Het team Omgevingseffecten van het departement Omgeving vraagt advies aan het college over een milieueffectenrapport in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning.
Projectnummer: | OMV_2025050288 |
Gegevens van de aanvrager: | Zie exploitant |
Gegevens van de exploitant: | BV Bolder Industries Belgium (0789984727) met als adres De Kleetlaan 12A te 1831 Machelen |
Ligging van het project: | Baanbrekerstraat 3 2030 Antwerpen |
Kadastrale gegevens: | afdeling 16 sectie C nr. 340R2 |
Inrichtingsnummer: | 20250418-0043 (Bolder Industries Belgium-Exploitatie) en 20250626-0069 (Bolder Industries-Werffase-Tijdelijke burelen) |
Vergunningsplichten: | stedenbouwkundige handelingen, exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten |
Voorwerp van de aanvraag: | Bouwen van een industriegebouw met aanhorige gebouwen en constructies en omgevingsaanleg; werf en exploitatie van een recyclagefabriek |
Besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectenrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage.
Artikel 12 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 bepaalt dat het team Omgevingseffecten van het departement Omgeving het college om advies vraagt.
Beoordeling MER
Voorliggende aanvraag betreft de bouw en exploitatie van een nieuwe recyclagefabriek voor rubber granulaat uit autobanden op de NextGen-site. De exploitatie zal bestaan uit een inrichting voor de pyrolyse van rubbergranulaat, waarbij een mengsel van pyrolyseolie, syngas en Carbon Black wordt geproduceerd. Deze pyrolyse zal plaatsvinden in 8 verschillende reactoren, dewelke gefaseerd gebouwd zullen worden.
De aanvraag betreft een project als vermeld in bijlage I van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten, onderworpen aan milieueffectrapportage. Het project valt namelijk onder rubriek 13: “Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA, de chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van artikel 4.2.1 VLAREMA of het storten van gevaarlijke afvalstoffen.”. Het project valt verder ook onder rubriek 14: “Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA, of chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van artikel 4.2.1 VLAREMA, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag”.
De dienst MER van het Departement Omgeving vraagt het college van burgemeester en schepenen om een advies specifiek over het opgestelde, maar nog niet goedgekeurde project-MER, binnen een termijn van 30 dagen. Het college wordt eveneens om een advies gevraagd, maar dan voor de gehele omgevingsvergunningsaanvraag, binnen een termijn van 50 dagen. Het advies van het college over de gehele omgevingsvergunningsaanvraag kan pas geformuleerd worden nadat het openbaar onderzoek is afgerond. Onderhavig advies beperkt zich louter tot het opgestelde project-MER.
De grondstof voor het pyrolyseproces, bestaande uit rubbergranulaten afkomstig van auto- en vrachtwagenbanden, worden geleverd door Belgische shredderbedrijven en vervolgens in open containers opgeslagen. Daarna wordt de grondstof via transportbanden en pneumatisch transport naar de opslagsilo’s in de hal vervoerd, van waaruit het via trechters naar de pyrolysereactoren wordt gebracht. In de pyrolysereactoren ontbindt het rubber in gasvormige producten (ruwe syngas) en een vaste stroom, het ruwe Carbon Black. Het ruwe syngas wordt afgekoeld in twee stappen: eerst tot ongeveer 100°C om de Bolder Oil Heavy (BOH) te condenseren, en vervolgens tot ongeveer 20°C om Bolder Oil Light (BOL) en een waterige reststroom (proceswater) te verkrijgen.
Het resterende niet-gecondenseerde syngas wordt voor ongeveer 69% aangewend voor de interne verwarming van de pyrolysereactoren. Het proceswater en het resterende niet-gecondenseerde syngas (ongeveer 31% van het totaal), worden verbrand in thermische oxidizers (naverbranders). De thermische oxidizers functioneren bij hoge temperaturen (900-1.000°C) en verzekeren de volledige oxidatie van organische componenten, waarna de rookgassen een nabehandeling ondergaan met een droge gaswasser (met gebluste kalk en actieve kool) en mouwenfilters voordat ze via de schouw worden geëmitteerd. De geproduceerde warmte wordt teruggewonnen door stoom op te wekken, die onder meer wordt gebruikt voor het drogen van de Carbon Black pellets. Het ruwe Carbon Black wordt afgekoeld, van metalen gescheiden, vermalen, gepelletiseerd en gedroogd om het eindproduct, de Carbon Black pellets, te vormen, die vervolgens worden opgeslagen in silo’s of bigbags. Stof dat tijdens de verwerking vrijkomt, wordt opgevangen via mouwenfilters en teruggevoerd naar de maalinstallatie voor hergebruik in het proces.
Discipline mobiliteit
De nieuwe fabriek van Bolder wordt gebouwd op het NextGen District in de Antwerpse Haven. Deze is gelegen aan de Noorderlaan (gewestweg met 2x2 rijstroken). In het MER wordt voortgebouwd op het project-MER voor de aanleg van het NextGen District (PR3390 – OMV_2021119580) en wordt er gesteld dat de te verwachten verkeersstromen van Bolder ruim onder de inschattingen van dit initiële MER blijven. Bij nazicht blijkt initieel gerekend te zijn met 30.000 ton/ha op jaarbasis, 100% via de weg (20 ton/vrachtwagen) in het MER van NextGen District. Dit komt, voor de site van Bolder (5,5 ha), op 8.250 vrachtwagenpassages per jaar. Voor de personeelsbewegingen is dit 20 werknemers per hectare oftewel 110 werknemers voor de site van Bolder, waarvan 80% met de wagen zou komen. In fase 2 van Bolder is er sprake van 106 werknemers op de site (waarvan maximaal 66 personen tegelijk), dit blijft inderdaad onder het voorziene aantal bewegingen. Echter is er in fase 2 ook sprake van 74 vrachtwagens per etmaal (werkdag) voor Bolder, wat overeenstemt met circa 18.500 vrachtwagenpassages op jaarbasis (gerekend met 250 werkdagen per jaar zoals in het initiële MER). Dit betreft een aandeel van 21% in de voorziene vrachtwagenbewegingen voor het gehele NextGen District (351 per werkdag), hoewel de concessieoppervlakte van Bolder slechts 14% van de totale concessieoppervlakte van NextGen District (38,2 ha) inneemt. Hierover wordt in het MER enkel gesteld dat de verwachte verkeersstromen van de huidig gecontracteerde bedrijven op NextGen District met zekerheid ruim beneden de inschattingen uit het initiële MER blijven. Maar dit wordt niet gestaafd met concrete cijfers. Het is aangewezen dit verder te onderbouwen.
Het project-MER voorziet uitsluitend in goederentransport via de weg. Daar de site heden niet multimodaal ontsloten kan worden via goederenspoor of water, zullen goederen die op die manier vervoerd worden eerst via een logistieke partner verhandeld moeten worden om vervolgens alsnog via vrachtwagen getransporteerd te worden van en naar de projectsite. Bolder heeft wel reeds gesprekken gehad met rubbergranulaatleveranciers om de modal split te bevorderen naar bargetransport. Echter zal dit in Fase 1 nog niet mogelijk zijn door het te lage verbruik. In de 2e fase, waarbij 8 reactoren draaien, wordt dit wel overwogen. Het project-MER voorziet daarnaast een worstcase modal split van 80% autogebruik voor het personeelsvervoer. Deze aanpak is methodologisch correct, maar strookt niet met de modal split doelstellingen die het Havenbedrijf en de Vervoerregio Antwerpen ambiëren. Om het eigen personeel aan te zetten tot gebruik van duurzame mobiliteitsalternatieven zullen verschillende maatregelen genomen worden zodat deze alternatieven interessanter worden, maar dit dient nog verder in detail uitgewerkt te worden.
Voor de evaluatie van de effecten werden de huidige intensiteiten en verzadigingsgraden van de weginfrastructuur in kaart gebracht. Dit gebeurde op basis van tellingen uit 2020 en de verkeersindicatorendatabank van de Vlaamse Overheid (cijfers 2020-2022). Er wordt aangegeven dat er door de Oosterweelwerken wijzigingen in verkeersstromen zijn sinds februari 2023, maar de effectbeoordeling gebeurt toch op basis van cijfers uit 2022. In het initiële project-MER van NextGen District werd reeds aangegeven dat er een verzadigingsprobleem was op complex 16 (Ekeren), hiervan valt niets terug te vinden in voorliggend MER. Door de Oosterweelwerken aan het complex van Merksem wordt complex 16 nochtans reeds bijkomend belast. Bovendien wordt opgemerkt dat de vrachtwagenbewegingen van Bolder uitsluitend overdag (8u00-18u00) zullen plaatsvinden, terwijl in het initiële project-MER van NextGen District reeds gesteld werd dat het vrachtverkeer van en naar complex 16 beperkt en verspreid in tijd (buiten spitsuren) moest worden. Er werd toen voorgesteld om vrachtvervoer op de site slechts toe te laten tussen 9u00 en 16u00 en vanaf 18u00 tot 6u00. Hiervan is niets terug te vinden in het MER. Er wordt enkel gesteld dat vrachtwagens zich ’s nachts moeten wenden tot parking Goordijk gezien zij niet toegelaten worden tot de site van Bolder zelf. Het is echter onduidelijk of deze parking hiervoor nog voldoende beschikbare capaciteit heeft.
Voor de verdeling van de verkeersgeneratie over de verschillende ontsluitende kruispunten en snelwegcomplexen wordt ook teruggegrepen naar de verdeling uit het initiële project-MER. Vooral voor het vrachtverkeer wordt verwacht dat hier een nauwkeurigere inschatting gedaan kan worden op basis van de reeds gekende leveranciers en afnemers of logistieke partners.
Voor de aansluiting van NextGen District op de Noorderlaan wordt een beperkt negatief effect (-1) verwacht. Hierbij werd al gerekend met de onlangs (op 4 juli 2025) vergunde extra rijstrook voor het verkeer dat vanuit de Baanbrekersstraat rechts wil afslaan naar de Noorderlaan. In het MER wordt dit verkeerdelijk als initieel vergunde situatie beschouwd. Voor complex 16 wordt geen significant effect (0) verwacht door Bolder. Dit lijkt vreemd en is mogelijk te wijten aan een verkeerde basis (huidige toestand). Het is aangewezen dit opnieuw te onderzoeken.
Op vlak van verkeersveiligheid zijn er geen significante effecten te verwachten. De aanvrager heeft op het eigen terrein voorzieningen getroffen om de verschillende verkeersstromen te scheiden. De parkeerbehoefte wordt volledig op eigen terrein opgevangen. Voor de fietsenstalling voorziet de aanvrager een tijdelijke oplossing in fase 1, de uitwerking in fase 2 zal afgestemd worden op de werkelijke behoefte. Het is aangewezen hierbij uit te gaan van een ambitieuze en duurzame modal split.
Tijdens de aanlegfase(n) worden geen significante effecten verwacht (0). Er worden geen milderende maatregelen voorgesteld in het MER voor de discipline mobiliteit.
Discipline geluid
Tijdens de aanlegfase kunnen de geluidsemissies worden onderverdeeld in de bijdrage van bouwmachines enerzijds en het werfverkeer anderzijds. Het geluid van bouwactiviteiten is niet continu. Op 200 meter van de terreingrens van de bouwzone zal het geluidsdrukniveau van elke individuele activiteit steeds beneden 60 dB(A) gelegen zijn. Ook op 100 meter zal nog steeds voldaan blijven. Aangezien de dichtstbijzijnde woning op ongeveer 1.950 meter van het projectgebied ligt, wordt geconcludeerd dat deze geen geluidshinder zullen ondervinden. Qua geluid door verkeer treedt er pas een relevant geluidseffect op bij een verkeerstoename van 26% of meer.
Tijdens de exploitatiefase kan er hinder zijn door de specifieke industriële installaties of door het bijkomende verkeer. Voor de specifieke installaties in open lucht onderneemt de exploitant al enkele (projectgeïntegreerde) maatregelen. De drukventilatoren worden bijvoorbeeld voorzien van een omkasting en de afzuigventilatoren worden voorzien van een geluidsdemper op de uitlaat. De geluidsberekeningen, uitgevoerd met het computersimulatiemodel IMMI 2024, tonen aan dat de te verwachten specifieke geluid veroorzaakt door de nieuwe installaties conform de geluidsvoorwaarden voor een nieuwe inrichting is en dit tijdens alle perioden van het etmaal.
De Grote Kreek is een natuurgebied dat zich op minder dan 500 meter van het industrieterrein bevindt. Aangezien deze zone is ingetekend als ‘Zone voor permanente ecologische infrastructuur’ gelden er dus strengere geluidsnormen voor het specifieke geluid van de nieuwe inrichting. Dit betekent concreet dat er op 200 meter van de perceelsgrens van het industriegebied getoetst dient te worden aan:
Echter het lijkt erop dat in tabel pagina190 het gebiedstype ‘Gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’ gewerkt met de richtwaarden voor industriegebied. Dit lijkt nog een onvolkomenheid dat rechtgezet moet worden.
Uit de simulaties blijkt echter dat de relevante waarde van het specifieke geluid in alle evaluatiepunten, en dus ook binnen de Grote Kreek, conform de geluidsvoorwaarden voor een nieuwe inrichting is tijdens alle perioden van het etmaal. Vanuit het overkoepelende MER voor de NextGen-site werd eerder als milderende maatregel voorgesteld om laad- en losruimten en relevante (luidruchtige) installaties af te schermen in de richting van de kritische punten, met name de Grote Kreek. Men stelde dat, als alternatief voor bronaanpak, een gronddam of geluidsscherm tussen het gebied en het natuurgebied zou kunnen worden voorzien. Echter aangezien er reeds met de voorgestelde projectgeïntegreerde maatregelen aan de norm voldaan kan worden, is de geluidswal niet noodzakelijk als milderende maatregel.
Naast de vaste bronnen dient ook aandacht besteed te worden aan de impact van het verkeer van en naar het projectgebied en op de voornaamste ontsluitingswegen De verwachte verkeerstoename op de Noorderlaan bedraagt minder dan 0,05 dB(A). Een dergelijke geluidsverhoging is verwaarloosbaar. De geluidstoename op de A12 als gevolg van het bijkomende verkeer wordt nog kleiner verwacht en is eveneens verwaarloosbaar.
In het scopingsadvies van Stad Antwerpen werden er opmerkingen gegeven rond de geluidshinder van het shredden. Aangezien dit echter niet meer ter plaatse zal gebeuren, is dit dus ook niet meer aan de orde.
Discipline lucht
De installatie is een volledig gesloten systeem en is uitgerust met uitgebreide rookgasreinigingstechnieken, waaronder een naverbrander (thermische oxidizer), een Selectieve Niet-Katalytische Reductie (SNCR) systeem en droge rookgasreiniging met mouwenfilters. In de effectbeoordeling wordt een onderscheid gemaakt tussen geleide emissies via schouwen of diffuse emissies (voornamelijk door stof).
Voor de evaluatie van de bijdrage van de (geleide) emissie tot de immissie wordt beroep gedaan op een mathematisch verspreidingsmodel (IMPACT). De inputgegevens zijn enerzijds emissiebronkarakteristieken en anderzijds data die reeds in het IMPACT-model ‘voorgeprogrammeerd’ zijn, zoals meteorologische data (windrichting en windsnelheid).
Het effect van de nieuwe installatie is in de exploitatiefase verwaarloosbaar (0) voor het beoordelingskader lucht voor alle polluenten, met uitzondering van fijn stof. Het effect van de nieuwe installaties voor de polluenten fijn stof (PM10 en PM2,5) is verwaarloosbaar (0) ten opzichte van de huidige luchtkwaliteitsnormen en beperkt negatief (-1) ten opzichte van de luchtkwaliteitsnormen 2030. Overigens geldt dit enkel voor de toetsingslocatie ter hoogte van de Grote Kreek (een gedeelte van de Kuifeend). Ter hoogte van andere toetsingslocaties, verder van het projectgebied, is de bijdrage voor PM10 en voor PM2,5 kleiner dan 1% ten opzichte van de huidige en toekomstige luchtkwaliteitsnorm (score 0).
De noodfakkel zal slechts beperkt werkzaam zijn, namelijk 2 uren per jaar. De milieueffecten van de noodfakkel kunnen dan ook beschouwd worden als beperkt.
Zowel de rubbergranulaten (SC2) als de geproduceerde Carbon Black pellets (SC1) worden gezien als stuivende stoffen. Stofemissies kunnen hier ontstaan bij manipulatie van materialen, zoals lossen en verder transporteren. Om hier tegen in te gaan worden de containers met rubbergranulaat buiten gelost met stofafzuiging in de overkappingen. Het afgezogen stof wordt vervolgens verzameld in een mouwenfilter. Alle opslag en handelingen van het Carbon Black (tussenproduct/afgewerkt product) vinden plaats in een gesloten systeem. Stofbeperkende maatregelen zijn hier ook voorzien in het ontwerp (cyclo(o)n(en), filter(s)). Hinder door diffuus stof tijdens de exploitatiefase kan dus gecategoriseerd worden als verwaarloosbaar (score 0).
Discipline bodem
Tijdens de aanlegfase zijn de belangrijkste aandachtspunten profielverstoring en bodemverdichting, grondverzet en mogelijke bodemverontreiniging. Het projectgebied bestaat voornamelijk uit antropogene zandbodems. De bodem is echter reeds verstoord (opgespoten, verhard en recent opgehoogd met 1,5 meter zand). Effecten op profielvernietiging en bodemverdichting worden daarom als verwaarloosbaar (0) beoordeeld.
Het totale grondverzet wordt geraamd op circa 18.322 m³. Deze grond zal afgevoerd worden, wat betekent dat er geen gesloten grondbalans is. Indien rekening wordt gehouden met de gebruiksadviezen inzake grondverzet en de bevindingen uit het technisch verslag, worden de effecten met betrekking tot verspreiding van bodemverontreiniging hooguit beperkt negatief (-1) beoordeeld. Het uitgraven en afvoeren van grond is dan ook onderworpen aan het Bodemdecreet (Vlarebo).
Tijdens de exploitatiefase richt de analyse zich op het voorkomen van nieuwe bodemverontreiniging. Er worden al enkele procesgeïntegreerde maatregelen voorzien. De negen bovengrondse, enkelwandige tanks worden voorzien in een globale inkuiping. Verder vinden alle verladingen plaats op een vloeistofdichte verharding. Potentieel verontreinigd hemelwater (van parkeer- en laadzones) wordt via afvoergoten geleid naar een dubbelwandige KWS-afscheider met coalescentiefilter, waardoor dit water niet in de bodem kan dringen. De effecten op verspreiding van verontreiniging worden, mits naleving van de wettelijke vereisten en de BBT, ingeschat als verwaarloosbaar tot hooguit beperkt negatief (0/-1).
Op basis van een lijst van inrichtingen die aanleiding kunnen geven tot een bodemverontreiniging met PFAS, gekoppeld aan de van toepassing zijnde VLAREM-rubrieken, blijkt dat een aantal activiteiten uit voorliggend project PFAS-verdacht zijn, met name de fysisch-chemische en thermische behandeling van rubbergranulaten door middel van pyrolyse, de fysisch-chemische behandeling van pyrolyse-olie en de thermische behandeling proceswater na olieverwerking door middel van meeverbranding in de thermische oxidizer. De aanvrager stelt echter dat er geen PFAS gebruikt worden in de rubberformuleringen voor banden. Hij stelt echter ook dat er wel Fluorpolymeren (FPs) worden gebruikt in de werking van sommige machines en apparatuur tijdens de productie van banden. Dit gebruik is beperkt tot machinecoatings of onderdelen, zoals antikleefcoatings voor matrijzen, om wrijving en het kleven van de banden aan de machines te voorkomen. Echter zouden er geen fluorpolymeren in de band zelf terecht komen. Men stelt dat er dus ten gevolge van de verwerking, zowel fysisch-chemisch als thermisch, van rubbergranulaten afkomstig van auto- en vrachtwagenbanden geen PFAS-verontreiniging kan verwacht worden. De aanvrager lijkt hier zichzelf tegen te spreken, als er wel PFAS wordt gebruikt tijdens de productie zullen er mogelijks sporen aanwezig zijn in het rubbergranulaat. Het lijkt toch aangewezen het aangeleverde materiaal periodiek te analyseren.
Discipline water
Het totale waterverbruik voor de installatie van Bolder (in een 8-reactor opstelling) is op te splitsen in proceswater en niet-procesgebonden water. Het proceswaterverbruik slaat dan op het verbruik voor de pelletisering van de ruwe black carbon (31.526 m³/jaar) en voor het stoomnetwerk (5.860 m³/jaar). Voor het pelletiseerproces wordt deels hemelwater van de daken verbruikt (bij 8 reactoren is dit circa 14%). Het overige is drinkwater (27.087 m³/jaar voor 8 reactoren). Voor de stoomturbine kan de noodzakelijke kwaliteit, voor de bescherming van de turbine, enkel gehaald worden door behandeling van leidingwater (5.860 m³/jaar) met een omgekeerde osmose- (OO) en elektro-deïonisatie-module. Het niet-procesgebonden waterverbruik is dan vooral personeelsverbuik, bijvoorbeeld toiletspoelingen, en is ongeveer 3.036 m³/jaar. Er dient op regelmatige basis gerevalueerd te worden of alternatieve bronnen van water kunnen gebruikt worden in plaats van drinkwater. Een optie zou zijn om ook het water dat op de verhardingen valt, te gaan hergebruiken. Het is onduidelijk waarom dit nu niet meegenomen werd. Of er zou ook gekeken kunnen worden naar (toekomstige) buurbedrijven.
De verschillende bronnen aan afvalwater zijn huishoudelijk afvalwater, potentieel verontreinigd hemelwater, proceswater na olieverwerking, spui van het stoomcondensaatcircuit en omgekeerde osmoseconcentraat. De hoeveelheid huishoudelijk afvalwater bedraagt 4.574 m³/jaar en zal gezuiverd worden via IBA’s. De overloop van de IBA’s mondt uit in het Churchilldok.
De stoomproductie bedraagt 10,8 ton per uur in fase 2. Het spuiwater afkomstig van deze productie dient om opgeconcentreerde opgeloste stoffen uit de ketel te verwijderen zodat afzettingen en corrosie voorkomen kunnen worden. Er wordt een worstcase spui verwacht van 1.584 m³ per jaar. Het uurdebiet blijft beperkt tot een 0,2 m³/uur. Alvorens het spuiwater geloosd zal worden op de DWA-leiding van de NextGen-site richting het Churchilldok, zal dit water gekoeld worden en zal de pH eerst geneutraliseerd worden
Bij het behandelen van het leidingwater voor het stoomcircuit wordt er omgekeerde osmose gebruikt, hierbij is er dus ook een lozing van het OO-concentraat nodig. Afzettingen op het membraan worden voorkomen door de toevoeging van anti-scalants. De aanvrager verklaart echter dat er fosforvrije stoffen gebruikt zullen worden om ervoor de zorgen dat de fosforconcentratie in het OO-concentraat aanvaardbaar blijft.
Het proceswater na olieverwerking omvat de waterige fractie die overblijft bij de afscheiding van de olie. Dit afvalwater zal opgeslagen worden in een tank in het tankpark en vervolgens geïnjecteerd worden in de thermische oxidizer, waar de volatiele componenten direct verbrand worden of via de rookgasreiniging afgebroken worden. Dit gaat over een maximale hoeveelheid van 3.276 m³ per jaar.
Als laatste wordt er ook nog potentieel verontreinigd hemelwater geproduceerd. Het hemelwater dat terechtkomt in het tankpark en de laadzone bij het tankpark wordt namelijk gezien als potentieel verontreinigd. Dit hemelwater wordt via afvoergoten afgeleid naar een dubbelwandige KWS-afscheider met coalescentiefilter, dit om te voorkomen dat eventuele verontreinigingen van olieresiduen geloosd worden. Het gaat om een hoeveelheid afvalwater van circa 1.086 m³ per jaar. Dit water wordt via het DW-netwerk eveneens geloosd op het Churchilldok.
De totale lozing van bedrijfsafvalwater (spuiwater + OO-concentraat) bedraagt ongeveer 10,56 m³/dag. Omdat dit debiet kleiner is dan 20 m³/dag, zal de lozing een verwaarloosbare impact (score 0) hebben op de waterkwaliteitsdoelstellingen van het Churchilldok (zoals bepaald met de Wezer-toets).
Discipline biodiversiteit
Aan de overzijde van de Noorderlaan, op circa 40 meter van Bolder, ligt ‘Stadsgracht’ een zone voor permanente ecologische infrastructuur. Hier bevindt zich voornamelijk rietvegetatie, met geschikte habitats voor verschillende soorten waaronder de blauwborst en vleermuizen. Achter deze zone, op circa 80 meter van Bolder, ligt in het westen het gebied Grote Kreek, een waterrijk gebied dat eveneens rijk is aan geschikte habitats en soorten en in het oosten ‘Binnenweilanden’, een gebied zonder groen statuut maar wel met groen karakter en aanwezigheid van beschermde soorten. Al deze zones zijn ook opgenomen in de biologische waarderingskaart (BWK 2) als regionaal belangrijke biotopen, (een complex van onder andere) biologisch zeer waardevolle zones en faunistisch belangrijke gebieden. Het projectgebied valt volledig binnen de afbakening van de soortenbeschermingsprogramma’s (SBP) Antwerpse haven en Otter.
Op een afstand van circa 550 meter ligt het VEN-gebied De Kuifeend. Dit overlapt deels met het Vogelrichtlijngebied ‘De Kuifeend en de Blokkersdijk’ (op circa 825 meter). Het dichtstbijzijnde Habitatrichtlijngebied betreft ‘Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent’, gelegen op circa 2,7 km.
Om de impact op deze gebieden te beoordelen, werd een passende beoordeling en een verscherpte natuurtoets opgesteld. Ook werden de natuurbeheerplannen meegenomen in de beoordeling. Op basis van de gekende waarnemingen is er geen aanwezigheid van soorten op de site zelf. De site heeft wel potentieel voor vleermuiswaarnemingen, gezien de eco-aandachtszone hiervoor aan de overzijde van de Noorderlaan.
Gezien het gehele NextGen District recent opgehoogd werd en voorzien van weginfrastructuur, is er momenteel enkel sprake van spontane vegetatie. Het ruimtebeslag (en ecotoop- of biotoopverlies) hiervan wordt hoogstens beperkt negatief (0/-1) ingeschat. Het MER bevestigt dat volgens de concessieovereenkomst een vegetatiebeeld dient nagestreefd te worden dat past binnen het SBP Antwerpse haven. Het project voorziet groenzones rondom met ondiepe wadi’s. Mits aanleg hiervan conform het gewenste vegetatiebeeld is er dus ook sprake van een (beperkte) biotoopcreatie. Het is aangewezen deze aanleg als voorwaarde op te nemen in de vergunning, dit wordt eveneens meegegeven als aanbeveling in het MER.
Op vlak van grondwaterhuishouding worden geen significante effecten verwacht, enerzijds omdat het projectgebied in het verleden volledig verhard was en anderzijds omdat er wordt ingezet op (hemelwater)infiltratie ter plaatse.
Rustverstoring door geluid werd reeds aangeraakt in de discipline geluid. In de huidige omgeving is reeds een eerder hoog geluidsniveau aanwezig. Verwacht wordt dat de aanwezige fauna al gewend is aan deze geluidsverstoring. Tijdens de aanlegfase kunnen wel deels discontinue geluiden zorgen voor eventuele schrikreacties bij voornamelijk avifauna in de buurt. Deze effecten worden verwaarloosbaar tot beperkt negatief (0/-1) ingeschat.
Lichtverstoring tijdens de aanlegfase wordt verwaarloosbaar beoordeeld, gelet op het tijdelijke en lokaal karakter van de verlichting, alsook omdat de Noorderlaan ’s nachts verlicht wordt, waardoor er reeds een zekere mate van lichtverstoring aanwezig is. Verlichting zal vooral impact hebben op de trekroute voor vleermuizen, langsheen de Stadsgracht. De verlichting op het terrein tijdens de exploitatiefase, om tussen 6u00 en 22u00 te kunnen laden en lossen, zal weggericht worden van de Stadsgracht. Deze zal ook enkel branden als er activiteiten bezig zijn (dynamisch schakelen). Het MER stelt verder dat er rekening gehouden zal worden met de aanbevelingen van het Instituut voor Natuur en Bos (INBO). Het is aangewezen deze aanbevelingen te verankeren in de vergunning, dit blijkt ook uit de toegevoegde soortentoets.
De impact van verzurende en/of eutrofiërende deposities werd bepaald voor habitattype 3150 met KDW 30 kg/N/ha/jaar, gelegen aan de overzijde van de Noorderlaan op ongeveer 80 meter van het project. Zowel voor de aanleg- als exploitatiefase blijft de berekende impactscore onder de 1%-de minimisdrempel. Naar aanleiding van de update van de impactscoretool, depositietrendtool en IMPACT op 4 juli 2025 is een bijlage aan het MER toegevoegd met de geüpdatete waarden. Bij de berekening van het aantal vrachtwagenbewegingen wordt opgemerkt dat er gerekend werd met 64 vrachtwagens per etmaal (en 330 werkdagen per jaar voor een worstcasebenadering), hoewel in het luik mobiliteit sprake was van 74 vrachtwagens per etmaal. Ook dient zowel het in- als uitrijden meegerekend te worden. Dit verandert echter de conclusie en effectbeoordeling niet, gezien de impactscore onder 1% zal blijven.
Op basis van de uitgevoerde passende beoordeling wordt in het MER gesteld dat het project niet zal leiden tot een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones. Ook het besluit van de verscherpte natuurtoets luidt dat het project niet zal leiden tot onvermijdbare en onherstelbare schade aan het VEN-gebied De Kuifeend. Uit de soortentoets blijkt dat verstoring niet kan uitgesloten worden, maar dat deze niet betekenisvol zal zijn.
Als milderende maatregel wordt enkel gewaarschuwd voor de aanwezigheid van broedkolonies van oeverzwaluwen in de omgeving, waardoor tijdens de werken maatregelen genomen moeten worden om te vermijden dat deze zich op de werf zullen vestigen. Als aanbeveling wordt nog meegegeven om aan de gevel nestkasten te voorzien voor gier-, huis- of boerenzwaluwen.
Discipline landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie
Het project bevindt zich in het geïndustrialiseerd havengebied, maar grenst ook aan het traditionelere en groenere polderlandschap. Er zijn geen beschermde erfgoedrelicten in de onmiddellijke omgeving. Het dichtstbijzijnde bouwkundig erfgoed betreft het Churchilldok, op ruim 750 meter van het project.
Aan het MER werd eveneens een archeologienota toegevoegd als bijlage. Hieruit blijkt dat binnen het projectgebied een archeologische vindplaats aanwezig is. Het betreft ondergrondse relicten van het vroegere dorp Oorderen, dat minstens tot de 12de eeuw teruggaat. In het kader van de sloop van General Motors werden al archeologische onderzoeken ter plaatse uitgevoerd. Hierna werd het terrein opgehoogd voor de ontwikkeling van NextGen District. Dit bijkomende ophogingspakket draagt bij tot het behoud in situ van het archeologisch bodemarchief zonder dat hiervoor bijkomende maatregelen getroffen dienen te worden. Enkel de paalfunderingen zullen tot in de oorspronkelijke archeologisch interessante lagen reiken. De andere bodemingrepen blijven beperkt tot de opgehoogde laag en vormen aldus geen verstoring. De archeologienota concludeert dat er geen bijkomend archeologisch onderzoek nodig is en dat de kans op beschadigingen van archeologische vondsten klein is. De archeologienota wordt eveneens beoordeeld in het advies over de gehele omgevingsvergunningsaanvraag.
Het landschapsbeeld toont een plaatselijk reliëf dat zeer vlak is. Ondanks dit vlakke reliëf worden (ver)zichten vaak begrensd. De verticale elementen die zichtassen definiëren zijn vooral windturbines, bedrijfsgebouwen en kadekranen. De nieuwe fabriek met een beperkte schouwhoogte (30 meter) zal een verwaarloosbare impact hebben op de landschappelijke structuur. Gezien het voorwerp van de aanvraag, dient conform art. 5.2.1.5.§5 van het VLAREM II een groenscherm van minstens 5 meter breedte aangelegd te worden rondom de exploitatie. Dit wordt echter niet besproken in het MER. Nochtans kan dit helpen bij de landschappelijke inpassing van de nieuwe fabriek, die zich situeert op de grens tussen het ‘harde’ industriegebied en de groenere zones errond.
Discipline mens – ruimtelijke aspecten en gezondheid
De effecten op de discipline mens – ruimtelijke aspecten en gezondheid worden over het algemeen als positief of verwaarloosbaar ingeschat, met enkele beperkt negatieve scores op het vlak van gezondheid vanwege de cumulatieve impact van luchtverontreiniging. Voor de meeste polluenten (NO2, PM10, CO, SO2, HCl, Hg, en Pb/som zware metalen) is de bijdrage van het project minder dan 1% van de gezondheidsadvieswaarde (GAW), wat resulteert in een beperkt negatief effect (-1). Wat betreft de parameters PM2,5 ,HF en CD blijkt dat de bijdrage (net) 1% van de GAW overschrijdt. Er wordt echter benadrukt dat het aantal personen in de zone met deze bijdrage zeer beperkt is in vergelijking met het studiegebied. Bovendien is gerekend met de worstcase-emissiegrenswaarde, terwijl uit metingen van de installatie van Bolder in de VS is gebleken dat de emissieconcentraties kleiner zijn. Het effect ten aanzien van de menselijke gezondheid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt bijgevolg beperkt negatief (-1) beoordeeld.
Wat betreft het ruimtelijke aspect geeft het project invulling aan een momenteel onderbenut en braakliggend terrein binnen het NextGen District, dat bestemd is voor zeehaven- en watergebonden bedrijven (GRUP Afbakening Zeehavengebied Antwerpen). De effectscore is positief (+2) voor ruimtelijke structuur en (meervoudig) ruimtegebruik. Dit sluit aan bij de visie van het Havenbedrijf en stad Antwerpen voor een circulaire en klimaatneutrale economie.
Discipline klimaat
De effectbeoordeling voor de discipline klimaat richt zich op mitigatie (het verminderen van broeikasgasemissies) en adaptatie (de aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering).
De totale CO2-emissie afkomstig van het proces wordt geschat op ongeveer 25.161 ton CO2 per jaar. Deze emissie ziet de aanvrager als verwaarloosbaar in vergelijking met de totale CO2-uitstoot van de haven van Antwerpen (18,65 Mton in 2017) of de afvalsector in Vlaanderen (1,21 Mton CO2-equivalent in 2023).
Bij de exploitatie van het project wordt ingezet op het gebruik van duurzame/hernieuwbare energie. De pyrolysereactoren worden bij opstart indirect verwarmd met aardgas. Na opstart draaien de reactoren bij normale procesomstandigheden volledig op het syngas dat tijdens het pyrolyseproces geproduceerd wordt. Er zal dus alleen aardgasverbruik nodig zijn bij een gecontroleerde shutdown, deze worden jaarlijks voorzien. Het totale jaarlijkse aardgasverbruik voor de installatie (voornamelijk voor heropstarts na onderhoud) wordt ingeschat op circa 2.304 MWh/jaar.
Het jaargebruik aan elektriciteit wordt ingeschat op circa 39.496 MWh. De stoom die tijdens het proces geproduceerd wordt, zal enerzijds gebruikt worden om de pellets te drogen en anderzijds voor de productie van elektriciteit. De elektrische output van de stoomturbine met het overschot aan stoom, bedraagt circa 292 kW. Ook worden de daken van de finishinghallen (afwerkingshallen) bedekt met zonnepanelen om de externe vraag naar elektriciteit te verminderen. De totale geïnstalleerde capaciteit op deze daken is circa 224 kWp, met een geschatte jaarlijkse productie van circa 213 MWh/jaar. De geproduceerde elektriciteit, zowel via de stoomturbine als de zonnepanelen, is bedoeld voor intern verbruik.
Het project draagt actief bij aan klimaatmitigatie door zijn circulaire karakter, waarbij afvalstromen op een hoogwaardige manier worden hergebruikt. Dit kadert volledig in de doelstellingen van zowel stad Antwerpen als het Havenbedrijf om circulaire productie in gang te zetten.
Verder is er gekeken naar de mogelijkheid om de restwarmte van de exploitant in te zetten in het Warmtenet Antwerpen-Noord (WAN). Dit warmtenet zal de warmte van de industriële afvalenergiecentrale Indaver in de Antwerpse haven verdelen naar warmteafnemers in de Antwerpse haven en daarbuiten (woonwijken Ekeren, Rozemaai en Luchtbal). Echter is uit overleg met Fluvius gebleken dat de afname van warmte via het WAN niet mogelijk is vóór 2030. Daarom is dit ontwikkelingsscenario momenteel niet verder in acht genomen. Vanaf 2030 lijkt het wel mogelijk voor Fluvius om warmte af te nemen voor het Warmtenet Antwerpen-Noord. Dit dient dus op termijn gerevalueerd te worden. Indien mogelijk wordt de inrichting al zo uitgevoerd dat er geen grote wijzigingen nodig zijn voor een toekomstige aansluiting op het WAN. Dit past ook binnen de voorwaarden uit het initiële MER van het NextGen District, waarin gesteld werd dat alle kantoorgebouwen en sociale voorzieningen energieneutraal dienden uitgevoerd te worden, zo nodig met aansluiting op dit warmtenet.
Conclusie
Het college onderschrijft de conclusies van het project-MER en sluit zich hierbij aan, mits de nodige aanvullingen en/of verduidelijkingen gegeven worden.
Procedurestap | Datum |
Ontvangst adviesvraag | 13 oktober 2025 |
Uiterste adviesdatum | 12 november 2025 |
Het college beslist een voorwaardelijk gunstig advies, zoals geformuleerd in de argumentatie, te geven op het MER.