Er werd bij de deputatie een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag wordt behandeld volgens de gewone procedure van het Omgevingsvergunningendecreet.
De deputatie verzoekt het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar om:
- een openbaar onderzoek te houden;
- advies uit te brengen.
Projectnummer: | OMV_2025014993 |
Gegevens van de aanvrager: | zie exploitant |
Gegevens van de exploitant: | AUTOPRB APB Provinciaal Instituut voor Hygiëne (0541414408) met als adres Kronenburgstraat 45 te 2000 Antwerpen |
Ligging van het project: | Kronenburgstraat 45-49, Sint-Rochusstraat 10 te 2000 Antwerpen |
Kadastrale percelen: | afdeling 4 sectie D nr. 2225K |
waarvan: |
|
- 20250205-0027 | afdeling 4 sectie D nr. 2225K (2025_APB PIH_hervergunning) |
Vergunningsplichten: | exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten |
Voorwerp van de aanvraag: | hernieuwen van de vergunning voor het exploiteren van het Provinciaal Instituut voor Hygiëne en uitbreiding met exploiteren van een secundaire school |
Omschrijving ingedeelde inrichtingen of activiteiten
Voorgeschiedenis
Op 8 januari 1987 werd een milieuvergunning verleend voor een hoofdzakelijk uit laboratoria bestaande inrichting (kenmerk 52.130 f2). Op 23 februari 1995 werd de vergunning uitgebreid met onder andere compressoren, opslag van gassen en verscheidene gevaarlijke producten en stookinstallaties (kenmerk MLAV1/94-385). De vergunning verliep op 8 januari 2007.
Op 23 maart 2006 verleende de deputatie een nieuwe vergunning aan het provinciebestuur van Antwerpen om de onderzoeksinstelling verder uit te baten met onder andere het lozen van huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater, koelinstallaties, airco’s en compressoren, opslag van gassen en gevaarlijke producten, stookinstallaties, labo’s en labo’s waar pathogene organismen en genetisch gemodificeerde organismen worden gebruikt (kenmerk MLAV1/05-476). De vergunning onderging nog wijzigingen op 17 juni 2010 (MLVER/10-16) en 28 oktober 2010 (MLVER/10-05). De lozingsvoorwaarde voor fosfor werd verhoogd in het besluit van de deputatie van 21 maart 2013 (MLWV/12-57). De vergunning eindigt op 23 maart 2026.
Inhoud van de aanvraag
De aanvraag omvat enerzijds de overname van de inrichting door APB Provinciaal Instituut voor Hygiëne. Anderzijds wordt een hernieuwing en actualisatie van de vergunning voor de activiteiten gevraagd.
Aangevraagde rubriek(en)
Aangevraagde rubriek(en) 2025_APB PIH_hervergunning
Rubriek | Omschrijving | Gevraagd voor |
3.2.2°a) | het lozen van meer dan 600 m³/jaar huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, wanneer het lozingspunt gelegen is in een centraal gebied en/of een collectief geoptimaliseerd en individueel te optimaliseren buitengebied en/of buiten het zoneringsplan; | 4.000,00 m³/jaar |
3.6.3.1°b) | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van bedrijfsafvalwater, waarbij het effluentwater één of meer gevaarlijke stoffen bevat in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II., met een effluent tot en met 5 m³/uur; | 3,00 m³/uur |
15.1.1° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; | 12 voertuigen |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW; | 320,00 kW |
16.4.2° | Inrichtingen voor het niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiënten en voor de bevoorrading van motorvoertuigen, met uitzondering van de inrichtingen, vermeld in rubriek 16.9, met andere gassen dan de gevaarlijke gassen, vermeld in punt 1°; | 1 installatie |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1.000 liter tot en met 10.000 liter; | 1.050,00 liter |
17.1.2.2.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot 3.000 liter; | 1.260,00 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | opslag van gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton als de inrichting niet hoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt; | 0,83 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter; | 2.650,00 kg |
24.1. | laboratoria met een uitsluitend didactisch doel en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt; | 1 labo |
24.3. | laboratoria die biologische, scheikundige, of organische bedrijvigheid uitoefenen met het oog op opzoekingen, proeven, analyses, toepassing of ontwikkeling van producten, kwaliteitscontrole op producten, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt; | 7 labo's |
39.1.1° | stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren, met een individuele inhoud van 25 liter tot en met 500 liter; | 280,00 liter |
43.1.2°a) | stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 2.000 kW tot en met 5.000 kW in de gevallen andere dan vermeld sub 1°, a) of b); | 2.599,00 kW |
51.2.1° | andere inrichtingen dan bedoeld in rubriek 51.1 voor activiteiten van risiconiveau 2 waarbij doelbewust pathogene organismen worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of anderszins gebruikt; | risiconiveau 2 |
Aangevraagde bijstelling bijzondere milieuvoorwaarden in afwijking van algemene of sectorale voorwaarden
2025_APB PIH_hervergunning
1. |
| Bij te stellen voorwaarde: Artikel 3 §4 van bijlage 2.3.1 in toepassing van bijlage 5.3.2.21° en artikel 5.24.0.2 van Vlarem II Lozingsnorm voor totale fosfor: 1 mg Ptot/l BAW.
Voorgesteld alternatief/aanvulling: Gevraagde lozingsnorm: 20 mg Ptot/l BAW. |
Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing.
Conform artikel 24 en 42 van het Omgevingsvergunningsdecreet heeft het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar de bevoegdheid advies uit te brengen voor de vergunningsaanvragen op haar grondgebied waarvoor de deputatie, de Vlaamse regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de bevoegde overheid is, tenzij:
Het college heeft op 17 november 2017 (jaarnummer 2017_CBS_08858) beslist om de adviesbevoegdheid op te nemen.
Adviezen
Interne adviezen
Adviesinstantie | Datum advies gevraagd | Datum advies |
Stadsontwikkeling/ Omgeving/ Vergunningen Stedenbouw | 6 januari 2026 | 12 januari 2026 |
Toetsing regelgeving en beleidsrichtlijnen
Plannen van aanleg, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingen
Het eigendom is gelegen binnen de omschrijving van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan GRUP Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen, goedgekeurd op 19 juni 2009. Volgens dit plan ligt het eigendom in de volgende zone: Afbakeningslijn grootstedelijk gebied Antwerpen.
Het eigendom is gelegen binnen de omschrijving van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan RUP Binnenstad, goedgekeurd op 26 april 2012. Volgens dit plan ligt het eigendom in de volgende zones: Algemene voorschriften, Artikel 1: Zone voor Wonen - (Wo1), Artikel 5: Zone voor Centrumfuncties - Publieksgerichte gebouwen (Ce5), Artikel 6: Zone voor Centrumfuncties - Stedelijke functies (Ce6), Artikel 8: Zone voor Publiek Domein - (Pu), Artikel 9 Overdruk - Detailhandel (dh) en Culturele, historische en/of esthetische waarde.
(Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen (GRUP's) kan u raadplegen via https://omgeving.vlaanderen.be/grup. Gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP's) kan u raadplegen via www.antwerpen.be, zoek op ‘goedgekeurde BPA’s en RUP’s'.)
De aanvraag ligt niet in een verkaveling.
Omgevingstoets
Toetsing van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening
De aanvraag betreft de overname van milieuvergunningen van het provinciebestuur van Antwerpen door het APB Provinciaal Instituut voor Hygiëne. Voor een aantal activiteiten wordt hernieuwing aangevraagd, andere worden gewijzigd en een nieuwe activiteit wordt toegevoegd: laboratorium voor educatief doel. Een aantal activiteiten zijn niet langer van toepassing.
De aanvraag is gesitueerd aan de Kronenburgstraat 45.
De aanvraag is in overeenstemming met de bestemmings- en inrichtingsvoorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan Binnenstad.
De exploitatie vindt plaats in vergund (geachte) gebouwen.
De aanvraag is in overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening. Er worden geen stedenbouwkundige handelingen verricht.
Toetsing van aanvaardbaarheid van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten op het vlak van hinder en risico's voor de mens en het milieu
Beschrijving project
Het Provinciaal Instituut voor Hygiëne is een toonaangevend kenniscentrum inzake milieu en gezondheid.
In grote lijnen bestaat het kenniscentrum uit een milieulaboratorium (metalen, organische en anorganische polluenten, microbiologisch onderzoek, biologisch onderzoek van water, bodems, waterbodems en lood in bloed) en een afdeling milieu, die nauw samenwerken.
De provinciale secundaire school APB POA avAnt Campus Brialmont ondergaat renovatiewerken en vindt vanaf augustus 2025 een tijdelijk onderkomen voor zijn 650 leerlingen in het gebouw van het PIH. Zij worden gevestigd op de verdiepingen 1, 2 en 3.
Hernieuwing:
- het lozen van huishoudelijk afvalwater (HAW) via 4 lozingspunten.
De exploitant geeft aan maximaal 4.000 m³ HAW per jaar te lozen in de openbare riolering via vier lozingspunten:
- HAW1: Kronenburgstraat, 1.000 m³/jaar;
- HAW2: Kronenburgstraat, 1.000 m³/jaar;
- HAW3: Sint-Rochusstraat, 1.000 m³/jaar;
- HAW4: Sint-Rochusstraat, 1.000 m³/jaar.
Het zwart water wordt voorbehandeld in septische putten.
De locatie en de inhoud van de septische putten worden niet opgenomen in het dossier. De aanvraag betreft hier echter een bestendiging van de bestaande situatie, zodat ervan uitgegaan wordt dat de capaciteit afgestemd is op het te verwerken debiet. De voorbehandeling van het zwart water en ligging in een centraal zuiveringsgebied maken dat geen invloed verwacht wordt op het uiteindelijke ontvangende waterlichaam.
- een vulinstallatie voor het vullen van verplaatsbare recipiënten met stikstof en opslag van stikstof en argon in vaste reservoirs.
Stikstof en argon worden opgeslagen in twee houders van 630 liter opgesteld in openlucht ten westen van het gebouw (achter de toegangsramp naar de ondergrondse garage). De stikstoftank is verbonden met een vulinstallatie voor verplaatsbare recipiënten. De houders bevinden zich achter een afgesloten hekwerk. Voor de inerte gassen geldt enkel een veiligheidsafstand tot de perceelsgrens van 2 meter, waaraan voldaan wordt. De houders dienen conform artikel 5.17.3.3.8 van Vlarem II periodiek onderworpen te worden aan een onderzoek die de goede staat van de installatie moet bevestigen. De bijgevoegde attesten tonen aan dat de installaties en de houders voldoen aan de sectorale voorschriften (geldig tot 29 maart 2028). De risico’s verbonden aan de opslag worden voldoende beperkt.
- de opslag van diesel in een bovengrondse tank horende bij een noodstroomgroep.
Diesel wordt opgeslagen in een dubbelwandige bovengrondse houder van 1.000 liter of 840 kg stookolie, uitgerust met een overvulbeveiliging en lekdetectie. De installatie onderging een periodieke keuring waaruit bleek dat er geen zichtbare verontreiniging was en dat de houder voldoet aan de vereisten (geldig tot 22 mei 2026). Aangezien de noodstroomgroep in principe enkel voor testen opgestart zal worden, zal het brandstofverbruik zeer laag zijn en het aantal vulbewegingen beperkt. Het risico op bodemverontreiniging is aanvaardbaar.
- diverse laboratoria voor onderzoeksdoeleinden.
De labo’s bevinden zich verspreid over het gebouw:
labo | verdieping |
hydrologie | 5de |
organische macroparameters | 6de en 7de |
organische microparameters | 7de |
anorganische analyses | 8ste |
microbiologie en pathogenen risiconiveau 2 | 7de en 8ste |
metalen | 10de |
VMM | 9de en 10de |
educatief – school avAnt (nieuw) | 3de |
De exploitant geeft aan dat permanente inspanningen (vernieuwing en optimalisatie) worden gedaan om de productie van afvalstoffen en -water en emissies te beperken en om schadelijke impact voor de omgeving te vermijden. Dit heeft geleid tot een significante verbetering van een aantal milieuaspecten. Hierbij wordt opgemerkt dat het wetgevend en technisch kader voor analyses waarbinnen gewerkt wordt, een beperkende factor is voor innovatie en het gebruik van milieuvriendelijkere alternatieven. Uit de opsomming en beschrijving van de genomen milderende maatregelen en de bereikte resultaten, blijkt wel dat de exploitant voldoende inspanningen levert om de impact te beperken.
- een laboratorium waar met pathogene organismen wordt gewerkt met maximum risiconiveau 2.
Het PIH beschikt over een microbiologisch laboratorium waar biologisch onderzoek van water (afvalwater, oppervlaktewater, drinkwater, zwemwater, grondwater, enzovoort) uitgevoerd wordt. Voor het onderzoek naar pathogene organismen, is het gebruik van stammen van deze organismen noodzakelijk. Het gebruik en de opslag is ingedeeld in risiconiveau 2: ze houden weinig risico in, waarbij inperkingsniveau 2 een passende bescherming biedt voor de menselijke gezondheid en het milieu.
De pathogene organismen bevinden zich in hermetisch afgesloten recipiënten opgeslagen in speciale diepvriezers (-80 °C). De vriezers zijn met een slot afgesloten en staan opgesteld in een lokaal dat enkel toegankelijk is via de toegangsbeveiliging (badge-lezers).
De exploitant is sinds 1996 geaccrediteerd volgens de ISO 17025 voor het uitvoeren van de analyses voor het opsporen van pathogene organismen. Recent heeft het labo een accreditatie behaald volgens de 2017-versie van deze norm, waarbij onder meer nadruk gelegd wordt op risicogericht denken en waarbij er geactualiseerde risicoanalyses werden opgemaakt. Ook specifiek naar veiligheid voor de laboranten is een aangepaste risicoanalyse gemaakt.
Het dossier bevat een overzicht van de micro-organismen gebruikt in het PIH en van de veiligheidsmaatregelen (inperkingsmaatregelen, werkpraktijken en persoonlijke beschermingsmiddelen).
De voorzorgsmaatregelen om het risico dat werknemers besmet geraken in het labo of dat besmettingen worden overgedragen naar buiten, lijken -ook rekening houdend met de jarenlange ervaring die het labo en de werknemers hebben opgedaan- voldoende. Mogelijk zal bij een hervergunning ook een nieuwe toelating/kennisgeving ingeperkt gebruik moeten bekomen worden volgens de bepalingen uit hoofdstuk 1.5 van Vlarem II. Het technisch dossier dat hiervoor opgemaakt moet worden zal de details van de pathogene organismen, het risiconiveau van de activiteiten, de inperkingsmaatregelen en dergelijke moeten bevatten en onderwerp uitmaken van een beoordeling door de Adviesraad voor Bioveiligheid en de Dienst Bioveiligheid en Biotechnologie (SBB) van Sciensano.
Verandering:
- het lozen van bedrijfsafvalwater (BAW).
Bedrijfsafvalwater wordt geloosd in de openbare riolering via BAW1, samen met het lozen van huishoudelijk afvalwater (HAW3 en HAW4). Het debiet blijft op gelijk op 3 m³/uur, 22,5 m³/dag of 3.000 m³/dag, maar door toevoeging van een zuiveringsstap is rubriek 3.6.3.1°b) van toepassing. Het bedrijfsafvalwater wordt in een tank verzameld en ondergaat een pH-neutralisatie. Daarna wordt het neutrale afvalwater gezuiverd via twee koolstoffilters alvorens via een pompput geloosd te worden in de openbare riolering. Er vinden constant metingen plaats van het debiet en de temperatuur. Om de twee weken wordt er een 24-uurs afvalwaterstaal genomen en door het PIH geanalyseerd. De meetresultaten van de laatste drie jaar tonen in 1/5de van de metingen lichte overschrijdingen van de huidige bijzondere lozingsvoorwaarde voor fosfor van 15 mg P/liter. Ongeveer 95% van de monsters die geanalyseerd worden op het PIH zijn watermonsters, waaronder ook veel afvalwaterstalen met hoge fosforgehaltes, afkomstig van het influent van de RWZI. Deze zijn de voornaamste bron van fosfor in het water. Daarnaast wordt er ook gebruik gemaakt van fosforhoudende producten voor de labo-afwas. Omwille van techniciteit kunnen deze niet vervangen worden door een fosforvrij alternatief. Voor het geloosde afvalwater gelden de sectorale lozingsvoorwaarden voor laboratoria (sector 21.3). Daarnaast wordt een verhoogde lozingsnorm voor totaal fosfor gevraagd van 20 mg/liter.
De aard van de onderzochte stalen in de labo’s maakt dat de verontreiniging met fosfor moeilijk vermeden kan worden. De opvolging van de waterkwaliteit garandeert dat een eventuele achteruitgang van de waterkwaliteit snel opgemerkt kan worden. Gelet op de nabehandeling in het RWZI Antwerpen-Zuid is er geen negatieve impact te verwachten op het watersysteem als gevolg van de lozing en de hogere norm voor fosfor.
- een stalplaats voor bedrijfsvoertuigen.
De inrichting beschikt over een stelplaats voor zeven lichte vrachtwagens en vijf aanhangwagens, een uitbreiding met drie lichte vrachtwagens en één aanhangwagen. De bedrijfsvoertuigen worden gestald in de ondergrondse parkeerlaag (-1), bereikbaar via de inrit in de Kronenburgstraat. De twee ondergrondse parkeerlagen samen omvatten circa 100 parkeerplaatsen. Slechts 17 % van het personeel komt met de auto; de overige personeelsleden en de leerlingen van de school komen te voet, met de fiets of met het openbaar vervoer. Er zijn samen 211 fietsstalplaatsen in de 2 kelders van het PIH.
Het in- en uitrijden van de bedrijfsvoertuigen vindt veelal plaats op normale werkuren en -dagen, zodat, zeker gelet op de ligging in het stadscentrum hier geen hinder van verwacht wordt. Er zijn voldoende parkeerplaatsen voor de bedrijfsvoertuigen en auto’s van het personeel zodat het parkeren niet afgewenteld wordt op het openbaar domein.
- vermeerdering vermogen koelinstallaties, airco’s en compressoren en verandering toestellen
Globaal neemt de drijfkracht toe met 34,12 kW, voornamelijk toe te schrijven aan de opname van 63 bijkomende koelinstallaties (frigo’s, diepvriezers). In de gevraagde situatie zullen 81 koelinstallaties, 12 airco's en 7 luchtcompressoren aanwezig zijn met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 320 kW. De 52 frigo’s en 20 diepvriezers hebben beperkte individuele vermogens (circa 0,6 kW) en staan verspreid over de inrichting opgesteld, in functie van het conditioneren van de stalen en labo-chemicaliën. Het betreft autonome koeltoestellen zonder buitenunit die als koelmiddel R600 (iso-butaan) met een GWP van 3 hebben. Er is geen risico op geluidshinder.
De kenmerken van de overige belangrijkste koelinstallaties zijn:
| toestel | elektrisch vermogen | koelmiddel | locatie |
9 | S025_200_KCP01 | 100 kW | 85 kg R407c | dak 13de |
10 | S025_200_KCP02 | 100 kW | 77,5 kg R407c | dak 13de |
11 | S025_200_KSU01 | 5,4 kW | 3,45 kg R410a | dak 3de |
12 | S025_200_KSU02 | 6 kW | 3,3 kg R410a | terras 6de |
14 | S025_200_KSU04 | 6 kW | 3 kg R410a | terras 7de |
15 | S025_200_KSU05 | 22 kW | 35 kg R410a | dak 14de |
Het dossier bevat geen informatie over de akoestische kenmerken van de koeltoestellen. De locatie van de drie grootste koelinstallaties op de bovenste verdiepingen van het gebouw en het ontbreken van andere gebouwen van die hoogte in de ruime omgevingen beperken het risico op geluidshinder. De koelinstallatie op het dak van de 3de verdieping bevindt zich op een afstand van meer dan 20 meter van de dichtbijgelegen woning (overzijde Kronenburgstraat). De afstand en de hogere opstelling ten opzichte van de potentieel gehinderden van de toestellen op de terrassen van de 6de en 7de verdieping beperken ook hier het risico. De overige toestellen hebben vermogens tot maximaal 4 kW, waardoor verwacht kan worden dat geluidsvermogens lager zijn. Deze toestellen staan inpandig of op voldoende hoogte opgesteld (minimaal 5de verdieping).
Naar aanleiding van aanhoudende klachten van geluidsoverlast ter hoogte van een woning in de Sint-Rochusstraat werden verschillende akoestische onderzoeken uitgevoerd. Initiële geluidsmetingen in april 2024 legden bloot dat de luchtkanalen van de afzuigingen (10 stuks) van de trekkasten op het dak van de 13de verdieping aan de basis lagen van de geluidshinder, met een overschrijding van de richtwaarde voor de nachtperiode met 6,8 dB(A). Het rapport maakt geen melding van geluidsoverlast van de koelinstallaties. De exploitant voerde saneringsmaatregelen uit om de hinder te beperken, waarna in april 2025 een nieuw akoestisch onderzoek werd uitgevoerd. Eind 2024 werden de luchtkanalen van een geluidsdemper voorzien. Deze maatregel bleek te helpen maar niet voldoende. Het onderzoek wees uit dat het storende geluid gelinkt kan worden aan de werking van de afzuigunit 1. Toetsing aan de richtwaarde toonde ’s nachts nog een overschrijding van 2 tot 2,5 dB(A) als gevolg van het optreden van tonaliteit in de 315 Hz tertsband. Zonder tonaliteit wordt voldaan de richtwaarde van 35 dB(A). Het inzetten van een op maat gemaakte coulissendemper, specifiek gericht op het oplossen van de tonale component zou het geluidsprobleem moeten oplossen. De levering van de dempers was voorzien in het najaar 2025 en zouden dus al (of binnenkort) voor de nodige demping zorgen.
Omdat tijdens het openbaar onderzoek verschillende opmerkingen ontvangen werden over geluidshinder (ook ten zuiden van het gebouw), wordt als bijzondere voorwaarde voorgesteld een akoestisch onderzoek te voeren naar de verspreiding van het geluid afkomstig van alle technische installaties en de naleving van de geluidsvoorwaarden.
Het dossier bevat weinig informatie over de nieuwe toestellen, zodat voor de nieuwe koeltoestellen niet kan getoetst worden of deze voldoen aan de huidige EU-wetgeving met betrekking tot broeikasgassen. Het spreekt voor zich dat de F- gassenverordening van 20 februari 2024 gerespecteerd moet worden.
- vermindering opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten.
De opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten wordt afgebouwd naar in totaal 1.050 liter:
- 250 liter zuurstof (oxiderend, groep 3);
- 200 liter perslucht (inert, groep 4);
- 150 liter helium (inert, groep 4);
- 450 liter stikstof (inert, groep 4).
De gasflessen hebben een inhoud van 50 liter en de gasopslag vindt plaats in openlucht aan de westzijde van het gebouw, zijde Sint-Rochusstraat.
De afstandsregels worden gerespecteerd. De veiligheidsafstand ten opzichte van de perceelsgrens bedraagt twee meter; tussen gassen uit groepen 3 en 4 is er geen veiligheidsafstand. Het dossier bevat geen detailplannen of -omschrijving van de opslagplaats, maar uit straatfoto’s kan afgeleid worden dat de toegang tot de site ter hoogte van de Sint-Rochusstraat afgesloten is met een stevige poort en dat de opslag gebeurt in een metalen kooi. De opslag lijkt dus voldoende veilig en robuust om onbevoegden toegang te belemmeren, wat gelet op de aanwezigheid van scholieren op de site van bijzonder belang is.
- vermindering opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen.
De opslag van gevaarlijke producten vindt plaats in het centrale magazijn op het gelijkvloers en verspreid over het gebouw in functie van de verschillende labo’s. De centrale opslag wordt verdeeld in drie lokale:
- GP A: licht ontvlambare producten – 700 liter;
- GP B: zuren – 200 liter;
- GP C: andere niet ontvlambare gevaarlijke producten - 200 liter.
Er worden geen producten opgeslagen in recipiënten groter dan 30 kg of liter. Er zijn werkinstructies over omgaan met gevaarlijke producten en gassen. De ruimte GP A is een brandveilige ruimte. Op het gelijkvloers staan de grote opslag van gevaarlijke producten en de opslag van vloeibaar afval zoals zuren en solventen op een lekvloer. De zuren worden apart van de basen opgeslagen en alle gevaarlijke producten zijn ingekuipt in voldoende grote lekbakken. De gevaarlijke producten aanwezig in de verschillende labo’s worden opgeslagen in brandwerende kasten, voorzien van lekschabben.
De gevaarlijke producten worden gebruikt in functie van de labo-activiteiten en bevinden zich dus veelal in (zeer) kleine recipiënten. De opslag vindt plaats conform de sectorale voorwaarden. Het risico op ongevallen, bodem- en waterverontreiniging is voldoende beheerst.
- vervanging van de twee vergunde stoomgeneratoren door twee nieuwe met kleinere inhoud.
De twee stoomgeneratoren (inhoud van 145 liter en 165 liter) werden vervangen door twee stoomgeneratoren van 140 liter. De toestellen staan opgesteld op de 7de verdieping en worden gebruikt om labomateriaal te steriliseren.
- vermeerdering van het totaal nominaal thermische ingangsvermogen en vervanging van de bestaande gasgestookte stookinstallaties door nieuwe.
De inrichting is vergund voor vijf stookinstallaties met een vermogen van 21 kW, 28 kW en 3x 800 kW (totaal vermogen van max. 2.449 kW). Deze installaties werden vervangen door zes gasgestookte installaties van 425 kW, aangevuld met twee stookinstallaties van 21 kW en 28 kW (totaal 2.599 kW).
De aanvraag bevat emissiemetingen op ketels 1, 3, 4 en 5. De meetwaarden van de ketels voldoen aan de sectorale emissienormen. De uitstoot van stikstof wordt gecontroleerd en beperkt door tweejaarlijks een wettelijk onderhoud en nazicht uit te voeren en om de 5 jaar emissiemetingen uit te voeren. De berekende impactscore van de stikstofuitstoot is kleiner dan 1 %.
Het PIH verhuist in 2029 naar een nieuwe locatie op de UA Campus 3-Eiken. Zowel de VMM als de school avAnt verlaten ook het gebouw aan de Kronenburgstraat 45 binnen de 3 jaar. De omgevingsvergunning wordt echter wel gevraagd voor onbepaalde duur.
Door de (tijdelijke) huisvesting van 650 leerlingen van de avAnt zou het aantal beschikbare fietsstalplaatsen niet kunnen volstaan, waardoor het risico ontstaat dat de fietsen op het openbaar domein geparkeerd worden en er de doorgang voor voetgangers bemoeilijken. Het college vraagt in dit geval bijkomende inpandige fietsparkeerplaatsen te voorzien.
Advies van het college
Gunstig advies te verlenen voor de aanvraag tot omgevingsvergunning onder voorwaarden.
Dit advies werd opgemaakt op basis van PIV4.
Geadviseerde rubriek(en)
Rubriek | Omschrijving | Geadviseerd voor |
3.2.2°a) | het lozen van meer dan 600 m³/jaar huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, wanneer het lozingspunt gelegen is in een centraal gebied en/of een collectief geoptimaliseerd en individueel te optimaliseren buitengebied en/of buiten het zoneringsplan; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 4.000,00 m³/jaar |
3.6.3.1°b) | afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie voor de behandeling van bedrijfsafvalwater, waarbij het effluentwater één of meer gevaarlijke stoffen bevat in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II., met een effluent tot en met 5 m³/uur; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 3,00 m³/uur |
15.1.1° | al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 12 voertuigen |
16.3.2°b) | koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 320,00 kW |
16.4.2° | Inrichtingen voor het niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiënten en voor de bevoorrading van motorvoertuigen, met uitzondering van de inrichtingen, vermeld in rubriek 16.9, met andere gassen dan de gevaarlijke gassen, vermeld in punt 1°; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 1 installatie |
17.1.2.1.2° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1.000 liter tot en met 10.000 liter; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 1.050,00 liter |
17.1.2.2.1° | opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot 3.000 liter; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 1.260,00 liter |
17.3.2.1.1.1°b) | opslag van gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton als de inrichting niet hoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 0,83 ton |
17.4. | opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 2.650,00 kg |
24.1. | laboratoria met een uitsluitend didactisch doel en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 1 labo |
24.3. | laboratoria die biologische, scheikundige, of organische bedrijvigheid uitoefenen met het oog op opzoekingen, proeven, analyses, toepassing of ontwikkeling van producten, kwaliteitscontrole op producten, en waar afvalwater eigen aan de laboratoriumtechnieken gegenereerd wordt; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 7 labo's |
39.1.1° | stoomgeneratoren, andere dan lagedruk stoomgeneratoren, met een individuele inhoud van 25 liter tot en met 500 liter; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 280,00 liter |
43.1.2°a) | stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 2.000 kW tot en met 5.000 kW in de gevallen andere dan vermeld sub 1°, a) of b); (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | 2.599,00 kW |
51.2.1° | andere inrichtingen dan bedoeld in rubriek 51.1 voor activiteiten van risiconiveau 2 waarbij doelbewust pathogene organismen worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of anderszins gebruikt; (inrichting 2025_APB PIH_hervergunning) | risiconiveau 2 |
Geadviseerde bijzondere milieuvoorwaarden
1. Een akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd naar de verspreiding van het geluid afkomstig van de in openlucht opgestelde technische installaties en de naleving van de geluidsvoorwaarden. Indien nodig dienen in het onderzoek voorgestelde maatregelen om aan de normen te voldoen te worden geïmplementeerd. 2. De exploitant voorziet voldoende inpandige stalplaatsen voor fietsen zodat vermeden wordt dat deze op het openbaar domein de vrije doorgang bemoeilijken. |
Procedurestap | Datum |
Ontvangst adviesvraag | 2 januari 2026 |
Start openbaar onderzoek | 12 januari 2026 |
Einde openbaar onderzoek | 10 februari 2026 |
Gemeenteraad voor aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen | geen |
Uiterste adviesdatum | 21 februari 2026 |
De aanvraag werd onderworpen aan 1 openbaar onderzoek. Er werden standpunten, opmerkingen en/of bezwaren ingediend tijdens de openbaarmaking.
Bespreking van de bezwaren
Gevaarlijke producten. De bezwaarindiener vreest voor de veiligheid door de opslag van de gevaarlijke producten.
Beoordeling: het bezwaar is ongegrond. De beschrijving van de opslag en de milderende maatregelen tonen dat de opslag veilig plaatsvindt met respect voor de sectorale voorwaarden die hiervoor gelden. De producten worden bovendien opgeslagen in kleine recipiënten waardoor, in het geval er een calamiteit zich voordoet, de gevolgen beperkt blijven. De opgeslagen hoeveelheid is niet van dien aard dat er onaanvaardbare risico’s aan verbonden zijn.
Geluidsoverlast airco’s. De bezwaarindiener geeft aan de laatste jaren heel veel lawaaihinder te ondervinden van koelingssystemen en airco.
Beoordeling: het bezwaar is deels gegrond. De afstand van de technische installatie tot het woonhuis van de bezwaarindiener bedraagt ruim 70 meter. Rekening houdend met de afname van de geluidsdruk over afstand, is het weinig waarschijnlijk dat de hinder waarvan sprake een gevolg is van de koelsystemen en airco’s van de inrichting. De geluidstudie bij het dossier gevoegd toont geen overschrijdingen als gevolg van de airco’s van het PIH, wel van andere technische installaties. De verspreiding van geluid kan in een stedelijke context en door het relatief grote aantal toestellen, onvoorspelbaar zijn. Als bijzondere voorwaarde wordt voorgesteld een akoestisch onderzoek te voeren naar de verspreiding van het geluid afkomstig van alle technische installaties en de naleving van de geluidsvoorwaarden.
Geluidsoverlast uitblaas trekkasten. De bezwaarindiener geeft aan dat metingen hebben aangetoond dat de zuurkasten (trekkasten) een enerverend geluid veroorzaken. Deze zorgen voor hinder en gezondheidsklachten.
Beoordeling: het bezwaar is gegrond. Objectieve vaststellingen tonen dat door de tonaliteit van het geluid afkomstig van één van de trekkasten er ’s nachts een overschrijding van de richtwaarden voor geluid optreedt. In het dossier wordt aangegeven dat het probleem met tonaliteit opgelost zal worden door middel van op maat gemaakte dempers, die in het najaar 2025 geplaatst zouden worden. De effectiviteit van de dempers is nog niet gekend. Als bijzondere voorwaarde wordt voorgesteld een akoestisch onderzoek te voeren naar de verspreiding van het geluid afkomstig van alle technische installaties en de naleving van de geluidsvoorwaarden.
Lawaaihinder sedert 2007. De bezwaarindiener haalt aan dat er sinds 2007 sprake is van geluidshinder afkomstig van de installaties van het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) en de installaties van het PIH. De geluidsoverlast is gestart wanneer PIH de installaties voor luchtverversing, airco’s, compressoren en dergelijke op het dak te plaatste in plaats van inpandig. Het ITG deed hetzelfde voor de uitbreiding van haar labo’s in de Sint-Rochusstraat. De bezwaarindiener voegt in 19 annexen de briefwisseling over de geluidsproblematiek toe doorheen de jaren aan het ITG, het PIH, het provincie- en het stadsbestuur.
Gedurende de periode van 2007 tot heden werden zowel PIH als ITG herhaaldelijk aangemaand wegens overschrijdingen van de geldende geluidsnorm. De overschrijdingen werden meermaals objectief vastgesteld door geluidsmetingen uitgevoerd door bevoegde instanties.
Beoordeling: het bezwaar is deels gegrond. De vergunningsaanvraag gaat over het PIH, niet over het ITG. De voorgaande feiten en hinder die plaatsvonden als gevolg van de installaties van het PIH maken niet noodzakelijk deel uit van het beoordelingskader van de omgevingsvergunningsaanvraag, al geven ze wel aan dat het geluid een aandachtpunt is dat waarschijnlijk sneller opgelost had moeten worden.
Ontbrekende geluidsmetingen. De bezwaarindiener geeft aan dat in 2007, 2021, 2023, 2024 en 2025 geluidsmetingen zijn uitgevoerd die de geluidshinder vaststelden, maar dat, deze ondanks, gevraagd niet werden overgemaakt en ze ook niet terug te vinden zijn in het aanvraagdossier, met uitzondering van de laatste meting in mei 2025.
Beoordeling: het bezwaar is ongegrond. Het meest recente akoestisch rapport (mei 2025) beschrijft de situatie as-is met de in 2024 door het PIH genomen maatregelen. In het kader van de beoordeling van de omgevingsvergunningsaanvraag lijkt deze het relevantste. De andere akoestische onderzoeken hadden informatief misschien een meerwaarde, maar zijn geen verplichte dossierstukken. De noodzaak dat deze aan de bezwaarindiener overgemaakt moesten worden door de opsteller/opdrachtgever, wordt hier niet beoordeeld.
Historiek van geluidshinder. Het vergunningsdossier maakt geen melding van de historiek van geluidshinder tussen 2007 en 2025.
Beoordeling: het bezwaar is deels gegrond. Alhoewel een duidelijke weergave van de problematiek in de geest van openheid een mogelijkheid was, is dit geenszins verplicht in het kader van de dossiersamenstelling. Er werd in het aanvraagdossier evenwel summier gewezen op de klachten. Ook in het akoestisch rapport wordt verwezen naar de aanhoudende klachten en het lopende handhavingsdossier, naar aanleiding waarvan de metingen werden uitgevoerd.
Onvoldoende garanties. De bezwaarindiener geeft aan dat er onvoldoende garanties zijn dat de huidige installaties de geluidsnormen zullen naleven.
Beoordeling: het bezwaar is deels gegrond. De aanslepende geluidsklachten geven aan dat het een complex probleem betreft, waarvoor een eenvoudige oplossing niet voorhanden lijkt. In de recentste geluidsonderzoeken van 2024 en 2025 werd de oorzaak van de hinder gevonden bij de tonaliteit van het geluid. Het akoestisch rapport van mei 2025 geeft aan dat het wegnemen van de tonaliteit zal leiden tot conformiteit met de nachtelijke richtwaarde van 35 dB(A). Om dit te bereiken, bestelde de exploitant een op maat gemaakte coulissendemper specifiek gericht op het oplossen van de tonale component. Het college stelt voor om na uitvoering van deze maatregel de conformiteit met de richtwaarden voor geluid na te gaan in een akoestisch onderzoek.
Vermeerdering vermogen koelinstallaties. De bezwaarindiener vreest dat de uitbreiding van de installaties een toename van hinder tot gevolg zal hebben.
Beoordeling: het bezwaar is ongegrond. De toename van de totale geïnstalleerde drijfkracht onder rubriek 16.3.2°b) is toe te schrijven aan de opname van 63 bijkomende koelinstallaties (frigo’s, diepvriezers). Deze toestellen hebben geen buitenunits. Het aantal airco’s daalt van 12 naar 7 stuks.
113 trekkasten versus 10 trekkasten. De bezwaarindiener geeft aan dat momenteel slechts 10 van de 113 aanwezige trekkasten in werking zijn, maar dat deze wel terug in gebruik genomen kunnen worden nadat het PIH verhuist.
Beoordeling: het dossier spreekt over 10 afzuigunits, niet over 10 trekkasten. Het is mogelijk dat aan één afzuigunit meerdere trekkasten verbonden zijn, al werd hierover in het dossier geen informatie teruggevonden. Uit het dossier blijkt wel dat in de verschillende labo's er talrijke zuurkasten zijn die naar verschillende luchtschachten gaan. Aangezien het louter om luchtextractie gaat, zijn de toestellen niet ingedeeld en kwamen ze niet voor op de toestellenlijst. Mogelijk worden de begrippen afzuigunits, trekkasten, verluchtingsbuizen en dergelijke niet op dezelfde manier geïnterpreteerd door de verschillende partijen.
Geluidsdempers op zes van de 126 verluchtingsbuizen. De bezwaarindiener geeft aan dat op zes van de in totaal 126 verluchtingsbuizen op het gebouw geluidsdempers voorzien zijn en dat de andere momenteel niet in gebruik zijn. De overige verluchtingsbuizen kunnen echter wel terug in gebruik worden genomen door een toekomstige exploitant.
Beoordeling: het is niet duidelijk vanwaar de informatie afkomstig is over de 126 verluchtingsbuizen en de geluidsdempers. Deze werd niet teruggevonden in het dossier. Het dossier geeft aan dat dempers in twee verluchtingsbuizen werden voorzien in 2024 omdat deze als meest storend aanzien werden. Verder staat er dat er in de verschillende labo's talrijke zuurkasten zijn die naar verschillende luchtschachten gaan. Mogelijk worden de begrippen afzuigunits, trekkasten, verluchtingsbuizen en dergelijke niet op dezelfde manier geïnterpreteerd door de verschillende partijen.
Geen omgevingsvergunning van onbepaalde duur. Het PIH verhuist binnen 3 jaar en de bezwaarindiener wil vermijden dat de inrichting wordt overgenomen.
Beoordeling: het bezwaar is ongegrond. De omgevingsvergunning wordt in principe verleend voor een onbepaalde duur. Hiervan kan afgeweken worden in de gevallen beschreven in artikel 68 van het omgevingsdecreet (op verzoek van de vergunningsaanvrager, uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten, grondwaterwinning, onverenigbaar met ruimtelijke bestemming, strijdigheid met stedenbouwkundig voorschriften, en dergelijke). Voorliggende aanvraag lijkt echter niet in aanmerking te komen voor een vergunning van bepaalde duur, wanneer de exploitant daar niet expliciet om vraagt. Conform artikel 98 van het omgevingsvergunningsbesluit zal het PIH de stopzetting van de exploitatie melden wanneer deze niet overgenomen wordt door een andere exploitant.
Uitbreiding ITG. Het ITG wenst fors uit te breiden met haar labo’s in de PIH-toren. Het ITG is afhankelijk van sponsoring en giften en in de praktijk blijkt dat problemen aan technische installaties hierdoor niet steeds tijdig kunnen worden aangepakt wegens budgettaire beperkingen. Het ITG slaagde er afgelopen jaren evenmin in zonder lawaaihinder te exploiteren. Als voorbeeld wordt aangehaald dat het ITG pas na vier jaar een omkasting voorzag rond een installatie. Het ITG moet zich net zoals het PIH vestigen buiten de stad of op Blue Gate.
Beoordeling: het bezwaar is ongegrond. De aanvraag heeft geen betrekking op mogelijke uitbreidings- of verhuisplannen van het ITG noch op de technische installaties van deze instelling.
Woongebied. PIH is een bedrijf dat niet past in een woongebied.
Beoordeling: het bezwaar is ongegrond. De exploitatie is in overeenstemming met de bestemmings- en inrichtingsvoorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan Binnenstad. De exploitatie vindt plaats in vergund (geachte) gebouwen en is in overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening.
Uitdoofbeleid. In andere dossiers (KMO zone Zurenborg, Vismijnsite) werd een uitdoofbeleid gehanteerd ten aanzien van milieubelastende activiteiten in woongebied. De historische aanwezigheid van het PIH en het ITG kan niet ingeroepen worden als rechtvaardiging voor een afwijkende beleidskeuze.
Beoordeling: het bezwaar is ongegrond. Vergunningsdossiers worden individueel beoordeeld op basis van de inhoud van het dossier, de lokale situatie en de geldende regelgeving. De door de bezwaarindiener aangehaalde dossiers kunnen niet vergeleken worden met voorliggend dossier omdat de lokale omstandigheden en het onderwerp van de aanvraag verschillen.
Informatievergadering
Een informatievergadering was niet vereist en werd niet gehouden.
Het college beslist een gunstig advies, zoals geformuleerd in de argumentatie, te geven op de aanvraag, onder volgende voorwaarden:
Geadviseerde bijzondere milieuvoorwaarden
1. Een akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd naar de verspreiding van het geluid afkomstig van de in openlucht opgestelde technische installaties en de naleving van de geluidsvoorwaarden. Indien nodig dienen in het onderzoek voorgestelde maatregelen om aan de normen te voldoen te worden geïmplementeerd. 2. De exploitant voorziet voldoende inpandige stalplaatsen voor fietsen zodat vermeden wordt dat deze op het openbaar domein de vrije doorgang bemoeilijken. |