook niet in de aanleg van een infiltratievoorziening voor deze tijdelijke gebouwen.
Toegankelijkheid: het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid (verder genoemd verordening toegankelijkheid).
De verordening toegankelijkheid is van toepassing op de aanvraag. De publieke delen van het hoofdgebouw zijn voorzien als integraal toegankelijk. Overige gebouwen en delen van de site zijn enkel toegankelijk voor bevoegden en dienen niet te voldoen aan de verordening.
Publiciteit: het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening voor publiciteitsinrichtingen.
De verordening publiciteit is van toepassing op de aanvraag. De aanvraag betreft zaakgebonden publiciteit die evenwijdig met de gevel van het hoofdgebouw (2 logo’s) en char-opslaggebouw geplaatst wordt. De publiciteit wordt niet verlicht.
De plaatsing en afmetingen van de aangevraagde publiciteit zijn in overeenstemming met de bepalingen van de verordening publiciteit.
Overige regelgeving
Archeologienota: overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 moet aan bepaalde aanvragen een archeologienota worden toegevoegd waarvan akte werd genomen.
In voorliggende aanvraag, die niet door een publiekrechtelijke instantie is ingediend, bedraagt de ingreep in de bodem meer dan 5.000 m², is het project gelegen in industriegebied, buiten beschermde archeologische sites en buiten geïnventariseerde archeologische zones, waardoor de aanvrager verplicht is een archeologienota toe te voegen aan de aanvraag. Deze nota maakt deel uit van het aanvraagdossier. De nota toont gemotiveerd aan dat er geen verder archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Op 10 mei 2025 heeft het agentschap Onroerend Erfgoed akte genomen (https://loket.onroerenderfgoed.be/archeologie/notas/notas/33129). Er werd geen programma van maatregelen opgemaakt.
Hierbij wordt wel opgemerkt dat de uitgravingsdiepte voor de bemaling, zoals vermeld in het project-MER, niet overeenstemt met de werken zoals omschreven in de archeologienota.
Omgevingstoets
Toetsing van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening
Functionele inpasbaarheid
Voorliggende aanvraag betreft de bouw van een nieuwe fabriek voor het omzetten van gemengd koolstofhoudend afval (plastic) naar koolwaterstoffen (nafta) aan de hand van een thermisch conversieproces (TCP). De zo geproduceerde nafta kan dan op zijn beurt weer dienen als basis voor nieuwe plastics of als hoogcalorische brandstof.
De fabriek wordt gebouwd op een industrieterrein dat momenteel gebruikt wordt voor de overslag van containers, gelegen tussen het Kanaaldok B1 en de gewestweg Noorderlaan. De huidige concessionaris wenst zijn activiteiten stop te zetten waardoor het terrein herontwikkeld kan worden. De bestaande bebouwing en verharding wordt verwijderd en het terrein wordt bouwrijp gemaakt voor de nieuwe invulling. Deze afbraakwerken werden reeds vergund op 22 augustus 2025. Voorliggende aanvraag betreft dus enkel de nieuwe fabriek met aanhorigheden.
De aanvraag bestaat uit de fabriek (procesinstallatie) met aanhorige gebouwen en constructies die onderling met elkaar verbonden worden door middel van leidingbruggen. In het zuidoosten van het terrein wordt het hoofdgebouw voorzien met twee bouwlagen. Op de gelijkvloerse verdieping is er een mix van industriële en ondersteunende functies: labo, motor control center, kantoren, serverruimte en sanitaire voorzieningen. De eerste verdieping is ingericht met kantoren, kleedruimten, sanitair, refter, … . Het hoofdgebouw is ondersteunend aan de industriële activiteiten en dient te worden beschouwd als een nevenfunctie van een groter geheel.
Het plastic afval dat verwerkt wordt in de fabriek wordt voornamelijk in gewikkelde balen aangeleverd via binnenschip. Een beperkte hoeveelheid wordt aangeleverd per vrachtwagen.
De eindproducten worden via tanklichters en vrachtwagens afgevoerd. Voor het beladen van de tanklichters worden 4 laadarmen geplaatst op de kaaimuur langs het Kanaaldok B1.
Tijdens de uitvoering van de werken worden twee tijdelijke gebouwen geplaatst. Het betreft een reftergebouw met twee bouwlagen. De gelijkvloerse verdieping is ingericht met een refter en keuken. De eerste verdieping, die bereikbaar is via twee buitentrappen, is ingericht met sanitair, EHBO-ruimte en kleedkamers.
Het tweede tijdelijke gebouw betreft een kantoorgebouw waarin de douane, beveiligsdienst en ontvangstruimte voor aannemers en leveranciers voorzien wordt. Daarnaast wordt tevens een tijdelijke grondopslag en waterzuiveringsinstallatie aangevraagd. Deze handelingen worden stopgezet en verwijderd na einde van de werken.
Het volledige terrein wordt verhard en afgesloten met een omheining met een hoogte van 3,35 meter.
Door een in onbruik geraakt terrein terug vrij te geven, kan dit herontwikkeld worden volgens de bestemming die van toepassing is op dit gebied en kan het aansnijden van nieuwe ruimte vermeden worden. De aanvraag is bijgevolg functioneel inpasbaar.
Schaal - ruimtegebruik - bouwdichtheid
De aangevraagde handelingen worden ingeplant binnen de grenzen van een bestaand industrieterrein waardoor geen extra ruimte wordt ingenomen. Echter wordt de volledige beschikbare ruimte (circa 8 hectare) verhard, zonder enige groenzone. Verharding dient steeds beperkt te worden tot het strikt functioneel noodzakelijke, zowel in kader van zuinig en duurzaam ruimtegebruik, alsook omwille van klimaatbestendigheid (impact op waterhuishouding en hittestress, alsook biodiversiteit). Niet-functionele verharding dient uitgesloten te worden van vergunning. Dit wordt geadviseerd als voorwaarde. Op basis van het huidige plan lijkt een ontharding van 10 à 20% makkelijk haalbaar door het schrappen van de niet-functionele verharding.
Daarnaast dient het type verharding (en bijhorende waterdoorlatendheid) gekozen te worden in functie van het gebruik van de verharding. Het is onduidelijk waarom bijvoorbeeld de parking voor personenwagens in (niet-waterdoorlatende) asfalt voorzien werd. Het is aangewezen deze keuzes te heroverwegen of te motiveren. Verschillende verhardingen, aangepast aan het gebruik van de zone, kunnen ook de leesbaarheid van de site verbeteren.
Visueel-vormelijke elementen
De gebruikte materialen (voornamelijk metalen beplating in een grijze kleur, betonnen plinten en aluminium schrijnwerk) zijn typerend voor deze industriële omgeving. Het uitzicht is neutraal en aanvaardbaar binnen deze omgeving.
De aanvraag omvat eveneens een aanvraag tot afwijking van de verplichting uit VLAREM II tot het voorzien van een groenscherm van 5 meter rondom de exploitatie. In een industriële omgeving is een (volwaardige) visuele buffer minder noodzakelijk. Gelet op de eerdere opmerking omtrent het uitsluiten van niet-functionele verharding, is het aangewezen de zones die hierdoor vrijkomen in te richten als groenzones, met streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. Zo kan mogelijk alsnog een (eventueel smallere) buffer langsheen de straat bekomen worden voor een betere landschappelijke inpassing, gezien de nabijheid van natuurgebied aan de overzijde van de Noorderlaan.
Hinderaspecten – gezondheid – gebruiksgenot – veiligheid in het algemeen
De vergunningverlenende overheid heeft het advies ingewonnen van de Brandweer zone Antwerpen. Op moment van opmaak van dit verslag was dit advies nog niet verleend. Ook het college hecht belang aan dit advies.
Dwars onder het terrein lopen verschillende persleidingen met water van het Verlegde Schijn. Advies werd gevraagd aan de dienst Stadsontwikkeling/Publieke Ruimte van de stad Antwerpen. Terwijl zij over de sloopaanvraag met referentie OMV_2025063892 een voorwaardelijk gunstig advies hebben uitgebracht, uiten zij nu geen bezwaar. Idem voor Aquafin en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). Gezien het belang van deze persleidingen voor de waterafvoer van het Verlegde Schijn, worden de voorwaarden uit de sloopvergunning hernomen:
Wegens de nabijheid van een waterleiding werd advies gevraagd aan Water-link. Zij hebben echter geen tijdig advies uitgebracht. De aanvrager is wettelijk verplicht om voor de start van de werken een klip-melding uit te voeren.
Mobiliteitsimpact (onder andere toetsing parkeerbehoefte)
De aanvraag genereert nieuwe verkeersbewegingen en parkeerbehoefte. Er werd advies gevraagd aan de dienst mobiliteit van de stad Antwerpen. Zij brachten volgende advies uit:
Werkelijke parkeerbehoefte
Het project-MER geeft de mobiliteitsbehoefte voor het project weer. De werkelijke parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de maximaal gelijktijdig aanwezige personeelsleden op de site. Dit aantal wordt door de aanvrager ingeschat op 30, waarvan 90% met de wagen naar het werk komt. Verder in het project-MER is er ook sprake van 108 mensen per dag in een tweeshiftensysteem. Het is onduidelijk hoe dit zich vertaald naar maximaal 30 gelijktijdig aanwezigen, ook gezien tabel III-11 in het project-MER spreekt van 70 werknemers in de dagshift (en 13 in de nachtshift).
Uitgaande van de cijfers uit het project-MER, wordt de parkeerbehoefte voor de eigen werknemers ingeschat op 75, rekening houdend met de shiftwissel. Als hierbij nog een restcapaciteit van 10% voor bezoekers wordt bijgeteld, levert dit een totale parkeerbehoefte van 82 op.
De ambitie van de Vervoerregio Antwerpen en stad Antwerpen is om in 2030 een modal split te bereiken waarbij nog slechts 50% van de verplaatsingen met de wagen gebeurt. Als het bedrijf bijkomend inzet op deze modal shift door haar werknemers actief te sensibiliseren, kan het aandeel van het personeel dat op duurzame wijze naar het werk komt significant verhogen en kan de werkelijke parkeerbehoefte naar onder bijgesteld worden. Dit wordt ook aanbevolen in het project-MER. Het is wenselijk bijkomende maatregelen te nemen om het eigen personeel aan te zetten tot gebruik van duurzame mobiliteitsalternatieven.
Nuttige parkeerplaatsen
Op het inplantingsplan worden 71 parkeerplaatsen voor auto’s voorzien, waarvan 5 toegankelijke parkeerplaatsen. Hiervan bevinden zich 64 parkeerplaatsen aan het hoofdgebouw en 7 ter hoogte van het char-opslaggebouw. Deze parkeervakken voldoen aan de gebruikelijke normen en afmetingen. Het aantal voorziene parkeerplaatsen ligt lager dan de ingeschatte parkeerbehoefte. Parkeren dient steeds op eigen terrein te gebeuren. Dit wordt opgelegd als voorwaarde.
Ontsluiting/bereikbaarheid
Voor voetgangers worden over de hele site markeringen (looplijnen en zebrapadmarkeringen) voorzien om af te bakenen waar voetgangers zich op de site begeven en om bestuurders te duiden op hun mogelijke aanwezigheid op de site.
Gemotoriseerde verkeer (vrachtwagens en personenwagens) rijdt eerst via de ingang van kaai 518 om dan via de toegangspoort in het noordoosten de hoofdtoegang van de projectsite te bereiken. Nabij deze inrit ligt ook het hoofdgebouw met kantoorruimtes, controlekamers en laboratorium. Voor het personenverkeer zijn er rond het hoofdgebouw parkeerplaatsen voorzien. De hoofduitgang bevindt zich in het noorden van de site. Bij deze uitgang is er ook een tourniquet voorzien voor toegang voor voetgangers en voor fietsers.
In het noordwesten is een extra nooduitrit en in het zuidoosten een extra noodinrit voorzien. Zo hebben de hulpdiensten verschillende in- en uitritten om de veiligheid op de site te allen tijde te kunnen garanderen.
Vandaag wordt het projectgebied ingenomen door het containerbedrijf Euroports. In het project-MER wordt gesteld dat de toekomstige verkeersgeneratie op het vlak van zwaar verkeer (ingeschat op 64 vrachtwagens/dag) lager ligt dan in de huidige situatie. Het is onduidelijk of de gehanteerde cijfers voor de huidige situatie enkel betrekking hebben op de projectsite (circa 8 ha) of op de gehele site van Euroports aan de Muisbroeklaan, dewelke circa 20,5 ha betreft. Er zullen zich wel meer bewegingen van personenvoertuigen voordoen (ingeschat op 97 auto’s/dag). Gezien de cijfers voor vrachtverkeer lager liggen dan in de huidige situatie en de beperkte toename aan personenverkeer, wordt in het project-MER geconcludeerd dat er geen problemen verwacht worden op vlak van doorstroming of verkeersveiligheid. Het is onzeker of deze conclusie zonder verdere onderbouwing gemaakt kan worden.
Fietsvoorzieningen
Er wordt een overdekte en afgesloten fietsenstalling voorzien met plaats voor 20 fietsen en oplaadmogelijkheid voor elektrische fietsen. De fietsenstalling is gelokaliseerd nabij de inkom voor voetgangers, maar ligt verder verwijderd van het hoofdgebouw dan alle autoparkeerplaatsen. De fietsenstalling dient dichter tegen de ingang van het hoofdgebouw voorzien te worden. Dit wordt meegegeven als aanbeveling om het fietsgebruik te stimuleren in het kader van de gewenste modal shift.
Het lijkt erop dat fietsers de site dienen te betreden via de tourniquet nabij de ingang. Dit is geen gebruiksvriendelijke fietsingang. Het is aangewezen een vlotter toegankelijke ingang voor fietsers te voorzien.
Er dienen fietssymbolen aangebracht te worden tussen het fietspad op de openbare weg en de fietsenstalling om te duiden op de aanwezigheid van fietsers. Dit wordt meegegeven als aanbeveling. Het is aan de exploitant zelf om te zorgen voor een veilige, interne organisatie van de verschillende verkeersstromen op de eigen site.
Laden en lossen
Op de site zijn 5 parkings voorzien voor vrachtwagens. Één parking bevindt zich in het noordwesten van de site. De overige vier parkings zijn gegroepeerd en bevinden zich aan het voorbehandelingsgebouw. Laden en lossen en het opstellen van wachtende vrachtwagens dient steeds op eigen terrein afgehandeld te worden.
Toetsing van aanvaardbaarheid van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten op het vlak van hinder en risico's voor de mens en het milieu
Voorliggende aanvraag betreft de bouw en exploitatie van een nieuwe fabriek voor het omzetten van gemengd koolstofhoudend afval (plastic) naar koolwaterstoffen (nafta) aan de hand van een thermisch conversieproces (TCP). De zo geproduceerde nafta kan dan op zijn beurt weer dienen als basis voor nieuwe plastics of als hoogcalorische brandstof.
Voor voorliggend dossier werd ook een project-MER opgemaakt. Hiervoor werd door het college reeds een advies uitgebracht.
Het thermische conversieproces bestaat uit 5 stappen, zijnde afvalvoorbehandeling, hydrolyse, fasescheiding, thermisch kraken van plastics en fractionering van koolwaterstoffen. De geplande fabriek zal een verwerkingscapaciteit van 1.500 ton plastic afval en een productiecapaciteit van circa 610 ton circulaire nafta per dag hebben. In een eerste fase wordt de fabriek geëxploiteerd voor de verwerking van maximaal 750 ton plastic afval per dag, in een tweede fase wordt deze capaciteit verdubbeld.
De fabriek is specifiek gericht op plastic fracties die niet geschikt zijn voor mechanische recyclage. In de voorbehandelingsstap worden deze afvalstoffen ontdaan van inert materiaal en metaal. Als tweede stap worden de fracties verkleind in een schredder en granulator en gemengd met een vaste minerale stof en leidingwater om transport naar de volgende stap (hydrolyse) mogelijk te maken.
Met hogedrukpastapompen worden de verkleinde fracties doorheen de hydrolysereactor gepompt. Hierbij worden de verontreinigingen onder hoge druk met stoom uit het mengsel gehaald zodat er enkel polyolefinen achterblijven, als voeding voor de kraker. Het vervuilde water wordt afgevoerd naar de waterzuivering, de minerale vaste stof wordt hergebruikt in het proces. De polyolefinen worden mechanisch gedroogd en naar de kraker gestuurd, waar ze verhit worden tot 450 à 550°C waardoor de polymeerketens breken in kleinere gasmoleculen. Die worden tot slot naar de quench kolom geleid voor afkoeling en scheiding in verschillende fracties. Afhankelijk van de input kan de onderlinge verhouding variëren, gemiddeld geeft dit voor elke ton gemengd plastic afval het volgende:
Qua emissies naar de lucht is de belangrijkste factor de schoorsteen (60 meter hoog) van de gasgestookte stoomketel, waarin de niet-condenseerbare gassen en procesdampen mee worden verbrand met aardgas. Er wordt hier een deNOx-installatie (SNCR) voorzien om de stikstofuitstoot te milderen. De aanvrager haalt aan dat er bij de keuze tussen de SCR of SNCR rekening gehouden werd met de BBT-leidraad voor NOx-verwijdering die een waarde van 5 à 20 euro/kg verwijderde NOx vooropstelt. Er werd een kostenbatenevaluatie toegevoegd aan de aanvraag.
De aanvrager verklaart inzake de mogelijkheid dat er PFAS zou zitten in de luchtstroom, dat er daar weinig aanwijzingen voor zouden zijn. De inputstromen betreffen namelijk zogenaamde ‘post customer plastics’, dit wil zeggen plastic afvalverpakkingen afkomstig van humane consumptie. Bij dergelijke producten wordt niet verwacht dat er PFAS en andere zeer zorgwekkende stoffen in verwerkt zitten. Op basis van de samenstelling van de brandstofstromen zijn er ook geen verbindingen die hiervoor verantwoordelijk kunnen zijn. De aanvrager stelt echter zelf dat, om hier een sluitend antwoord op te krijgen, wordt voorgesteld om een meting aan de schouw tijdens exploitatie uit te voeren. Deze meting dient dan best periodiek herhaald te worden. Dit wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde.
Er wordt een lozing van huishoudelijk afvalwater aangevraagd via IBA voor een debiet van 1.000 m³ per jaar. Er wordt een lozing van bedrijfsafvalwater aangevraagd van maximum 300 m³ per uur. Het bedrijfsafvalwater ontstaat uit verschillende stappen van het productieproces. Een eerste bron is het hydrolyseproces, waarbij kunststofafval onder hoge temperatuur en druk chemisch wordt afgebroken. De aanwezige organische polluenten in deze waterstroom zullen dus typisch kleinere moleculen zijn van de groepen van de ketonen, alcoholen, carbonzuren, amines en amides naast een zoutfractie. Verder moet het eindproduct van het proces maximaal ontwaterd worden. Doorheen het proces zijn er dus ontwateringstrappen die licht verontreinigd zijn met koolwaterstoffen. Als laatste is er ook nog de spui van het koelwatersysteem en het potentieel verontreinigd hemelwater.
Er wordt een jaarlijks verbruik van leidingwater verwacht van 1.395.000 m³. Hier staat tegenover dat er jaarlijks circa 26.100 m³ hemelwater per jaar wordt opgevangen en hergebruikt. Hoewel het bedrijf maximaal inzet op hemelwatergebruik is er dus toch nog een zeer groot waterverbruik. Het bedrijf dient op regelmatige basis te onderzoeken of andere bronnen dan leidingwater kunnen gebruikt worden binnen de eigen processen.
Het afvalwater wordt geloosd in het Kanaaldok B1. Het bedrijfsafvalwater ondergaat een uitgebreide zuivering (waaronder flotatie, twee stappen aerobe biologische zuivering, elektro-ozonisatie, en actiefkoolfiltratie) voordat het geloosd wordt. Er wordt ook gesteld dat mogelijk nitrificatie-denitrificatie nodig zal zijn om de stikstofnorm te halen. Voor de stad is het onduidelijk waarom deze stap dan niet voorzien is in het huidige ontwerp. Het lijkt aangewezen dit al te voorzien in het ontwerp.
Volgende bijzondere lozingsnormen worden eveneens aangevraagd:
parameter | eenheid | voorgestelde norm | type norm |
CZV (chemisch zuurstofverbruik) | mg O₂/l | 30 | 90-percentiel (aanvullend op max. 100 mg O₂/l) / BREF CWW |
BZV(biologisch zuurstofverbruik) | mg O₂/l | 6,7 | 90-percentiel (aanvullend op max. 25 mg O₂/l) / Algemene norm |
Zs (zwevende stoffen) | mg/l | 35 | Maximum / BREF CWW |
Pt (totaal fosfor) | mg/l | 0,11 | Zomerhalfjaargemiddelde (aanvullend op max. 2 mg/l) / Conventionele norm |
Nt (totaal stikstof) | mg/l | 2,9 | Zomerhalfjaargemiddelde (aanvullend op max. 10 mg/l) / Vooropgesteld door ontwerper WZI |
Ast (totaal arseen) | µg/l | 15 | Jaargemiddelde (aanvullend op max. 50 µg/l) / 10 x Indelingscriterium (IC) |
Nit (totaal nikkel) | µg/l | 50 | Maximum / BREF CWW |
Znt (totaal zink) | µg/l | 300 | Maximum / Geen BREF-norm van toepassing |
Cn-t (cyanide) | µg/l | 122 | Maximum (verstrengd t.o.v. max. 150 µg/l) |
Fenol | µg/l | 30 | Maximum / BREF CWW |
AOX | mg/l | 0,4 (of 400 µg/l) | Jaargemiddelde (aanvullend op max. 1 mg/l) / BREF CWW |
De exploitant stelt dat de lozingsnormen zijn gebaseerd op theoretische inschattingen en dat strikte postmonitoring dus vereist is gedurende de eerste twee jaar na opstart. Zo kan dan de feitelijke samenstelling en het debiet bepaald worden, waarna de lozingsvergunning kan worden bijgesteld naar meer accurate normen. De stad stelt voor deze zelf voorgestelde beperking voor 2 jaar op te leggen als bijzondere voorwaarde in de vergunning. Ook de Haven van Antwerpen-Brugge stelt in haar subadvies voor deze beperking van 2 jaar in combinatie met uitgebreide postmonitoring uit te voeren.
De SynPet Circularity Plant richt zich specifiek op plastic fracties die niet geschikt zijn voor mechanische recyclage. Het gaat om reststromen (residu’s) die overblijven na het sorteren en/of recycleren van plastic verpakkingsafval of andere plastic-afvalstromen. De belangrijkste beoogde output is circulaire nafta. Deze circulaire nafta kan fossiele olieproducten vervangen bij de productie van nieuwe kunststoffen. Chemische recycling wordt binnen het ‘Uitvoeringsplan kunststoffen 2020-2025’ gepositioneerd boven compostering, verbranding met energierecuperatie en de productie van brandstoffen, omdat het waardevolle basischemicaliën terugwint. Het project draagt dus ook onrechtstreeks bij aan het verminderen van de broeikasgasemissies door het verminderen van emissies die vrijkomen bij de verbranding van kunststofafval en het vermijden van emissies bij de primaire productie van nieuwe kunststoffen door fossiele olieproducten te vervangen door circulaire nafta. Het project draagt actief bij aan klimaatmitigatie door zijn circulaire karakter, waarbij SynPet een schakel vormt in de recyclage van kunststofafval en zo de materiaalkringloop tot stand brengt. Dit kadert volledig in de doelstellingen van zowel stad Antwerpen als het Havenbedrijf om circulaire productie in gang te zetten.
Er kan wel de noot gemaakt worden dat voorliggend project zich niet richt op de meest geprefereerde manier van recyclage. Het Uitvoeringsplan Kunststoffen 2020-2025 deelt het niveau 'recyclage' verder op. Hierbij wordt het terugwinnen van basischemicaliën voor de productie van polymeren (chemische recycling, zoals toegepast door SynPet) beschouwd als de minst geprefereerde vorm van kunststofrecyclage. Echter, deze chemische recycling wordt in de prioriteitsvolgorde duidelijk boven compostering, verbranding met energierecuperatie, en storten geplaatst. En SynPet richt zich voornamelijk op fracties die in één van deze categorieën belanden. Het is momenteel echter onduidelijk hoe het bedrijf kan garanderen dat het aangeleverde materiaal effectief onder desbetreffende categorie valt. Dit zou nog verduidelijkt moeten worden.
Huidige aanvraag betreft ook een zogenaamde hogedrempel Seveso-inrichting. Dit omdat de hoeveelheden aan gevaarlijke stoffen uit de categorie P5a (ontvlambare vloeistoffen) die op het terrein van de inrichting aanwezig zijn, de overeenkomstige hogedrempel-waarde (50 ton) overschrijdt. Om deze reden is de exploitant verplicht om een omgevingsveiligheidsrapport (OVR) op te maken. Uit dit rapport blijkt dat het plaatsgebonden externe mensrisico in gebieden met woonfunctie en kwetsbare locaties wordt gehaald. Echter werd het criterium ter hoogte van de terreingrens overschreden. De zone van overschrijding omsluit een klein deel van het Kanaaldok B1 en het Schuildok voor de binnenvaart en de duwvaart. Aangezien er binnen de zone van overschrijding geen personen frequent en/of langdurig aanwezig zijn, wordt de overschrijding van het 10-5/jaar-criterium door de exploitant niet als problematisch ervaren.
De exploitatie wordt eveneens beschouwd als een GPBV-bedrijf (Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging). Als GPBV-bedrijf moet de inrichting aan strikte eisen voldoen, met name op het gebied van monitoring en Best Beschikbare Technieken (BBT). Een BBT-aftoetsing werd toegevoegd aan het project-MER, het werd niet nog eens afzonderlijk besproken.
Voorliggende exploitatie betreft een zogenaamde broeikasgasinrichting (BKG-inrichting). Dit wil zeggen dat men onder het zogenaamde emissiehandelsysteem valt, omwille van de hoge CO2-uitstoot, die wordt geschat op 160.722 ton per jaar. Dergelijke inrichtingen hebben verplichtingen rond het continu verminderen van de uitstoot. De exploitant heeft een voorstel van initieel monitoringplan ingediend bij het Verificatiebureau Benchmarking Vlaanderen (VBBV). Na verificatie door en advies aan het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap (VEKA) vanwege het VBBV, heeft het VEKA dit monitoringplan goedgekeurd. Men moet nu op basis van dit goedgekeurd monitoringplan over elk jaar een geverifieerd emissiejaarrapport indienen bij het VEKA.
Volgens artikel 5.2.1.5. §5 van het VLAREM dient er een groenscherm aangelegd te worden van 5 meter breed. De aanvrager vraagt hier een afwijking op aan. Hij stelt dat de omgeving bestaat uit andere industriële bedrijven en er geen woningen in de directe nabijheid zijn. De functionaliteit van het groenscherm om visuele hinder te voorkomen is volgens hen dus niet zinvol. De aanlevering van kunststofafval gebeurt uitsluitend in afgesloten balen. Hierbij wordt de verspreiding van stof en andere eventuele overlast voorkomen. De beschikbare operationele ruimte is noodzakelijk voor de goede en efficiënte werking van het bedrijf. Het college volgt deze visie en kan akkoord gaan met deze afwijkingsaanvraag.
Verder wordt er ook nog een bijstelling gevraagd van artikel 5.2.1.2 dat stelt dat de aan- of afvoer van de afvalstoffen niet voor 7 uur en na 19 uur mag plaatsvinden. De exploitant vraagt dat de aan- en afvoer van de afvalstoffen continu kan plaatsvinden. Deze bijstelling kan gunstig geadviseerd worden, omwille van de specifieke ligging binnen havengebied wordt er geen hinder verwacht.
Voor de aanlegfase wordt er ook een bemaling aangevraagd, met een lozing van maximaal 459 m³/dag en een duurtijd van 49 dagen (gespannen aquifer) en 301 dagen (freatische) aquifer. In totaal zal er zo 24.800 m³ opgepompt worden. Verder vraagt de exploitant hier ook een bijstelling aan van de lozingsnormen. Er wordt een verhoogde lozingsnorm voor PFAS van 100 ng/l (5x rapportagegrens) aangevraagd. Voor de parameters arseen, nikkel, lood en zink wordt 10x het indelingscriterium aangevraagd. Voor de parameters chloride, sulfaat en orthofosfaat wordt 10x de milieukwaliteitsnorm aangevraagd. Voor de parameter cadmium wordt 1x het indelingscriterium aangevraagd. En voor de parameter minerale olie wordt de standaard lozingsnorm aangevraagd volgens de standaard procedure bodemsaneringsproject. De Haven van Antwerpen-Brugge vraagt in haar subadvies om de PFAS-norm verder aan te scherpen. Het is echter onduidelijk welke norm dan gewenst is voor het Havenbedrijf. Omwille van de beperkte duurtijd en lage debiet (klasse 3) lijkt het gevraagde niet buiten proportie. Uiteraard wenst de stad wel te benadrukken dat een zuivering tot aan de rapportagegrens zoveel als mogelijk nagestreefd dient te worden.
Advies van het college
Gunstig advies te verlenen voor de aanvraag tot omgevingsvergunning onder voorwaarden en voor zover het advies van de Brandweer zone Antwerpen gunstig is of voorwaardelijk gunstig met uitvoerbare voorwaarden.
Dit advies werd opgemaakt op basis van PIV 6.
Geadviseerde stedenbouwkundige voorwaarden
1. De ondergrondse drukleidingen voor de waterafvoer van het Verlegde Schijn dienen gevrijwaard te blijven;
2. De zone boven de leidingen van de Voorgracht moet te allen tijde vrij gehouden worden, zodat ze bereikbaar blijft tijdens de werken. Ook het kleppenlokaal bovenop de buizen ligt op het terrein en moet te allen tijde toegankelijk blijven voor VMM die verantwoordelijk is voor het beheer van de leidingen. Voor de toekomstige ontwikkelingen moet er ook mee rekening gehouden worden dat er minstens 5 meter ten opzichte van het opwaarts waterloopprofiel vrijgehouden moet worden voor onderhoud en beheer van de waterloop;
3. De aanvrager brengt de buitendienst van VMM minstens 10 dagen op voorhand op de hoogte van de aanvang van de werken.
4. Niet-functionele verharding dient uitgesloten te worden van vergunning.
5. De mobiliteitsimpact van het project dient verduidelijkt te worden.
6. Parkeren, evenals wachten en laden/lossen, dient steeds op het eigen terrein te gebeuren.
Geadviseerde rubrieken
Rubriek | Omschrijving | Geadviseerd voor |
2.2.2.a)1° | opslag en mechanische behandeling van inerte afvalstoffen met een opslagcapaciteit van maximaal 1.000 m³; | 150 m³ |
2.2.2.f)2° | opslag en mechanische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen van meer dan 100 ton; | 11.250 ton |
2.2.5.e)3° | opslag en nuttige toepassing - opslag en fysisch-chemische behandeling, al of niet in combinatie met een mechanische behandeling, van andere niet gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 25 ton; | 11.250 ton |
2.2.5.f)2° | opslag en nuttige toepassing - opslag en fysisch-chemische behandeling, al of niet in combinatie met een mechanische behandeling, van andere gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 1 ton; | 14.506,50 ton |
2.3.4.2.d) | opslag en meeverbranding van andere niet-gevaarlijke afvalstoffen; | 750 ton/dag |
2.3.4.2.e) | opslag en meeverbranding van andere gevaarlijke afvalstoffen; | 24 ton/dag |
2.4.1.b) | fysisch-chemische behandeling van gevaarlijke afvalstoffen; | 24 ton/dag |
2.4.2.a) | de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur; | 32 ton/uur |
2.4.2.b) | de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag; | 24 ton/dag |
2.4.3.b)2° | nuttige toepassing of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding; | 750 ton/dag |
2.4.5. | tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen in afwachting van behandeling; | 924 ton |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar; | 1.000 m³/jaar |
3.6.3.3° | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van bedrijfsafvalwater met een effluent van meer dan 50 m³/uur; | 300 m³/uur |
3.8.1°b) | het lozen van bemalingswater, afkomstig van een bemaling ingedeeld in rubriek 53.1, 1°, 53.2 of 53.5. met een geloosd debiet van maximaal 2.500 m³/dag afkomstig van een andere bemaling dan de bemaling vermeld in 1°, a); | 459 m³/dag |
6.4.1° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 liter tot en met 50.000 liter uitgezonderd de gezamenlijke opslag van minder dan 5 ton gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige brandstoffen bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt; | 5.000 liter |
7.11.1°a) | de fabricage van organisch-chemische producten, zoals eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische); | 100.706 ton/jaar |
7.13.3° | de productie van organische bulkchemicaliën door kraken, reforming, gedeeltelijke of volledige oxidatieve of vergelijkbare processen, met een productiecapaciteit van meer dan 100 ton per dag; | 480 ton/dag |
12.1.1.3° | inrichtingen die wisselspanning opwekken, met een geïnstalleerd totaal elektrisch schijnbaar vermogen van meer dan 10.000 kVA; | 17.000 kVA |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA; | 43.000 kVA |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; | 28 voertuigen |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW; | 2.814 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1.000 liter tot en met 10.000 liter; | 5.400 liter |
17.1.2.2.3° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 10.000 liter; | 133.580 liter |
17.2.2. | VR-plichtige inrichting waar gevaarlijke producten in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, deel 1 en 2, kolom 3, bij dit besluit, aanwezig zijn, in voorkomend geval gebruikmakend van de sommatieregel, vermeld in noot 4 bij bijlage 5, deel 1 en deel 2 (hogedrempel Seveso-inrichting) | inrichting |
17.3.2.1.1.3° | gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 500 ton; | 924 ton |
17.3.4.2°a) | opslagplaatsen voor bijtende vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS05) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 100 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied; | 24,20 ton |
17.3.5.3° | opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS06 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 5 ton; | 14.632,50 ton |
17.3.6.3° | opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen, op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07, met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer 100 ton; | 947,80 ton |
17.3.7.3° | opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 50 ton; | 15.556,50 ton |
17.3.8.3° | opslagplaatsen voor het aquatisch milieugevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 200 ton; | 15.561,30 ton |
19.3.1°a) | inrichtingen voor het mechanisch behandelen en het vervaardigen van artikelen van hout e.d. andere dan deze bedoeld in rubriek 19.8 met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied; | 100 kW |
24.2. | geïntegreerde, kleine laboratoria gericht op de interne controle van eigen productieprocessen en bijhorende in- en uitgaande stromen of de eigen waterzuiveringsinstallatie, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt; | labo |
29.5.2.1°a) | smederijen en inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, wanneer volledig gelegen in een industriegebied; | 100 kW |
29.5.7.2°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een vlampunt tot en met 55° C met een totaal inhoudsvermogen van de baden en de spoelbaden of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, van 10 liter tot en met 1.000 liter, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied; | 400 liter |
39.1.3° | stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren, met een individuele inhoud van meer dan 5.000 liter; | 60.000 liter |
39.2.1° | stoomvaten, met inbegrip van warmtewisselaars waarvan de primaire ruimte als stoomvat wordt beschouwd, met een individuele inhoud van 300 liter tot en met 5.000 liter; | 3.750 liter |
39.2.2° | stoomvaten, met inbegrip van warmtewisselaars waarvan de primaire ruimte als stoomvat wordt beschouwd, met een individuele inhoud van meer dan 5.000 liter; | 3.743.420 liter |
39.4.1° | warmtewisselaars, andere dan deze vermeld onder rubriek 39.2 en deze voor op een stoomdistributienet aangesloten woningen, met een individuele inhoud van de secundaire ruimte van 25 liter tot en met 5.000 liter; | 7.500 liter |
39.5.1° | overige stoomtoestellen en stoommachines (zuigermachines, turbines) met een totaal vermogen (het vermogen van de brander valt onder rubriek 43) van 1 tot en met 100 MW; | 17 MW |
43.1.3° | stookinstallaties zonder elektriciteitsproductie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5.000 kW; | 200.000,00 kW |
43.4. | installaties voor het verbranden van brandstof met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of stedelijk afval; | 200 MW |
53.2.1° | bemaling, technisch noodzakelijk voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, met inbegrip van het weer in de ondergrond brengen van bemalingswater en het nuttige gebruik tot maximaal 5.000 m³ bemalingswater per jaar, met een netto opgepompt volume per IIOA van maximaal 30.000 m³; | 24.800 m³ |
61.2.1° | tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem die voldoet aan een toepassing overeenkomstig het Vlarebo met een capaciteit van 1.000 m³ tot en met 10.000 m³. | 5.000 m³ |
Geadviseerde bijzondere milieuvoorwaarden
1. De PFAS-metingen aan de schouw dienen periodiek herhaald te worden; 2. Een nitrificatie-denitrificatie stap wordt voorzien binnen het ontwerp van de waterzuivering; 3. De lozingsnormen voor de exploitatie worden gegund voor een periode van 2 jaar, in combinatie met een uitgebreide postmonitoring; 4. Er dient geduid te worden op welke manier de exploitant de specifieke categorie van het aangeleverde materiaal kan garanderen. |
Procedurestap | Datum |
Ontvangst adviesvraag | 6 oktober 2025 |
Start openbaar onderzoek | 15 oktober 2025 |
Einde openbaar onderzoek | 13 november 2025 |
Gemeenteraad voor aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen | geen |
Uiterste adviesdatum | 25 november 2025 |
De aanvraag werd onderworpen aan een openbaar onderzoek. Er werden standpunten, opmerkingen of bezwaren ingediend tijdens de openbaarmaking.
Bespreking bezwaarschriften
Tijdens het openbaar onderzoek werd een brief ontvangen van de gemeenten Hulst en Reimerswaal. Met deze brief reageren zij op het schrijven van de stad in het kader van het openbaar onderzoek. Beide gemeenten geven aan dat zij geen opmerkingen dan wel aanvullingen hebben op het gebied van luchtemissies. Dit schrijven wordt overgemaakt aan de deputatie van de provincie Antwerpen.
Informatievergadering
Over de aanvraag werd een informatievergadering gehouden op 23 oktober 2025. Het verslag hiervan werd overgemaakt aan de vergunningverlenende overheid
Het college beslist een gunstig advies, zoals geformuleerd in de argumentatie, te geven op de aanvraag, onder voorwaarden en voor zover het advies van de Brandweer zone Antwerpen gunstig is of voorwaardelijk gunstig met uitvoerbare voorwaarden.
Geadviseerde stedenbouwkundige voorwaarden
1. De ondergrondse drukleidingen voor de waterafvoer van het Verlegde Schijn dienen gevrijwaard te blijven;
2. De zone boven de leidingen van de Voorgracht moet te allen tijde vrij gehouden worden, zodat ze bereikbaar blijft tijdens de werken. Ook het kleppenlokaal bovenop de buizen ligt op het terrein en moet te allen tijde toegankelijk blijven voor VMM die verantwoordelijk is voor het beheer van de leidingen. Voor de toekomstige ontwikkelingen moet er ook mee rekening gehouden worden dat er minstens 5 meter ten opzichte van het opwaarts waterloopprofiel vrijgehouden moet worden voor onderhoud en beheer van de waterloop;
3. De aanvrager brengt de buitendienst van VMM minstens 10 dagen op voorhand op de hoogte van de aanvang van de werken.
4. Niet-functionele verharding dient uitgesloten te worden van vergunning.
5. De mobiliteitsimpact van het project dient verduidelijkt te worden.
6. Parkeren, evenals wachten en laden/lossen, dient steeds op het eigen terrein te gebeuren.
Geadviseerde bijzondere milieuvoorwaarden
1. De PFAS-metingen aan de schouw dienen periodiek herhaald te worden; 2. Een nitrificatie-denitrificatie stap wordt voorzien binnen het ontwerp van de waterzuivering; 3. De lozingsnormen voor de exploitatie worden gegund voor een periode van 2 jaar, in combinatie met een uitgebreide postmonitoring; 4. Er dient geduid te worden op welke manier de exploitant de specifieke categorie van het aangeleverde materiaal kan garanderen. |