Terug
Gepubliceerd op 12/11/2025

2025_CBS_07991 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Voorwaardelijk gunstig advies - OMV_2025067608. Muisbroeklaan 61 (kaai 524). District Antwerpen - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 07/11/2025 - 09:00 Stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Koen Kennis, schepen; Patrick Janssens, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Lien Van de Kelder, schepen; Ken Casier, schepen; Karim Bachar, schepen; Stijn De Rooster, schepen; Sven Cauwelier, algemeen directeur; Elisabeth van Doesburg, waarnemend burgemeester

Afwezig

Johan Klaps, schepen

Secretaris

Sven Cauwelier, algemeen directeur

Voorzitter

Elisabeth van Doesburg, waarnemend burgemeester
2025_CBS_07991 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Voorwaardelijk gunstig advies - OMV_2025067608. Muisbroeklaan 61 (kaai 524). District Antwerpen - Goedkeuring 2025_CBS_07991 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Voorwaardelijk gunstig advies - OMV_2025067608. Muisbroeklaan 61 (kaai 524). District Antwerpen - Goedkeuring

Motivering

Aanleiding en context

Het team Omgevingseffecten van het departement Omgeving vraagt advies aan het college over een milieueffectenrapport in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning.


Projectnummer:

OMV_2025067608

Gegevens van de aanvrager:

NV SynPet Circularity Plant Antwerp met als adres Frankrijklei 5 te 2000 Antwerpen

Gegevens van de exploitant:

NV SynPet Circularity Plant Antwerp (1005585637) met als adres Frankrijklei 5 te 2000 Antwerpen

Ligging van het project:

Muisbroeklaan 61 (kaai 524) te 2030 Antwerpen 

Kadastrale gegevens:

afdeling 16 sectie A nrs. 36M en afdeling 18 sectie E nrs. 196/4A

Inrichtingsnummer:

20250528-0002 (IIOA SynPet)

Vergunningsplichten:

stedenbouwkundige handelingen, exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten

Voorwerp van de aanvraag:

de bouw en exploitatie van een 'circularity plant'



Juridische grond

Besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectenrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage.

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 12 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 bepaalt dat het team Omgevingseffecten van het departement Omgeving het college om advies vraagt.

Argumentatie


Beoordeling MER

Omschrijving

Voorliggende aanvraag betreft de bouw en exploitatie van een nieuwe fabriek voor het omzetten van gemengd koolstofhoudend afval (plastic) naar koolwaterstoffen (nafta) aan de hand van een thermisch conversieproces (TCP). De zo geproduceerde nafta kan dan op zijn beurt weer dienen als basis voor nieuwe plastics of als hoogcalorische brandstof.

De aanvraag betreft een project als vermeld in bijlage I van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten, onderworpen aan milieueffectrapportage. Het project valt namelijk onder rubriek 13: “Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA, de chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van artikel 4.2.1 VLAREMA of het storten van gevaarlijke afvalstoffen.”. Het project valt ook onder rubriek 14: “Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA, of chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van artikel artikel 4.2.1 VLAREMA, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag.”

De dienst MER van het Departement Omgeving vraagt het college van burgemeester en schepenen om een advies specifiek over het opgestelde, maar nog niet goedgekeurde project-MER, binnen een termijn van 30 dagen. Het college wordt eveneens om een advies gevraagd, maar dan voor de gehele omgevingsvergunningsaanvraag, binnen een termijn van 50 dagen. Het advies van het college over de gehele omgevingsvergunningsaanvraag kan pas geformuleerd worden nadat het openbaar onderzoek is afgerond. Onderhavig advies beperkt zich louter tot het opgestelde project-MER.

Het thermische conversieproces bestaat uit 5 stappen, zijnde afvalvoorbehandeling, hydrolyse, fasescheiding, thermisch kraken van plastics en fractionering van koolwaterstoffen. De geplande fabriek zal een verwerkingscapaciteit van 1.500 ton plastic afval en een productiecapaciteit van circa 610 ton circulaire nafta per dag hebben. In een eerste fase wordt de fabriek geëxploiteerd voor de verwerking van maximaal 750 ton plastic afval per dag, in een tweede fase wordt deze capaciteit verdubbeld.

De fabriek is specifiek gericht op plastic fracties die niet geschikt zijn voor mechanische recyclage. In de voorbehandelingsstap worden deze afvalstoffen ontdaan van inert materiaal en metaal. Als tweede stap worden de fracties verkleind in een schredder en granulator en gemengd met een vaste minerale stof en leidingwater om transport naar de volgende stap (hydrolyse) mogelijk te maken.

 

Met hogedrukpastapompen worden de verkleinde fracties doorheen de hydrolysereactor gepompt. Hierbij worden de verontreinigingen onder hoge druk met stoom uit het mengsel gehaald zodat er enkel polyolefinen achterblijven, als voeding voor de kraker. Het vervuilde water wordt afgevoerd naar de waterzuivering, de minerale vaste stof wordt hergebruikt in het proces. De polyolefinen worden mechanisch gedroogd en naar de kraker gestuurd, waar ze verhit worden tot 450 à 550°C waardoor de polymeerketens breken in kleinere gasmoleculen. Die worden tot slot naar de quench kolom geleid voor afkoeling en scheiding in verschillende fracties. Afhankelijk van de input kan de onderlinge verhouding variëren, gemiddeld geeft dit voor elke ton gemengd plastic afval het volgende: 

  • Circa 250 kg gasvormige fractie van brandbare koolwaterstoffen (methaan, ethaan, propaan, buteen, propyleen, waterstof en zwaardere gassen) en een aantal inerte gassen;
  • Circa 375 kg vloeibare fractie van koolwaterstoffen (‘circulaire nafta’);
  • Circa 125 kg zwaardere vloeibare fractie (‘circulaire diesel’) als bijproduct;
  • Circa 83,3 kg vaste houtskoolachtige fractie (‘char’).

Discipline lucht

Tijdens de aanlegfase worden emissies verwacht van zowel werfmachines als van werfverkeer. De maximale impact van werfmachines op de omgeving voor stikstofdioxide (NO2) benadert lokaal een bijdrage van 3,1% van de huidige milieukwaliteitsnorm, wat leidt tot een lokale score van -2 (negatief), deze zone bevindt zich echter op een weg wat niet als evaluatielocatie beschouwd moet worden. Voor het overige is er een beperkt negatief effect te verwachten.

In de exploitatiefase zijn de voornaamste emissiebronnen de stationaire bronnen (stoomketel en fakkel) en de transportemissies van wegverkeer en scheepvaart. Om de emissies per lucht in te schatten worden enerzijds data gebruikt van een gelijkaardig bedrijf in het buitenland en anderzijds zullen de emissiegrenswaarden uit VLAREM gebruikt worden (om zo een worstcasescenario te omvatten). Daarnaast wordt inzake emissiedebiet hetzij 100.000 Nm³/h (één productielijn), hetzij 200.000 Nm³/h (twee productielijnen) vooropgesteld.

 

De belangrijkste van de stationaire bronnen is de schoorsteen (60 meter hoog) van de gasgestookte stoomketel, waarin de niet-condenseerbare gassen en procesdampen mee worden verbrand met aardgas. Deze schoorsteen kan emissies veroorzaken van NOx, SO2, CO, fijn stof, zuren (zoals HCl en HF), dioxines, VOS en sporen van zware metalen. Omdat het hier om een meeverbrandingsinrichting voor afvalstoffen gaat, zijn er specifieke emissiegrenswaarden van toepassing. De gemodelleerde bijdrage van NO2, SO2 en stof lijkt beperkt te zijn. De aanvrager stelt dat in vergelijking met de strengere milieukwaliteitsnormen van 2030 de bijdrage van het project voor de jaargemiddelde concentraties van NO2 en SO2 consistent lager dan 1% is, dit voor de maximale hoeveelheid productielijnen.

Er werden ook reeds allerlei projectgeïntegreerde maatregelen voorzien, er is bijvoorbeeld een deNOx-installatie (SNCR) voorzien, samen met rookgasrecirculatie, stoffiltratie en actief koolfiltering om emissies (waaronder NOx, SO2, en stof) te minimaliseren. De SNCR-installatie is gekozen vanwege de robuustheid en de verwachting dat deze een NOx-reductie van minimaal 50% realiseert, resulterend in NOx-concentraties van 40 mg/Nm³ die lager zijn dan de onderste grens van de BBT-GEN-range (50-120 mg/Nm³). De aanvrager haalt aan dat er bij de keuze tussen de SCR of SNCR rekening gehouden werd met de BBT-leidraad voor NOx-verwijdering die een waarde van 5 – 20 euro/kg verwijderde NOx vooropstelt. Er werd een kostenbatenevaluatie toegevoegd aan de aanvraag.

De aanvrager verklaart inzake de mogelijkheid dat er PFAS zou zitten in de luchtstroom, dat er daar weinig aanwijzingen voor zouden zijn. De inputstromen betreffen namelijk zogenaamde ‘post customer plastics’, m.a.w. plastic afvalverpakkingen afkomstig van humane consumptie. In dergelijke producten wordt niet verwacht dat er PFAS en andere zeer zorgwekkende stoffen in verwerkt zitten. Op basis van de samenstelling van de brandstofstromen zijn er ook geen verbindingen die hiervoor verantwoordelijk kunnen zijn. De aanvrager stelt echter zelf dat, om hier een sluitend antwoord op te krijgen, wordt voorgesteld om een meting aan de schouw tijdens exploitatie uit te voeren. Deze meting dient dan best periodiek herhaald te worden. 

De fakkel is eveneens een geleid emissiepunt en is bedoeld om alleen bij calamiteiten of in uiterste noodgevallen te worden gebruikt. De fakkel heeft een hoogte van 30 meter. Het thermisch ingangsvermogen van de fakkelinstallatie bedraagt 85,2 MW. De fakkel wordt ingezet om gassen te verbranden die mogelijk vrijkomen bij uitval van onder druk staande recipiënten. Affakkelen moet uitsluitend gebeuren om veiligheidsredenen of bij andere dan normale bedrijfsomstandigheden. Er wordt geen (geschatte) tijdsduur op gekleefd.

Ten slotte zijn er ook diffuse emissiebronnen. Deze omvatten onder andere emissies die kunnen ontstaan bij de waterzuiveringsinstallatie, waar geurcomponenten of vluchtige organische stoffen (VOS) kunnen vrijkomen uit buffertanks. Ook de opslagtanks van de eindproducten zijn potentiële bronnen van VOS-emissies. Daarnaast kunnen bij het opslagen, laden en lossen van plastic afval of eindproducten ook vluchtige stoffen of stofdeeltjes in de omgevingslucht terechtkomen. Met betrekking tot de afvalwaterzuiveringsinstallatie kan de afvalwaterput en de DAF-unit een potentiële bron van geur zijn. Om deze geuremissies tot een absoluut minimum te beperken, wordt op het DAF-gebouw een actiefkoolfilter voorzien. Daarnaast wordt ook het bufferbekken afgezogen over een actiefkoolfilter.

Verder blijkt er, bij het bepalen van de impact aan de hand van de emissiegrenswaarden (worstcase dus), wel een relatief belangrijke depositie van dioxines op te treden. Dit betreft evenwel een ruime overschatting van de realiteit, want als brandstof voor de stoomketel wordt een mengsel van aardgas, niet-condenseerbare dampen uit de hydrolyse, en niet-condenseerbare dampen uit de kraker/fractionering gebruikt. Bij verbranding van aardgas worden geen dioxines gevormd. Voor de andere 2 inputstromen wordt er ook een zeer kleine kans gezien voor een bron van dioxines. In situ metingen zullen deze voorspellingen al dan niet moeten ontkrachten.

Inzake scheepverkeer zorgen de ligemissies voor beperkt negatieve effecten op de omgeving voor NO2 en SO2, met een bijdrage tussen 1 en 3% ten opzichte van de milieukwaliteitsnorm van 2030. Dit geeft volgens de aanvrager aanleiding tot een onderzoek voor milderende maatregelen. De aanvrager stelt zelf dat het aan te raden is om onderzoek te doen naar walstroom, in samenspraak met het Havenbedrijf. De stad beveelt dit onderzoek ook ten zeerste aan.

Discipline oppervlaktewater en afvalwater

De totale jaarlijkse waterstroom (ingang en uitgang) voor de installatie wordt geraamd op 2.738.180 m³/jaar. De waterbalans, gebaseerd op 330 productiedagen per jaar, is als volgt samengesteld:

 

INGAANDE STROMEN

m³/jaar

UITGAANDE STROMEN

m³/jaar

Deminwater voor boiler en koeling

1.267.200

Lozing bedrijfsafvalwater via zuivering

2.182.780

Leidingwater voor procestoepassingen

1.258.040

Verdamping

554.400

Input van producten

174.240

 

 

Niet-verontreinigd hemelwater

25.000

 

 

Verontreinigd hemelwater

12.700

 

 

Leidingwater voor huishoudelijke toepassingen

1.000

Lozing huishoudelijk afvalwater

1.000

TOTAAL INGAAND

2.738.180

TOTAAL UITGAAND

2.738.180

 

De stad wenst aan te stippen dat er verschillen op te merken zijn tussen tabel X-7 en tabel III-6.

Op basis hiervan wordt een jaarlijkse lozingsdebiet afgeleid van maximum 2.200.000 m³/jaar. Het gevraagde uurdebiet is 300 m³/h en het dagdebiet 7.200 m³/dag.

In de exploitatiefase ontstaat procesafvalwater uit verschillende onderdelen van de installatie. Een eerste bron is het hydrolyseproces, waarbij kunststofafval onder hoge temperatuur en druk chemisch wordt afgebroken. De aanwezige organische polluenten in deze waterstroom zullen dus typisch kleinere moleculen zijn van de groepen van de ketonen, alcoholen, carbonzuren, amines en amides naast een zoutfractie. Verder moet het eindproduct van het proces maximaal ontwaterd worden. Doorheen het proces zijn er dus ontwateringstrappen die licht verontreinigd zijn met koolwaterstoffen. Als laatste is er ook nog de spui van het koelwatersysteem.

Het afvalwater wordt geloosd in het Kanaaldok B1, aangezien er geen openbare riolering beschikbaar is ter hoogte van de site. Het bedrijfsafvalwater ondergaat een uitgebreide zuivering (waaronder flotatie, twee stappen aerobe biologische zuivering, elektro-ozonisatie, en actiefkoolfiltratie) voordat het geloosd wordt. De kwalitatieve beoordeling met behulp van de Wezer-toets toonde aan dat voor parameters zoals totaal stikstof (Nt) en totaal fosfor (Pt), de achtergrondkwaliteit van het Kanaaldok al ontoereikend (Nt) of matig (Pt) is, wat betekent dat de milieukwaliteitsnormen (MKN) reeds worden overschreden. De lozing draagt bij aan het niet halen van de doelstellingen voor Nt en Pt. Om een gunstige beoordeling te krijgen, moet de lozingsnorm dalen tot 0,11 mg/l voor Pt  en 2,9 mg/l voor Nt. Het gaat om een zomerhalfjaargemiddelde toetswaarde, waardoor ook dit zou kunnen worden opgelegd als zomerhalfjaargemiddelde lozingsnorm. De aanvrager stelt dat dit zeer lage waarden zijn die met de huidige waterzuiveringsinstallaties zelden kunnen worden gerespecteerd. Indien stikstof en fosfor moeten worden gedoseerd, zal dit zeer nauwkeurig moeten gebeuren met inline-metingen. Er wordt ook gesteld dat mogelijk nitrificatie- denitrificatie nodig zal zijn om de norm te halen. Voor de stad is het onduidelijk waarom deze stap dan niet voorzien is in het huidige ontwerp. Het lijkt aangewezen dit al te voorzien in het ontwerp.

Volgende bijzondere lozingsnormen worden aangevraagd:

Parameter

Eenheid

Voorgestelde norm

Type Norm 

CZV (chemisch zuurstofverbruik)

mg O2/l

30

90-percentiel (aanvullend op max. 100 mg O2/l) / BREF CWW

BZV (biologisch zuurstofverbruik)

mg O2/l

6,7

90-percentiel (aanvullend op max. 25 mg O2/l) / Algemene norm

ZS (zwevende stoffen)

mg/l

35

Maximum / BREF CWW

Pt (totaal fosfor)

mg/l

0,11

Zomerhalfjaargemiddelde (aanvullend op max. 2 mg/l) / Conventionele norm

Nt (totaal stikstof)

mg/l

2,9

Zomerhalfjaargemiddelde (aanvullend op max. 10 mg/l) / Vooropgesteld door ontwerper WZI

AsT (totaal arseen)

µg/l

15

Jaargemiddelde (aanvullend op max. 50 µg/l) / 10 x Indelingscriterium (IC)

Nit (totaal nikkel)

µg/l

50

Maximum / BREF CWW

Znt (totaal zink)

µg/l

300

Maximum / Geen BREF-norm van toepassing

CN-t (cyanide)

µg/l

122

Maximum (verstrengd t.o.v. max. 150 µg/l)

Fenol

µg/l

30

Maximum / BREF CWW

AOX

mg/l

0,4 (of 400 µg/l)

Jaargemiddelde (aanvullend op max. 1 mg/l) / BREF CWW

 

Er wordt eveneens ingezet op monitoring. Gezien de lozingsnormen zijn gebaseerd op theoretische inschattingen, is strikte postmonitoring vereist gedurende de eerste twee jaar na opstart om de feitelijke samenstelling en het debiet te bepalen, waarna de lozingsvergunning kan worden bijgesteld naar meer accurate normen. De stad stelt voor deze beperking voor 2 jaar op te leggen als bijzondere voorwaarde in de vergunning.

Het bedrijfsafvalwater is eveneens typisch gekenmerkt door relatief hoge temperaturen als gevolg van de aanwezigheid van de condensaten. Op basis van een worstcasescenario (zomer) wordt de temperatuurstijging in het Kanaaldok B1 op 1 meter van het lozingspunt geraamd op maximaal 0,45°C. Ook de milieukwaliteitsnorm van 25°C wordt nog gerespecteerd in het beschouwde uiterste zomerscenario. De thermische impact blijkt op basis hiervan niet verwaarloosbaar, doch wel beperkt (score -1).

SynPet kiest er voor om al het hemelwater van zowel daken als verhardingen op te vangen en te gebruiken. Het gaat om een totale afwaterende oppervlakte van +/- 5,1 ha (+/- 9.556 m² daken en +/- 41.410 m² verhardingen, niet-verontreinigd).

 

Het deminwater wordt aangekocht bij een derde partij en wordt ingezet als voedingswater voor de boiler van de stoomturbine en voor de aanvulling van het gesloten koelwatercircuit.

Zoals eerder vermeld is er tijdens de aanleg een bemaling noodzakelijk. Dit water wordt geloosd op het Kanaaldok. De invloed op het oppervlaktewater van deze lozing wordt als beperkt negatief (score -1) beoordeeld, hoewel een formele impactevaluatie (Wezertoets) voor dit debiet volgens de richtlijnen niet strikt noodzakelijk was. De toetsing toonde aan dat lozing aanvaardbaar is, met uitzondering van de parameter fosfor (Pt).


Discipline bodem en grondwater

Tijdens de aanlegfase zijn de verwachte effecten voornamelijk gerelateerd aan de noodzakelijke tijdelijke bemaling en het grondverzet.

 

Er is een tijdelijke bemaling noodzakelijk met een geschat totaal volume van circa 24.800 m³ (klasse 3) en dit voor een periode van 12 maanden. Het bemalingswater zal geloosd worden in het Kanaaldok B1, indien nodig na voorafgaande zuivering. De lozing valt onder klasse 2, omdat de aanwezigheid van PFAS, een prioritaire gevaarlijke stof, in concentraties boven de toetsingswaarde, zelfs na zuivering, niet uitgesloten kan worden. Voor de overige gevaarlijke stoffen, in het bijzonder zware metalen, zullen de geloosde concentratie na zuivering lager zijn dan 10 keer de respectievelijke toetsingswaarden. Het geloosde debiet bedraagt grootteorde 459 m³/dag. Voor de wijziging van de grondwaterkwantiteit en -kwaliteit is de effectscore -1. De debieten voor de bemaling worden op verschillende plekken in de tekst anders omschreven, gelieve deze op elkaar af te stemmen (21.900 m³ versus 24.800 m³).

Voor de diepste constructie (Unit 1 Waste Plastic Receiving Pit) is bemaling onder de veenlaag nodig, wat zonder voorzorgen kan leiden tot zettingen die de toegelaten waarde van 20 mm overschrijden Door de diepe bemaling uit te voeren binnen waterremmende wanden, blijven de berekende zettingen beperkt (maximaal 5 mm) en worden de toegelaten waarden niet overschreden. De diepte van de uitgraving lijkt niet overeen te komen met hetgene vermeld wordt in de archeologienota, daar wordt namelijk gesproken over enkel werken in de opgehoogde laag van 4,5m diep. 

Grondverzet is omvangrijk (ca. 47.000 m³ voor constructies en 20.000 m³ voor toekomstige constructies). De aanwezigheid van een restverontreiniging in de ondergrond (minerale olie, …) vraagt om een zorgvuldige aanpak. Maar bij toepassing van gepaste voorzorgsmaatregelen en het correct uitvoeren van grondverzet volgens de Vlarebo-regels wordt dit risico klein geacht (score -1).

Tijdens de exploitatiefase is er geen permanente grondwaterwinning of bemaling gepland. De volledige oppervlakte van de site zal opnieuw verhard worden. Alle risico's op bodem- en grondwaterverontreiniging tijdens de exploitatie worden verwaarloosbaar geacht (score: 0). Dit komt doordat er al preventieve en beheersmatige maatregelen in het ontwerp zijn opgenomen.


Discipline geluid en trillingen

Het studiegebied wordt bepaald door de zone rondom het projectgebied waarvoor een relevante geluids- en/of trillingsimpact van de werkzaamheden naar de geluidsgevoelige receptoren te verwachten is. Het meest nabijgelegen woongebied is de woonkern ‘Lillo-fort’ op meer dan 2,5 km ten westen van het projectgebied. Op ca. 2 km ligt een vrije basisschool (Braambos). Ten oosten van de inrichting bevindt zich het natuurgebied ‘Kuifeend’ (Vogelrichtlijngebied en VEN-gebieden).

Tijdens de aanlegfase treden geluids- en trillingsemissies op door bouwwerkzaamheden en werfverkeer. De geluidsbronnen tijdens de bouw zijn tijdelijk en niet-continu. Het geluidsdrukniveau van elke individuele bouwactiviteit op 200 meter van de terreingrens van de bouwzone ligt steeds beneden 55 dB(A). De luidruchtigste activiteiten worden maximaal beperkt tot de dagperiode. De effecten zijn tijdelijk en worden als verwaarloosbaar (score 0) beoordeeld.

Voor de exploitatiefase richt de beoordeling zich op de naleving van de milieukwaliteitsnormen (MKN) uit VLAREM II voor de verschillende bestemmingen. Geluid wordt prioritair aan de bron vermeden. De meeste geluidsbronnen (zoals compressoren, ventilatoren en pompen) zijn binnen in gebouwen geplaatst. De modellering gaat uit van een worstcasescenario waarbij alle bronnen continu op maximale belasting in werking zijn. De berekeningen tonen aan dat het geluidsniveau aan alle relevante evaluatiepunten (noord, oost, zuid, west en bij de woning in Lillo) ruim onder de geldende milieukwaliteitsdoelstellingen blijft, inclusief de strengere normen voor nieuwe inrichtingen. Ter hoogte van de woning in Lillo ligt het geluidsniveau zelfs onder 25 dB(A), wat ver onder de drempelwaarden ligt. Het effect van de inrichting op de geluidsbelasting wordt daarom als verwaarloosbaar tot beperkt negatief ingeschat.


Discipline mens-mobiliteit

De nieuwe fabriek wordt gebouwd tegen de Noorderlaan, een gewestweg met 2x2 rijstroken. De ontsluiting van de site zelf gebeurt via de Muisbroeklaan (2x1), die circa 100 meter verder op de Noorderlaan uitgeeft. Bij de beschrijving van de bestaande situatie voor het kruispunt Muisbroeklaan-Noorderlaan werd teruggegrepen naar tellingen uit 2015. Het is onduidelijk of dit nog steeds representatief is 10 jaar later.

Gezien de projectsite momenteel eveneens geëxploiteerd wordt, wordt in het MER de vergelijking gemaakt met de bestaande verkeersstromen. Euroports, de huidige exploitant, stelt dagelijks een honderdtal vrachtwagens te ontvangen op werkdagen. Het aantal werknemers bedraagt 10 à 20 per werkdag, overwegend (90%) met de wagen. Qua scheepvaartverkeer is er sprake van 1 tot 20 binnenschepen per dag. Het is onduidelijk of deze cijfers enkel betrekking hebben op de projectsite (circa 8 ha), of op de gehele site van Euroports aan de Muisbroeklaan, dewelke circa 20,5 ha bedraagt.

In de aanlegfase is er sprake van circa 67 camionettes of personenwagens en 57 vrachtwagens per dag. Tijdens de exploitatie worden circa 16 schepen per maand verwacht, naast 600 vrachtwagens, voor de aanvoer van de grondstoffen. De export van het eindproduct gebeurt eveneens via schepen (12 per maand) en vrachtwagens (1320 per maand). Dagelijks worden 64 vrachtwagens voor aan- en afvoer verwacht. Verder worden er 108 mensen tewerkgesteld in een tweeploegensysteem, waarvan de meesten (90%) met de wagen zullen komen. Gezien de cijfers voor vrachtverkeer lager liggen dan in de huidige situatie, en de beperkte toename van het personenvervoer, wordt in het MER geconcludeerd dat er geen problemen verwacht worden op vlak van doorstroming of verkeersveiligheid. Het is onzeker of deze conclusie zonder verdere onderbouwing gemaakt kan worden.

Het project voorziet in 64 parkeerplaatsen voor werknemers en bezoekers en een fietsenstalling voor 20 fietsen. Er is sprake van maximaal 30 aanwezige werknemers overdag. Echter wordt niet uitgeklaard wat het maximaal gelijktijdig aanwezige werknemers is, gelet op het shiftensysteem. Hierdoor is het onduidelijk of de parkeervoorzieningen toereikend zijn. Ook wordt er niet gesproken over eventuele wachtplaatsen voor vrachtverkeer.

Gelet op de modal split doelstellingen die het Havenbedrijf en de Vervoerregio Antwerpen ambiëren, is het wenselijk bijkomende maatregelen te nemen om het eigen personeel aan te zetten tot gebruik van duurzame mobiliteitsalternatieven.


Discipline mens-gezondheid

De beoordeling van voorliggende discipline richt zich op de mogelijke gezondheidseffecten en hindereffecten (psychosociaal en psychosomatisch) van de relevante milieustressoren. De meest relevante stressoren voor dit project zijn chemische stressoren (luchtverontreiniging, voornamelijk NOx, PM10 en PM2.5) en fysische stressoren (geluid).

De actuele luchtkwaliteit in het studiegebied overschrijdt reeds de gezondheidsadvieswaarde (GAW's) voor alle relevante stoffen (NO2, PM10, PM2.5). De bijdrage van het project, voor zowel procesemissies (stoomketel, fakkel, dieselgroep) als transportemissies, is echter beperkt. De gemodelleerde immissiebijdragen op vijf nabijgelegen woongebieden (waaronder Lillo, Berendrecht en Stabroek) laten namelijk zien dat de bijdrage van het project op deze locaties minder dan 1% van de GAW bedraagt voor zowel NO2 als PM10.

De discipline ‘geluid en trillingen’ concludeert dat de geluidsniveaus tijdens de exploitatie ruim onder de wettelijke drempels blijven


Discipline biodiversiteit

Aan de overzijde van de Noorderlaan, op circa 270 meter van de exploitatie, ligt het natuurgebied De Kuifeend, dat zowel VEN-gebied is al deel uitmaakt van het grotere Vogelrichtlijngebied ‘De Kuifeend en de Blokkersdijk’. Dit natuurgebied wordt omzoomd door het netwerk van permanente ecologische infrastructuur uit het soortenbeschermingsprogramma (SBP) Antwerpse haven. Hier bevindt zich voornamelijk rietvegetatie, met geschikte habitats voor verschillende soorten waaronder de blauwborst, bruin blauwtje en moeraswespenorchis. Al deze zones zijn ook opgenomen in de biologische waarderingskaart (BWK 2) als (een complex van onder andere) biologisch zeer waardevolle zones. Het dichtstbijzijnde Habitatrichtlijngebied betreft ‘Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent’, gelegen op circa 1 km.

Om de impact op al deze gebieden te beoordelen, werd een passende beoordeling en een verscherpte natuurtoets opgesteld. Ook werden de natuurbeheerplannen opgesomd in de beoordeling. 

Gezien de huidige site volledig verhard is, zijn er geen natuurwaarden aanwezig op de site. Er zijn dus geen directe effecten qua ecotoop- of biotoopverlies, barrièrewerking, bodem- of waterloopstructuurverstoring. In het MER worden daarom enkel de indirecte effecten onderzocht.

Op vlak van grondwaterhuishouding worden geen significante effecten verwacht, enerzijds omdat het projectgebied in het verleden reeds volledig verhard was en anderzijds omdat de invloedsstraal van de bemaling tijdens de aanlegfase niet reikt tot aan natuurgebieden. In de exploitatiefase is er geen permanente grondwaterwinning of bemaling. Mits de gepaste voorzorgsmaatregelen en BBT’s toegepast worden tijdens aanleg- en exploitatiefase worden ook de effecten van verontreiniging van bodem en grondwater verwaarloosbaar geacht (0). Ook voor de lozing van het afvalwater wordt een verwaarloosbaar effect (0) verwacht op de Schelde met bijhorend SBZ-H en VEN-gebied ‘Slikken en schorren langsheen de Schelde’. Voor de temperatuursimpact van de lozing op de waterfauna wordt verwezen naar een Nederlandse beoordelingssystematiek. In het MER wordt gesteld dat de maximum temperatuurstoename van de ontvangende waterloop binnen de marges blijft, echter lijkt dit niet op te gaan voor de meer gevoeligere soorten.

Rustverstoring door geluid werd reeds aangeraakt in de discipline geluid. In de huidige omgeving is reeds een eerder hoog geluidsniveau aanwezig. Verwacht wordt dat de aanwezige fauna al gewend is aan deze geluidsverstoring. Tijdens de aanlegfase werd bewust gekozen voor schroefpalen in plaats van heipalen, gezien deze minder lawaai en trillingen produceren. 

In het MER wordt gesteld dat gezien er enkel overdag gewerkt zal worden in de aanlegfase, verlichting niet vereist is. Ook tijdens de exploitatiefase lijkt er nog geen keuze gemaakt te zijn voor buitenverlichting. Wel wordt aanbevolen om aangepaste armaturen en verlichtingstypes met minimale lichtverstrooiing en ecologische impact te gebruiken, alsook enkel lokaal te verlichten waar nodig. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat er geen kunstmatige verlichting gebruikt zal worden in zowel aanleg- als exploitatiefase. De aanbevelingen dienen dus verankerd te worden als vergunningsvoorwaarde.

De impact van verzurende en/of eutrofiërende deposities werd bepaald voor het dichtsbijgelegen SBZ-H en afgetoetst aan het Stikstofdecreet. Zowel voor de aanleg- als exploitatiefase blijft de berekende impactscore onder de 1%-de minimisdrempel. Voor het nabijgelegen VEN-gebied werden eveneens de deposities ook berekend, uit de evaluatie in de verscherpte natuurtoets blijkt dat deze de vooropgestelde dalende trend niet zullen hypothekeren. Voor de VEN-gebieden is nog geen prognose voor 2030 beschikbaar voor verzurende deposities, hierbij werd dus enkel gekeken naar de vermestende deposities.

Op basis van de uitgevoerde passende beoordeling wordt in het MER gesteld dat het project niet zal leiden tot een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones. Ook het besluit van de verscherpte natuurtoets luidt dat het project niet zal leiden tot onvermijdbare en onherstelbare schade aan VEN-gebied. Een soortentoets werd niet toegevoegd.

Discipline landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie

Het project bevindt zich in het geïndustrialiseerd havengebied, maar ligt ook nabij het traditionelere en groenere polderlandschap. Er zijn geen beschermde erfgoedrelicten in de onmiddellijke omgeving.

Aan het MER werd eveneens een archeologienota toegevoegd als bijlage. Hierin wordt aangegeven dat de grond opgehoogd werd bij de 20ste-eeuwse uitbreiding van de haven. Enkel de paalfunderingen zullen tot oorspronkelijke bodemlagen reiken. De andere bodemingrepen blijven beperkt tot de opgehoogde laag en vormen aldus geen verstoring. De archeologienota concludeert dat er geen bijkomend archeologisch onderzoek nodig is en dat de kans op beschadigingen van archeologische vondsten klein is. De archeologienota wordt eveneens beoordeeld in het advies over de gehele omgevingsvergunningsaanvraag. De stad merkt hier reeds op dat de uitgravingsdiepte zoals vermeld wordt in de omschrijving van de bemaling, niet overeenkomt met hetgene omschreven wordt in de archeologienota. In deze laatste wordt gesteld dat er louter oppervlakkige ingrepen zijn. Het is onduidelijk of deze beiden op elkaar zijn afgestemd.

Het landschapsbeeld toont een industrieel landschap, gekenmerkt door onder andere windturbines, bedrijfsgebouwen, schoorstenen en fakkels, hoogspanningsmasten en kadekranen. De nieuwe fabriek met een hoogte van circa 60 meter zal een verwaarloosbare impact hebben op de landschappelijke structuur. Gezien het voorwerp van de aanvraag, dient conform art. 5.2.1.5.§5 van het VLAREM II een groenscherm van minstens 5 meter breedte aangelegd te worden rondom de exploitatie. Dit wordt echter niet besproken in het MER. 

Discipline licht en stralingen

Op het bedrijfsterrein wordt verlichting geplaatst om een goede bedrijfsvoering en veiligheid te ondersteunen, zoals het voorkomen van arbeidsongevallen, inbraak en vandalisme. De verlichting blijft beperkt tot wat nodig is en wordt zo gericht dat de invloed in een al verlichte omgeving minimaal is. Er zijn geen stralingsbronnen aanwezig.

Discipline klimaat en energie

De effecten in de discipline klimaat en energie voor de nieuwe P2C-installatie worden beoordeeld door middel van de zogenaamde ‘klimaatreflex’. Deze reflex houdt in dat de effecten van het project op het klimaat (mitigatie) en de kwetsbaarheid van het project voor klimaatverandering (adaptatie) gescreend worden.

De exploitatie is een energie-intensieve vestiging met een jaarlijks primair energieverbruik dat groter is dan 0,1 PJ. Het project valt eveneens onder het EU-emissiehandelssysteem (ETS). De geschatte jaarlijkse CO?-emissie van fossiele oorsprong (zoals vastgelegd in het Monitoringplan) bedraagt 160.722 ton.

Er werd voor dit project een energiestudie uitgevoerd door Arcadis, hierin worden verschillende maatregelen voorgesteld om de energie-efficiëntie te verhogen, zoals het voorverwarmen van de brandstof voor de stoomketel. Het is aangewezen dat het uitvoeren van deze aanbevelingen ook wordt verwerkt als projectgeïntegreerde maatregelen.

De SynPet Circularity Plant richt zich specifiek op plastic fracties die niet geschikt zijn voor mechanische recyclage. Het gaat om reststromen (residu’s) die overblijven na het sorteren en/of recycleren van plastic verpakkingsafval of andere plastic-afvalstromen. De belangrijkste beoogde output is circulaire nafta. Deze circulaire nafta kan fossiele olieproducten vervangen bij de productie van nieuwe kunststoffen. Chemische recycling wordt binnen het ‘Uitvoeringsplan kunststoffen 2020-2025’ gepositioneerd boven compostering, verbranding met energierecuperatie en de productie van brandstoffen, omdat het waardevolle basischemicaliën terugwint. Het project draagt dus ook onrechtstreeks bij aan het verminderen van de broeikasgasemissies door het verminderen van emissies die vrijkomen bij de verbranding van kunststofafval en het vermijden van emissies bij de primaire productie van nieuwe kunststoffen door fossiele olieproducten te vervangen door circulaire nafta. Het project draagt actief bij aan klimaatmitigatie door zijn circulaire karakter, waarbij SynPet een schakel vormt in de recyclage van kunststofafval en zo de materiaalkringloop tot stand brengt. Dit kadert volledig in de doelstellingen van zowel stad Antwerpen als het Havenbedrijf om circulaire productie in gang te zetten.

Er kan wel de noot gemaakt worden dat voorliggend project zich niet richt op de meest geprefereerde manier van recyclage. Het Uitvoeringsplan Kunststoffen 2020-2025 deelt het niveau 'recyclage' verder op. Hierbij wordt het terugwinnen van basischemicaliën voor de productie van polymeren (chemische recycling, zoals toegepast door SynPet) beschouwd als de minst geprefereerde vorm van kunststofrecyclage. Echter, deze chemische recycling wordt in de prioriteitsvolgorde duidelijk boven compostering, verbranding met energierecuperatie, en storten geplaatst. En SynPet richt zich voornamelijk op fracties die in een van deze categorieën belanden. Het is momenteel echter onduidelijk hoe het bedrijf kan garanderen dat het aangeleverde materiaal effectief onder desbetreffende categorie valt.

Conclusie

Het college onderschrijft de conclusies van het project-MER en sluit zich hierbij aan, mits de nodige aanvullingen en/of verduidelijkingen gegeven worden.

Fasering

Procedurestap

Datum

Ontvangst adviesvraag

14 oktober 2025

Uiterste adviesdatum

13 november 2025

 


Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een voorwaardelijk gunstig advies, zoals geformuleerd in de argumentatie, te geven op het MER.

Artikel 2

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.