Er werd een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend bij het college van burgemeester en schepenen, die behandeld wordt volgens de vereenvoudigde procedure van het Omgevingsvergunningendecreet.
Projectnummer: | OMV_2025099392 |
Gegevens van de aanvrager: | NV PSA Antwerp met als contactadres Napelsstraat 79 te 2000 Antwerpen |
Gegevens van de exploitant: | NV PSA Antwerp (0442652075) met als contactadres Napelsstraat 79 te 2000 Antwerpen |
Ligging van het project: | Scheldelaan - kaai 913 te 2040 Antwerpen |
Kadastrale percelen: | afdeling 20 sectie A nrs. 1/2Z, 1/2Y en sectie D nrs. 255T2 |
waarvan: |
|
- 20180305-0081 | afdeling 20 sectie D nrs. 255T2, sectie A nrs. 1/2Y en 1/2Z (PSA Antwerp) |
Vergunningsplichten: | stedenbouwkundige handelingen, exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten |
Voorwerp van de aanvraag: | plaatsen van een modulair gebouw, voorzien van parkeerplaatsen; verwijderen van 8 stalplaatsen voor vrachtwagens en uitbreiding met warmtepompen en airconditioning |
Omschrijving stedenbouwkundige handelingen
Relevante voorgeschiedenis
- 6/06/2025: omgevingsvergunning (OMV_2024138529) voor de regularisatie van constructies en bouw fietsenstalling;
- 18/09/2020: omgevingsvergunning (OMV_2020065137) voor het bouwen van een refter naast het bestaande MO-gebouw;
- 05/06/2015: stedenbouwkundige vergunning (HVN/B//2015956) voor het plaatsen van fietsenstallingen, ter plaatse van inkom garagegebouw en marine-operationsgebouw;
- 09/07/2004: stedenbouwkundige vergunning (HV/2003/B/0021 - 2003915) voor het inrichten van een containerterminal in uitbreiding van Schelde Container Terminal Noord (Fase II), K901-915, omvattende terreinaanleg en technische werken;
- 26/06/1996: stedenbouwkundige vergunning (HV/1995/5-95/B/1754 - 19953929) voor het bouwen van magazijnen voor elektriciens en kantoor;
- 21/12/1995: stedenbouwkundige vergunning (HV/1995/5-95/B/1117 - 19951972) voor het bouwen van een directie- en operatiegebouw.
Vergunde toestand
* functie:
> industrie en bedrijvigheid;
> containerterminal;
> Marine Operations-gebouw (MO-gebouw) dat fungeert als operationeel centrum voor de afhandeling van containerverkeer en faciliteiten biedt voor zowel administratieve als logistieke ondersteuning.
* inrichting:
> terminal K913: een reeds volledig ontwikkeld industrieterrein gekenmerkt door de op- en overslag van containers aan de Noordzee Terminal. Het terrein is ingericht met stapelzones voor containers, loodsen, burelen en aanhorigheden;
> het MO-gebouw bevindt zich in de zuidwestelijke hoek van de terminal.
Bestaande toestand
* functie:
> idem aan vergunde toestand.
* inrichting:
> bestaande verharding ingericht met verschillende zones waar het laden en lossen van containers gebeurt.
Nieuwe toestand
* functie:
> idem aan vergunde toestand;
> nieuw (tijdelijk) MO-gebouw.
* bouwvolume:
> modulair gebouw bestaande uit twee bouwlagen met plat dak;
> grondoppervlakte bedraagt circa 840 m², hoogte bedraagt circa 6,5 meter.
* gevelafwerking:
> gecoate geprofileerde metalen wandbekleding in lichtgrijze kleur;
> kunststof buitenschrijnwerk in witte kleur.
* inrichting:
> het nieuwe, tijdelijke, MO-gebouw wordt ingeplant in het westen van de terminal, ten noorden van een bestaand ICT-SO-gebouw waar ICT-diensten en systeemondersteuning voor de terminaloperaties gehuisvest zijn;
> rondom het nieuwe gebouw worden parkeerplaatsen ingericht.
Inhoud van de aanvraag
- bouwen van een (tijdelijk) modulair gebouw;
- aanleggen van riolering;
- grond gewoonlijk gebruiken als parking;
- plaatsen van constructies (hekwerk en toegangscontrole).
In de beschrijvende nota is een opsomming gemaakt van handelingen die volgens de aanvrager vrijgesteld zijn van stedenbouwkundige vergunningsplicht, zoals de verplaatsing van afvalcontainers, het verplaatsen van de EHBO-unit, het plaatsen van fietskluizen, het opbreken van verharding en het inrichten van een werfzone.
Het modulaire gebouw wordt aangevraagd voor een periode van 3 jaar.
Omschrijving ingedeelde inrichtingen of activiteiten
Voorgeschiedenis
Op 6 augustus 2015 verleende de deputatie van de provincie Antwerpen een milieuvergunning voor het verder in bedrijf houden en veranderen van een containerterminal, voor een termijn verstrijkend op 6 augustus 2035. Nadien werden nog diverse vergunningen verleend voor veranderingen.
Inhoud van de aanvraag
Het voorwerp van de aanvraag betreft het verwijderen van een transformator en een uitbreiding met warmtepompen en airconditioning.
Aangevraagde rubriek(en)
Rubriek | Omschrijving | Gevraagd voor |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; | -8 voertuigen |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW. | +32,62 kW |
Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het decreet betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid, het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en hun uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing.
Conform artikel 15 van het Omgevingsvergunningsdecreet is het college van burgemeester en schepenen voor zijn ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor volgende aanvragen van:
Voorafgaand aan zijn beslissing neemt het college kennis van het verslag van de gemeentelijke omgevingsambtenaar.
Het verslag van de gemeentelijke omgevingsambtenaar luidt:
Adviezen
Externe adviezen
Adviesinstantie | Datum advies gevraagd | Datum advies ontvangen | Advies |
Havenbedrijf Antwerpen-Brugge, Permits&Advice | 18 november 2025 | 16 december 2025 | Voorwaardelijk gunstig |
Havenbedrijf Antwerpen-Brugge, subadvies milieu | 18 november 2025 | 16 december 2025 | Gunstig |
Hulpverleningszone Brandweer zone Antwerpen | 18 november 2025 | 24 november 2025 | Voorwaardelijk gunstig |
Water-link | 18 november 2025 | Geen advies ontvangen bij opmaak van dit verslag |
|
Interne adviezen
Adviesinstantie | Datum advies gevraagd | Datum advies |
Stadsontwikkeling/ Mobiliteit | 18 november 2025 | 22 december 2025 |
Toetsing regelgeving en beleidsrichtlijnen
Plannen van aanleg, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingen
Het goed is gelegen in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) Afbakening zeehavengebied Antwerpen (Besluit van de Vlaamse regering van 30 april 2013), binnen de afbakeningslijn.
De gebieden binnen de afbakeningslijn behoren tot het zeehavengebied Antwerpen.
Met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgelegd, blijven de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing.
Het goed is volgens voornoemd gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan grotendeels bestemd als Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven.
Zulk gebied is bestemd om te functioneren als Vlaams havengebied als onderdeel van de haven van Antwerpen. Het is bestemd voor zeehavengebonden en zeehavengerelateerde industriële en logistieke activiteiten en distributie-, opslag- en overslagactiviteiten die gebruikmaken van en aangewezen zijn op de zeehaveninfrastructuur.
Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming en voor de exploitatie van de haven en de bedrijven zijn toegelaten.
Daartoe worden ook de volgende werken, handelingen, voorzieningen, en wijzigingen gerekend:
- de aanleg en het onderhoud van infrastructuur die nodig is voor de toegankelijkheid of voor verbindingen langs de waterzijde en langs de landszijde;
- het laguneren of op een andere wijze bergen of verwerken van baggerspecie.
Daarnaast is de ontwikkeling, het herstel en de instandhouding van tijdelijke ecologische infrastructuur toegelaten.
In het gebied zijn eveneens gebouwen of lokalen voor bewakingspersoneel toegelaten.
In het gebied zijn kantoorgebouwen niet toegelaten, tenzij ze noodzakelijk zijn voor en een inherent onderdeel zijn van de exploitatie van haven- en industriële activiteiten. De bestaande kantoorgebouwen kunnen behouden blijven binnen het bestaande bouwvolume op het moment van definitieve vaststelling van dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Uitbreidingen zijn niet toegelaten.
De aanvraag dient beoordeeld te worden aan de hand van de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
Het geplande gebouw dient ter vervanging van een bestaand gebouw, biedt plaats aan eigen werknemers en bevat ruimtes met ondersteunende functies (vergaderzaal, refter, kleedkamers voor arbeiders,…) waardoor het als nevenfunctie en als inherent onderdeel van de aanwezige industriële hoofdfunctie wordt beschouwd. De aanvraag is in overeenstemming met de bestemming en de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.
Gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen
Hemelwater: het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.
De verordening hemelwater is van toepassing op de aanvraag. Het hemelwater dat op het dak van het MO-gebouw valt, wordt opgevangen in twee hemelwaterputten met een inhoud van elk 20.000 liter waarbij het opgevangen hemelwater wordt hergebruikt als sanitair spoelwater. De aanvrager wijkt hiermee af van het vereiste volume volgens de verordening maar staaft dit door het toevoegen van een berekening waaruit blijkt dat het gekozen volume van 40.000 liter voldoende is in verhouding tot het effectieve verbruik en de tijdelijke aard van het project.
De overloop van de hemelwaterputten wordt aangesloten op een ondergrondse infiltratievoorziening die bestaat uit vijf infiltratieputten met een totale infiltratieoppervlakte van 22,50 m² en infiltratievolume van 6.250 liter. De oppervlakte voldoet aan de vereisten van de verordening maar het vereiste volume bedraagt 6.382 liter. Om het tekort van 132 liter op te vangen, voorziet de aanvrager een infiltrerende leiding (met een volume van 213 liter) tussen de hemelwaterputten en de infiltratieputten. Volgens de verordening dient voorkeur gegeven te worden aan een bovengrondse infiltratievoorziening. De aanvrager motiveert de plaatsing van deze ondergrondse voorziening omwille van de ruimtelijke beperkingen die een containerterminal met zich meebrengt. De continue beweging van zwaar rollend materieel maakt dat er geen veilige ruimte beschikbaar is voor een wadi of infiltratiekom.
De voorziene hemelwater- en infiltratieputten zullen tevens dienen voor de opvang van het hemelwater voor het toekomstige MO-gebouw. Daar het nieuwe gebouw een kleinere dakoppervlakte zal hebben dan het tijdelijke gebouw, zijn de putten voldoende groot gedimensioneerd.
De afwijking op het volume van de hemelwaterputten en de ondergrondse infiltratievoorzieningen kan worden verleend. De aanvraag voldoet aan de uitgangsprincipes van de verordening hemelwater.
Toegankelijkheid: het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid.
De verordening toegankelijkheid is niet van toepassing op de aanvraag. De aanvrager verklaart dat het gebouw uitsluitend toegankelijk is voor personeel en er geen toegang voorzien is voor klanten, publiek of bezoekers. Gezien de tijdelijkheid van het gebouw worden geen specifieke voorzieningen getroffen voor personen met een handicap. Werknemers met een handicap kunnen worden tewerkgesteld in bestaande gebouwen die wel over deze voorzieningen beschikken.
Publiciteit: het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening voor publiciteitsinrichtingen.
De verordening publiciteit is niet van toepassing op de aanvraag.
Sectorale regelgeving
MER-screening: het komt toe aan de overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag om te beslissen of er een project-MER moet worden opgesteld.
Rekening houdend met de kenmerken van de aanvraag en zijn omgeving werd geoordeeld tijdens het volledig- en ontvankelijkheidsonderzoek dat de mogelijke milieueffecten van het project niet aanzienlijk zijn.
Programmatische Aanpak Stikstof: overeenkomstig het Stikstofdecreet, het nieuwe beoordelingskader voor alle aanvragen die stikstofemissies veroorzaken, in werking getreden op 23 februari 2024.
De aanvraag valt onder het toepassingsgebied van het Stikstofdecreet.
Op basis van de toepassing van het Stikstofdecreet kan redelijkerwijs geoordeeld worden dat voorliggende aanvraag een verkeersdragend of een verkeersgenererend project is. Het beoordelingskader uit het decreet is dus van toepassing. De berekende impactscore is kleiner dan of gelijk aan 1%. De opmaak van een passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie via de lucht ten aanzien van SBZ-H is niet vereist.
Watertoets: overeenkomstig artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 (verder genoemd Waterwetboek), dient een vergunningsaanvraag onderworpen te worden aan de zogenaamde watertoets. Deze wordt uitgevoerd overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018.
Het voorliggende project is niet gelegen in een zone waarvoor een adviesinstantie werd aangewezen.
Voor het project is geen fluviale overstromingskans gemodelleerd (score A).
Het project bevindt zich in het noorden beperkt in een zone met een kleine pluviale overstromingskans (T1000) onder huidig klimaat (score C) en een zone met een middelgrote pluviale overstromingskans (T100) onder huidig klimaat (score D). Gezien de beperkte ligging binnen het overstromingsgevoelig gebied, het tijdelijk karakter en daar het toekomstig MO-gebouw meer naar het zuiden ingeplant wordt en dus buiten deze zone, kan worden gesteld dat het risico aanvaardbaar is.
Het project is niet gelegen in een signaalgebied.
Rioleringstoets: overeenkomstig artikel 4.3.9 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 moet een omgevingsvergunningsaanvraag getoetst worden aan de zogenaamde rioleringstoets.
De rioleringstoets is van toepassing op de aanvraag. Het afvalwater wordt aangesloten op de bestaande kleinschalige waterzuiveringsinstallatie (KWZI) van het nabijgelegen ICT-SO-gebouw. De aanvraag voldoet hiermee aan de bepalingen van de rioleringstoets.
Archeologienota: overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 moet aan bepaalde aanvragen een archeologienota worden toegevoegd waarvan akte werd genomen
Het voorliggende project betreft geen ingrepen in de bodem waarvoor een archeologienota waarvan akte is genomen van toepassing is.
Omgevingstoets
Toetsing van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening
Functionele inpasbaarheid
Naar aanleiding van enkele incidenten waarbij een containerkraan is omgevallen, werd een zone afgebakend waarbinnen geen gebouwen meer mogen staan. Het huidige MO-gebouw valt binnen deze zone. Om de veiligheid van de werknemers te garanderen, wenst de aanvrager een nieuw MO-gebouw op te richten buiten deze kritieke zone. In eerste instantie wordt een tijdelijk gebouw geplaatst, bestaande uit modulaire units. Dit is het voorwerp van voorliggende aanvraag. In een latere fase zal een aanvraag worden ingediend voor een nieuw permanent gebouw.
Het modulaire gebouw wordt geplaatst op een bestaande verharding op circa 70 meter ten noorden van een bestaand gebouw (ICT-SO-gebouw). Daar dit gebouw dagelijks circa 210 arbeiders (verdeeld over drie shiften) en 15 bedienden moet huisvesten, worden er rondom het gebouw parkeerplaatsen aangelegd voor zowel personenwagens als ‘kaaiwagens’. Deze parkeerplaatsen betreffen een verschuiving van bestaande parkeerplaatsen die zich aan het huidige MO-gebouw bevinden.
Om de zone van het tijdelijk MO-gebouw af te bakenen, worden er betonblokken geplaatst met daarop hekwerk conform de ISPS-wetgeving met een totale hoogte van 3,68 meter. De toegang gebeurt gecontroleerd via een tourniquet.
Het nieuwe gebouw draagt bij tot de veiligheid van werknemers, is ter vervanging van een bestaand gebouw en draagt bij tot de verdere exploitatie van het bedrijf waardoor de aanvraag functioneel inpasbaar is.
Schaal - ruimtegebruik - bouwdichtheid
Het nieuwe gebouw is relatief beperkt qua omvang en wordt geplaatst op reeds bestaande en vergunde verharding, binnen de grenzen van een ontwikkeld industrieterrein, waardoor geen extra ruimte wordt ingenomen. De aanvraag is in overeenstemming en verenigbaar met de ruimtelijke context van het havengebied waarbinnen deze aanvraag is gesitueerd.
Visueel-vormelijke elementen
Het nieuwe gebouw bestaat uit modulaire units en wordt tijdelijk aangevraagd. Het type constructie zelf is weinig architecturaal en weinig visueel aantrekkelijk waardoor het niet bijdraagt tot een aangenaam straatbeeld. Dergelijke constructies worden enkel tijdelijk vergund.
Hinderaspecten – gezondheid – gebruiksgenot – veiligheid in het algemeen
Gezien de aard van de aanvraag werd het advies ingewonnen van de Brandweer zone Antwerpen. Zij brachten een voorwaardelijk gunstig advies uit. Er dient te worden voldaan aan de opmerkingen en voorwaarden uit dit advies.
Advies werd gevraagd aan het Havenbedrijf Antwerpen-Brugge als gebiedsbeheerder. Zij brachten een voorwaardelijk gunstig advies uit met als voorwaarde dat het Havenbedrijf van oordeel is dat kantoorcontainers/modulaire units niet als duurzame ontwikkeling beschouwd kunnen worden en de vergunningstermijn daardoor tot 8 jaar beperkt wenst te zien. Daar de aanvrager het modulaire gebouw aanvraagt voor een periode van 3 jaar, valt deze voorwaarde zonder voorwerp.
Wegens de nabijheid van een waterleiding werd advies gevraagd aan Water-link. Zij hebben echter geen tijdig advies uitgebracht. De aanvrager is wettelijk verplicht om voor de start van de werken een KLIP-melding uit te voeren.
Mobiliteitsimpact (onder andere toetsing parkeerbehoefte)
De aanvraag genereert geen bijkomende parkeerbehoefte noch verkeersbewegingen. Er worden wel nieuwe parkeerplaatsen aangelegd maar deze vervangen de bestaande parkeerplaatsen nabij het huidige MO-gebouw. Netto komen er geen parkeerplaatsen bij en blijft de personeelsbezetting dezelfde. De nieuwe parkeerplaatsen worden deels voorzien op een bestaande parking voor vrachtwagens waardoor acht parkeerplaatsen voor vrachtwagens worden opgeheven. De aanvrager geeft aan dat dit geen impact heeft.
Advies werd gevraagd aan de dienst mobiliteit van de stad Antwerpen. Zij brachten volgend advies uit:
Werkelijke parkeerbehoefte
Deze aanvraag betreft de bouw van modulaire units in afwachting van de verplaatsing van een administratief gebouw. Aangezien er door deze nieuwbouw geen nieuwe werknemers worden aangetrokken, is er bijgevolg geen bijkomende parkeerbehoefte voor de bouw van de tijdelijk units.
Door de verplaatsing verdwijnen er 170 parkeerplaatsen ten opzichte van de vergunde toestand. Bestaande parkeerplaatsen moeten zoveel mogelijk behouden blijven. Aangezien er in de vergunde toestand een overschot aan parkeerplaatsen is, moeten niet alle parkeerplaatsen die verdwijnen opnieuw voorzien worden.
Het maximaal aantal personeelsleden dat tegelijk aan het werk is in het gebouw bedraagt 85. Rekening houdend met een overlap tijdens de shiftwissel, is het maximaal aantal aanwezige werknemers op de site 160. Gesteld dat 90% van de werknemers met de auto komen, bedraagt de parkeerbehoefte 144.
Nuttige parkeerplaatsen
Op het inplantingsplan worden 107 nieuwe parkeerplaatsen voor auto’s voorzien in de zone rond het tijdelijk modulair gebouw. Daarnaast blijven er 25 parkeerplaatsen behouden in het oosten van het perceel. Er wordt 1 aangepaste en toegankelijke parkeerplaats voorzien. Volgens het vademecum parkeervoorzieningen zouden er 8 (6% van het totaal) zulke parkeerplaatsen moeten voorzien worden. De parkeervakken voldoen aan de opgelegde normen en afmetingen. De aanvrager motiveert echter dat de verordening toegankelijkheid niet van toepassing is op de aanvraag (zie Toetsing regelgeving en beleidsrichtlijnen).
Daarnaast worden nog 20 parkeerplaatsen voor (elektrische) kaaiwagens en 2 parkeerplaatsen voor (elektrische) busjes aangelegd. Deze voertuigen blijven volledig binnen de site en hebben geen aansluiting op het openbaar domein. Ze worden niet meegeteld om te voldoen aan de parkeerbehoefte.
Ontsluiting/bereikbaarheid
De schuine parkeerplaatsen lijken onderaan begrensd door een afsluiting waar ter hoogte van parkeerplaats nummer 13 en 14 ook een tourniquet in zit. Als op die plaatsen voertuigen geparkeerd staan, is het tourniquet niet meer (vlot) bereikbaar en kan dus niet van op de parking naar het nieuwe modulaire gebouw gewandeld worden. Het is aangewezen bij uitvoering voldoende ruimte te voorzien tussen de tourniquet en de parkeerplaatsen, waardoor deze alle vlot bruikbaar zijn.
Het is niet duidelijk hoe de voetgangers van op de parking naar het kantoorgebouw moeten wandelen. Voor voetgangers dienen er looplijnen en zebrapadmarkeringen voorzien te worden om aan te geven waar de voetgangers moeten wandelen en om bestuurders te duiden op hun mogelijke aanwezigheid op de site tussen de parkeerplaatsen en de ingang van het gebouw.
Bovenstaande aandachtspunten worden meegegeven als aanbeveling. Het is aan de exploitant zelf om te zorgen voor een veilige, interne organisatie van de verschillende verkeersstromen op de eigen site.
Fietsvoorzieningen
Er worden 10 fietskluizen voorzien. Dit zijn kwalitatieve overdekte en afgesloten staanplaatsen voor fietsen. In de mobiliteitsnota wordt aangegeven dat dagelijks een 10-tal personen met de fiets naar het werk komt. Er is dus geen ruimte om een stijgend aantal werknemers dat met de fiets komt op te vangen in de toekomst.
Bovendien is er een groot onevenwicht in het aantal parkeerplaatsen dat voorzien wordt voor auto’s en voor fietsen (132 versus 10). Dit is geen stimulans voor de werknemers om op een duurzame wijze naar het werk te komen. Als bovendien rekening wordt gehouden met een overlap van werknemers vanwege de shiftwissel is er een parkeerbehoefte van 144. Aangezien er 132 parkeerplaatsen voor auto’s worden voorzien, zou het tekort kunnen opgevangen worden door extra fietsparkeerplaatsen. Er wordt dus als suggestie gegeven om minimaal 13 (10% van het aantal autostaanplaatsen) te voorzien. Dit wordt meegegeven als aandachtspunt voor het ontwerp van het definitieve MO-gebouw, ook gelet op de gewenste modal shift.
Ten oosten van het projectgebied ligt een bestaand fietspad, dat van de rijbaan gescheiden is door een rij ‘jerseys’. Via een opening in deze afscheiding kan overgestoken worden naar het projectgebied, waar zich de fietskluizen bevinden.
Er dienen fietssymbolen aangebracht te worden tussen dit fietspad en de fietskluizen om te duiden op de aanwezigheid van fietsers. Dit wordt meegegeven als aanbeveling ter verhoging van de verkeersveiligheid op de site.
Laden en lossen
De toegang tot de site via de Scheldelaan blijft ongewijzigd, met gescheiden verkeersstromen voor containertransport en uitzonderlijk transport richting de CFS-zone (Container Freight Station, zone waar goederen worden verzameld). De CFS-zone wordt verplaatst naar het noordelijke deel van de site, waardoor ruimte vrijkomt voor de plaatsing van het modulair gebouw op de huidige locatie van de CFS-zone. Binnen het project wordt ook de truckparking geoptimaliseerd: acht vrachtwagenparkeerplaatsen worden geschrapt ten voordele van extra personeelsparking. ATS voert sinds 31/09/2025 een capaciteitstest uit waarbij deze acht plaatsen zijn verwijderd. De test toont aan dat er geen negatieve impact is op de wachtrijen op de Scheldelaan. In totaal wordt het aantal truckparkeerplaatsen gereduceerd van 52 naar 44. Parkeren, laden en lossen en wachten door vrachtwagens worden dus volledig op eigen terrein opgevangen.
Toetsing van aanvaardbaarheid van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten op het vlak van hinder en risico's voor de mens en het milieu
PSA Antwerp nv baat in de Antwerpse haven een containerterminal uit. De Noordzeeterminal is gevestigd aan de Scheldelaan 601 – kaai 913 te Antwerpen.
Voorliggende aanvraag betreft de verplaatsing van het Marina Operations (MO) gebouw. Het bestaande gebouw staat in een zone waar gevaar dreigt wanneer een kraan omvalt. Gezien de dringendheid van deze verplaatsing wordt met deze aanvraag een tijdelijk (circa 2 jaar) gebouw voorzien zodat enerzijds het bestaande MO-gebouw kan worden afgebroken en er een nieuw permanent MO-gebouw kan worden geplaatst. De sloop van het bestaande MO-gebouw alsook de stopzetting van alle IIOA die zich hierin bevinden, zullen worden aangevraagd in een volgend dossier.
Het tijdelijk MO-gebouw wordt geplaatst naar een zone waar momenteel 8 stalplaatsen zijn voor vrachtwagens. Rubriek 15.1.2 wordt dan ook verminderd met 8 plaatsen.
Verder wordt het gebouw voorzien van 26 warmtepompen en 2 airconditioningsinstallaties met een totaal geïnstalleerd vermogen van 32,62 kW. De gebruikte koelmiddelen zijn R32 en R134a en hebben een aardopwarmingsvermogen of GWP (Global Warming Potential) van respectievelijk 675 en 1.430. R32 heeft dus een laag GWP, R134a eerder hoog. Gelieve er rekening mee te houden dat sommige koelmiddelen aan uitfasering onderworpen zijn om in het kader van duurzaamheid en in geval van accidentele vrijstelling, de impact op het milieu te milderen. Meer informatie over in de toekomst toegelaten koelmiddelen en hun eventuele uitfaseringstermijn kan teruggevonden worden op https://www.vlaanderen.be/veka/energie-en-klimaatbeleid/energie-en-klimaatbeleid-voor-ondernemingen/f-gassen/20-februari-2024-nieuwe-f-gassenverordening-gepubliceerd.
Conform het Omgevingsvergunningsbesluit dient de beslissing de geactualiseerde vergunningsvoorwaarden te vermelden. In het besluit met kenmerk OMV2025016716 van 26 september 2025 werden onderstaande bijzondere milieuvoorwaarden opgenomen:
2. Voor het afstomen van de bedrijfsvoertuigen moet er maximaal gebruik gemaakt worden van hemelwater. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij langdurige droogte of onverwachte technische problemen, mag er leidingwater gebruikt worden. Deze voorwaarde is blijvend van toepassing en zal behouden blijven.
6. In afwijking van artikel 4.2.5.1.1§1 van VLAREM II volstaat een controleput voor de lozing van bedrijfsafvalwater afkomstig van de was- en tankpiste. Deze voorwaarde is blijvend van toepassing en zal behouden blijven.
7. De projectgeïntegreerde voorwaarden uit de passende beoordeling worden strikt uitgevoerd. Deze voorwaarde blijft van toepassing zolang de werkzaamheden volgend uit dossier OMV2025016716 lopende zijn. Deze voorwaarde blijft bijgevolg behouden.
Advies aan het college
Advies over de stedenbouwkundige handelingen
Aan het college wordt voorgesteld om voor de stedenbouwkundige handelingen de omgevingsvergunning te verlenen onder voorwaarden.
Geadviseerde stedenbouwkundige voorwaarden
1. De handelingen waarvoor de vergunning wordt verleend, mogen niet langer dan 3 jaar na de datum waarop de huidige vergunning een definitief en niet langer voor administratief beroep vatbaar karakter verkrijgt, in stand blijven. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning moet de begunstigde het terrein herstellen in de staat waarin het zich bevond vóór de tenuitvoerlegging van de vergunning van bepaalde duur.
2. De bijgevoegde brandvoorzorgsmaatregelen zijn op het moment van eerste ingebruikname/exploitatie na te leven.
Advies over de ingedeelde inrichtingen of activiteiten
Mits voldaan wordt aan de voorgestelde vergunningsvoorwaarden, is deze aanvraag in overeenstemming met de VLAREM-wetgeving. Vanuit milieutechnisch oogpunt wordt positief advies gegeven de vergunning te verlenen.
Geadviseerde rubriek(en)
Rubriek | Omschrijving | Geadviseerd voor |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; | -8 voertuigen |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW. | +32,62 kW |
Gecoördineerde rubriek(en)
Rubriek | Omschrijving | Gecoördineerd |
3.4.2° | het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II, met een debiet van meer dan 2 m³/uur tot en met 100 m³/uur; | 42,91 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar; | 4.595 m³/jaar |
6.4.2° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van meer dan 50.000 liter tot en met 5.000.000 liter; | 59.175 liter |
6.5.2° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen, namelijk installaties voor het vullen van brandstoftanks van motorvoertuigen met vloeibare koolwaterstoffen, bestemd voor de voeding van de erop geïnstalleerde motor(en): overige inrichtingen; | 16 verdeelslangen |
12.1.1.1°a) | inrichtingen die wisselspanning opwekken, met een geïnstalleerd totaal elektrisch schijnbaar vermogen van 150 kVA tot en met 800 kVA als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied; | 446,88 kVA |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA; | 4 x 3.150 kVA
4 x 2.500 kVA 5 x 3.000 kVA 1 x 1.600 kVA 8 x 2.000 kVA 2 x 7.500 kVA 2 x 16.000 kVA 2 x 125.000 kVA 1 x 55.000 kVA |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; | 250 voertuigen |
15.2. | andere werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) dan de werkplaatsen, vermeld in rubriek 15.3; | 2 werkplaatsen |
15.4.1° | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, wanneer volledig gelegen in industriegebied; | 1 wasplaats |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW; | 547,62 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1.000 liter tot en met 10.000 liter; | 1.922 liter |
17.3.2.1.1.2° | opslagplaatsen voor ontvlambare vloeistoffen (gevarenpictogram GHS02) van gevarencategorie 3 (gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen) met een vlampunt lager dan of gelijk aan 55°C en gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton; | 185,20 ton |
17.3.2.1.2.1° | opslagplaatsen voor overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 (andere dan gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige stoffen met een vlampunt lager dan of gelijk aan 55°C) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton; | 1 ton |
17.3.4.1°a) | opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied; | 1,20 ton |
17.3.6.1°a) | opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied; | 6,23 ton |
17.3.7.1°a) | opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied; | 1,45 ton |
17.3.8.2° | opslagplaatsen voor het aquatisch milieugevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 200 ton; | 3,20 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter; | 3.669 liter |
19.3.1°a) | inrichtingen voor het mechanisch behandelen en het vervaardigen van artikelen van hout e.d. andere dan deze bedoeld in rubriek 19.8 met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied; | 28,20 kW |
29.5.2.1°a) | smederijen en inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, wanneer volledig gelegen in een industriegebied; | 29,26 kW |
29.5.5.1°a) | Oppervlaktebehandeling, met inbegrip van ontvetting van metalen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, als de gezamenlijke inhoud van de gebruikte behandelingsbaden en spoelbaden of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën, als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, uit de volgende volumes bestaat: 10 liter tot en met 1.000 liter, als de inrichting volledig in een industriegebied ligt; | 150 liter |
29.5.7.2°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een vlampunt tot en met 55° C met een totaal inhoudsvermogen van de baden en de spoelbaden of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, van 10 liter tot en met 1.000 liter, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied; | 150 liter |
31.1.1°a) | stationaire motoren en gasturbines met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 kW tot en met 2.000 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt; | 720 kW |
43.1.2°a) | stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 2.000 kW tot en met 5.000 kW in de gevallen andere dan vermeld sub 1°, a) of b); | 2.260 kW |
50. | opslagplaatsen van strooizout van meer dan 20 ton. | 100 ton |
Geadviseerde bijzondere milieuvoorwaarden
1. geschrapt;
2. voor het afstomen van de bedrijfsvoertuigen moet er maximaal gebruik gemaakt worden van hemelwater. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij langdurige droogte of onverwachte technische problemen, mag er leidingwater gebruikt worden;
3. geschrapt;
4. geschrapt;
5. geschrapt;
6. in afwijking van artikel 4.2.5.1.1§1 van VLAREM II volstaat een controleput voor de lozing van bedrijfsafvalwater afkomstig van de was- en tankpiste;
7. de projectgeïntegreerde voorwaarden uit de passende beoordeling worden strikt uitgevoerd.
Procedurestap | Datum |
Indiening aanvraag | 5 september 2025 |
Volledig en ontvankelijk | 18 november 2025 |
Start openbaar onderzoek | geen |
Einde openbaar onderzoek | geen |
Gemeenteraad voor aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen | geen |
Uiterste beslissingsdatum | 17 januari 2026 |
Verslag GOA | 30 december 2025 |
Naam GOA | Wim Van Roosendael en Bieke Geypens |
Er zijn geen aanpalende eigenaars waarvan de scheidingsmuren met het project zouden worden opgericht, uitgebreid of afgebroken, die om hun standpunt gevraagd moesten worden.
Het college sluit zich integraal aan bij het verslag van de gemeentelijke omgevingsambtenaar en maakt dit tot zijn eigen motivatie.
Het college beslist de aanvraag tot omgevingsvergunning goed te keuren en aan de aanvrager de vergunning af te leveren, die afhankelijk is van de strikte naleving van volgende voorwaarden:
Algemene voorwaarden
de algemene voorwaarden die aan de vergunning zijn gehecht en er integraal deel van uitmaken.
Stedenbouwkundige voorwaarden
1. De handelingen waarvoor de vergunning wordt verleend, mogen niet langer dan 3 jaar na de datum waarop de huidige vergunning een definitief en niet langer voor administratief beroep vatbaar karakter verkrijgt, in stand blijven. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning moet de begunstigde het terrein herstellen in de staat waarin het zich bevond vóór de tenuitvoerlegging van de vergunning van bepaalde duur.
2. De bijgevoegde brandvoorzorgsmaatregelen zijn op het moment van eerste ingebruikname/exploitatie na te leven.
Bijzondere milieuvoorwaarden
1. geschrapt;
2. voor het afstomen van de bedrijfsvoertuigen moet er maximaal gebruik gemaakt worden van hemelwater. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij langdurige droogte of onverwachte technische problemen, mag er leidingwater gebruikt worden;
3. geschrapt;
4. geschrapt;
5. geschrapt;
6. in afwijking van artikel 4.2.5.1.1§1 van VLAREM II volstaat een controleput voor de lozing van bedrijfsafvalwater afkomstig van de was- en tankpiste;
7. de projectgeïntegreerde voorwaarden uit de passende beoordeling worden strikt uitgevoerd.
Het college beslist de plannen waarvan een overzicht als bijlage bij dit besluit is gevoegd, goed te keuren.
De vergunning omvat thans volgende rubriek(en):
Rubriek | Omschrijving | Gecoördineerd |
3.4.2° | het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II, met een debiet van meer dan 2 m³/uur tot en met 100 m³/uur; | 42,91 m³/uur |
3.6.1. | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, met een debiet van meer dan 600 m³/jaar; | 4.595 m³/jaar |
6.4.2° | opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van meer dan 50.000 liter tot en met 5.000.000 liter; | 59.175 liter |
6.5.2° | brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen, namelijk installaties voor het vullen van brandstoftanks van motorvoertuigen met vloeibare koolwaterstoffen, bestemd voor de voeding van de erop geïnstalleerde motor(en): overige inrichtingen; | 16 verdeelslangen |
12.1.1.1°a) | inrichtingen die wisselspanning opwekken, met een geïnstalleerd totaal elektrisch schijnbaar vermogen van 150 kVA tot en met 800 kVA als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied; | 446,88 kVA |
12.2.2° | transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA; | 4 x 3.150 kVA 4 x 2.500 kVA 5 x 3.000 kVA 1 x 1.600 kVA 8 x 2.000 kVA 2 x 7.500 kVA 2 x 16.000 kVA 2 x 125.000 kVA 1 x 55.000 kVA |
15.1.2° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van meer dan 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; | 250 voertuigen |
15.2. | andere werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) dan de werkplaatsen, vermeld in rubriek 15.3; | 2 werkplaatsen |
15.4.1° | niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van voertuigen en hun aanhangwagens, wanneer volledig gelegen in industriegebied; | 1 wasplaats |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW; | 547,62 kW |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1.000 liter tot en met 10.000 liter; | 1.922 liter |
17.3.2.1.1.2° | opslagplaatsen voor ontvlambare vloeistoffen (gevarenpictogram GHS02) van gevarencategorie 3 (gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen) met een vlampunt lager dan of gelijk aan 55°C en gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20 ton tot en met 500 ton; | 185,20 ton |
17.3.2.1.2.1° | opslagplaatsen voor overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 (andere dan gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige stoffen met een vlampunt lager dan of gelijk aan 55°C) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 10 ton; | 1 ton |
17.3.4.1°a) | opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied; | 1,20 ton |
17.3.6.1°a) | opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied; | 6,23 ton |
17.3.7.1°a) | opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied; | 1,45 ton |
17.3.8.2° | opslagplaatsen voor het aquatisch milieugevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 200 ton; | 3,20 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter; | 3.669 liter |
19.3.1°a) | inrichtingen voor het mechanisch behandelen en het vervaardigen van artikelen van hout e.d. andere dan deze bedoeld in rubriek 19.8 met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied; | 28,20 kW |
29.5.2.1°a) | smederijen en inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW, wanneer volledig gelegen in een industriegebied; | 29,26 kW |
29.5.5.1°a) | Oppervlaktebehandeling, met inbegrip van ontvetting van metalen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, als de gezamenlijke inhoud van de gebruikte behandelingsbaden en spoelbaden of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën, als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, uit de volgende volumes bestaat: 10 liter tot en met 1.000 liter, als de inrichting volledig in een industriegebied ligt; | 150 liter |
29.5.7.2°a)1) | ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een vlampunt tot en met 55° C met een totaal inhoudsvermogen van de baden en de spoelbaden of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, van 10 liter tot en met 1.000 liter, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied; | 150 liter |
31.1.1°a) | stationaire motoren en gasturbines met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 kW tot en met 2.000 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt; | 720 kW |
43.1.2°a) | stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 2.000 kW tot en met 5.000 kW in de gevallen andere dan vermeld sub 1°, a) of b); | 2.260 kW |
50. | opslagplaatsen van strooizout van meer dan 20 ton. | 100 ton |