Terug
Gepubliceerd op 02/02/2026

2026_CBS_00602 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Voorwaardelijk gunstig advies - OMV_2025124683. Rivierenhof. District Deurne - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 30/01/2026 - 09:00 Stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Koen Kennis, schepen; Patrick Janssens, schepen; Lien Van de Kelder, schepen; Johan Klaps, schepen; Ken Casier, schepen; Stijn De Rooster, schepen; Nathalie van Baren, schepen; Sven Cauwelier, algemeen directeur

Afwezig

Nabilla Ait Daoud, schepen; Karim Bachar, schepen; Elisabeth van Doesburg, waarnemend burgemeester

Secretaris

Sven Cauwelier, algemeen directeur
2026_CBS_00602 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Voorwaardelijk gunstig advies - OMV_2025124683. Rivierenhof. District Deurne - Goedkeuring 2026_CBS_00602 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Voorwaardelijk gunstig advies - OMV_2025124683. Rivierenhof. District Deurne - Goedkeuring

Motivering

Aanleiding en context

Er werd bij de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag wordt behandeld volgens de gewone procedure van het Omgevingsvergunningendecreet.

De Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar verzoekt het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar om:

- een openbaar onderzoek te houden;

- advies uit te brengen.

 

Projectnummer:

OMV_2025124683

Gegevens van de aanvrager:

PROVOVER Provincie Antwerpen met als contactadres Koningin Elisabethlei 22 bus B te 2018 Antwerpen

Gegevens van de exploitant:

PROVOVER Provincie Antwerpen (0207725597) met als contactadres Koningin Elisabethlei 22 bus B te 2018 Antwerpen

Ligging van het project:

Rivierenhof te 2100 Deurne (Antwerpen)

Kadastrale percelen:

afdeling 24 sectie A nrs. 170B, afdeling 31 sectie B nrs. 26K, 36X8, 40G5, 40C, 40E4, 40S5, 40B4, 40C4, 40T4, 40X4, 40H5, 40B, 40Y4, 43M, 43W, 43T, 54F, 55F, 59G, 61A, 62A, 90G, 93B, 97B2, 98B, 99D, 102B, 104A, 109F, 114G, 114F, 115G, 274D, 441E en 441D

waarvan:

 

-          20240611-0021

afdeling 31 sectie B nrs. 40H5, afdeling 24 sectie A nrs. 170B, afdeling 31 sectie B nrs. 61A, 62A, 36X8, 441D, 97B2, 26K, 40C, 40B4, 114G, 98B, 99D, 40C4, 43W, 109F, 104A, 90G, 441E, 274D, 40G5, 40T4, 40E4, 115G, 54F, 93B, 43M, 102B, 114F, 55F, 59G en 43T (Rivierenhof_technisch centrurm)

Vergunningsplichten:

stedenbouwkundige handelingen, exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten

Voorwerp van de aanvraag:

bouwen en exploiteren van een nieuw technisch centrum en actualiseren van de reeds vergunde activiteiten van provinciaal groendomein Rivierenhof

 

Omschrijving stedenbouwkundige handelingen

 

Relevante voorgeschiedenis

-          30/09/2021: voorwaardelijk vergund (OMV_2020121286) voor het afbreken van bestaande panden, het heraanleggen van de vrijgekomen ruimte en tijdelijk bekleden van de vrijgekomen scheimuren;

-          29/03/2019: vastgesteld bouwkundig erfgoed: Rivierenhof

https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/5540.

 

Vergunde toestand

-          groenzone met verharding naar de achterliggende werkplaats;

-          wandbekleding op de vrijgekomen wanden.

 

Bestaande toestand

-          in overeenstemming.

Nieuwe toestand

-          functie: technische werkplaats en kantoren;

-          bouwvolume:

  • verschillende bouwblokken met een wisselend aantal bouwlagen (2 à 3);

-          gevelafwerking:

  • rode gevelsteen met betonnen elementen;
  • stalen hekwerk, leuning, poort en borstweringen in RAL9018;
  • wit gemoffeld buitenschrijnwerk.

 

 

Inhoud van de aanvraag

-          bouwen van een nieuw technisch centrum Rivierenhof;

-          slopen van de bestaande bebouwing;

-          omgevingsaanleg rondom het nieuw technisch centrum Rivierenhof;

-          vellen van hoogstammige bomen die geen deel uitmaken van een bos;

-          heraanleggen van een parking;

-          vellen van hoogstammige bomen die wel deel uitmaken van een bos (ontbossen);

-          aanleggen van een karrenspoor in het Rivierenhof.

 

Omschrijving ingedeelde inrichtingen of activiteiten

 

Voorgeschiedenis

Op 23 februari 2012 verleende de deputatie een milieuvergunning (kenmerk MLAV/11-376) aan het provinciebestuur van Antwerpen, onder voorwaarden, voor de exploitatie van het Provinciaal Groendomein Rivierenhof (openbaar park, kinderboerderij en sportclubs), na wijziging en uitbreiding. Deze vergunning is geldig tot 23 februari 2032.

Op 19 december 2013 besliste de deputatie dat de opgelegde vergunningsvoorwaarden van de milieuvergunning (kenmerk MLAV/11-376) niet worden gewijzigd, ondanks een ingediend wijzigingsverzoek (kenmerk MLWV-2013-0044).

 

Op 3 april 2025 verleende de deputatie een omgevingsvergunning voor de bouw en exploitatie van een nieuw technisch centrum en de actualisatie van de reeds vergunde activiteiten van het Provinciaal Groendomein Rivierenhof (kenmerk OMV_2024160937). Deze vergunning is eveneens geldig tot 23 februari 2032.

 

Inhoud van de aanvraag

De aanvraag omvat de exploitatie van een nieuw Technisch Centrum en de actualisatie van de reeds vergunde activiteiten van het provinciaal groendomein Rivierenhof. Het onderhavige dossier werd op 3 april 2025 vergund door de deputatie (kenmerk OMV_2024160937). Tegen deze beslissing werd beroep ingediend op 26 mei 2025, de beroepsprocedure is nog lopende.

Hetzelfde dossier wordt nu opnieuw voorgelegd aan Vlaanderen als vergunningverlenende overheid. Met deze aanvraag wordt ook de omzetting van de rubrieken volgens de CLP-regelgeving gerealiseerd.

 

Aangevraagde rubriek(en)

 

Aangevraagde rubriek(en) Rivierenhof_technisch centrurm


Rubriek

Omschrijving

Gevraagd voor

3.2.2°a)

het lozen van meer dan 600 m³/jaar huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, wanneer het lozingspunt gelegen is in een centraal gebied en/of een collectief geoptimaliseerd en individueel te optimaliseren buitengebied en/of buiten het zoneringsplan;

10.000,00 m³/jaar
(nieuwe lozingspunten)

3.4.1°a)

het lozen van maximaal 2 m³/uur bedrijfsafvalwater zonder gevaarlijke stoffen in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II;

+0,40 m³/uur
(0,61 m³/uur)

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 liter tot en met 50.000 liter uitgezonderd de gezamenlijke opslag van minder dan 5 ton gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige brandstoffen bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt;

+290,00 liter
(1.760,00 liter)

9.1.2.

dieren in een publiek toegankelijke inrichting: kinderboerderij en dieren gehouden op een openbaar domein;

+40 dieren
(70 dieren)

15.1.1°

al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn;

13 voertuigen
(verplaatsing)

15.2.

andere werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) dan de werkplaatsen, vermeld in rubriek 15.3;

1 werkplaats
(verplaatsing)

15.4.2°a)

niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van minder dan 10 motorvoertuigen en hun aanhangwagens per dag, volledig of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan industriegebied;

9 motorvoertuigen en hun aanhangwagens/dag (verplaatsing)

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW;

+87,90 kW
(93,00 kW)

17.1.2.1.1°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van 300 liter tot en met 1.000 liter;

660,00 liter
(nieuw)

17.3.2.1.1.1°b)

opslag van gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton als de inrichting niet hoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt;

10,83 ton
(van ondergronds naar bovengronds)

17.3.2.2.2°c)

opslagplaatsen voor ontvlambare vloeistoffen (GHS02) van gevarencategorie 1 met een totale opslagcapaciteit van 2 ton tot en met 30 ton niet gelegen in industriegebied voor de opslag in bovengrondse houders of een combinatie van bovengrondse en ondergrondse houders;

+1,09 ton
(3,02 ton)

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter;

+84,65 liter
(1.830,00 liter)

19.3.1°b)

inrichtingen voor het mechanisch behandelen en het vervaardigen van artikelen van hout en dergelijke andere dan deze bedoeld in rubriek 19.8 met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied;

-5,80 kW
(68,00 kW)

29.5.2.1°b)

smederijen en inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting (deels) gelegen is in een ander gebied dan industriegebied;

+18,27 kW
(32,00 kW)

43.1.2°b)

stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 500 kW tot en met 5.000 kW in de gevallen andere dan vermeld sub 1°, c);

-1.298,00 kW
(1.967,00 kW)

 

CLP-tabel 

product

hoeveelheid in kilogram

hoeveelheid in liter

6.4.1°

17.3.2.1.1.1°b)

17.3.2.2.2°b)

17.4

benzine 

1.937,5

2.500

 

 

X

 

stookolie

4.165

5.000

 

X

 

 

rode diesel

4.165

5.000

 

X

 

 

witte diesel

2.499

3.000

 

X

 

 

P4 producten

 

1.470

X

 

 

 

gevaarlijke producten in kleine verpakkingen

 

1.745,35

 

 

 

X

totale hoeveelheid

12.766,5

18.715,35 

 

 

 

 

 

Juridische grond

Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing.

Regelgeving: bevoegdheid

Conform artikel 24 en 42 van het Omgevingsvergunningsdecreet heeft het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar de bevoegdheid advies uit te brengen voor de vergunningsaanvragen op haar grondgebied waarvoor de deputatie, de Vlaamse regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de bevoegde overheid is, tenzij:

 

  1. de aanvraag ingediend is door het betrokken college;
  2. de aanvraag louter betrekking heeft op mobiele of verplaatsbare ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

 

Het college heeft op 17 november 2017 (jaarnummer 2017_CBS_08858) beslist om de adviesbevoegdheid op te nemen.

Argumentatie

Adviezen

 

Externe adviezen

 

Adviesinstantie

Datum advies gevraagd

Datum advies ontvangen

Advies

Agentschap Onroerend Erfgoed

12 december 2025

18 december 2025

Geen bezwaar

Agentschap voor Natuur en Bos - Adviezen en Vergunningen Antwerpen

12 december 2025

22 december 2025

Voorwaardelijk gunstig

Agentschap Wegen en Verkeer - District Antwerpen

12 december 2025

15 december 2025

Voorwaardelijk gunstig

Hulpverleningszone Brandweer zone Antwerpen

29 december 2025

Geen advies ontvangen bij opmaak van dit verslag

 

Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) - Watertoets

12 december 2025

8 januari 2026

Voorwaardelijk gunstig

 

 Interne adviezen

 

Adviesinstantie

Datum advies gevraagd

Datum advies

Ondernemen en Stadsmarketing / Economie en Toerisme / Investeren (INVEST)

29 december 2025

12 januari 2026

Ondernemen en Stadsmarketing/ Klantencontacten en Dienstverlening/ Loket Thema Wonen - huisnummering

29 december 2025

5 januari 2026

Sporting A & Sociaal Ruimtelijke Veiligheid - Trage wegen

29 december 2025

Geen advies ontvangen bij opmaak van dit verslag

Stadsbeheer/ Groen en Begraafplaatsen

29 december 2025

20 januari 2026

Stadsontwikkeling/ Mobiliteit

29 december 2025

7 januari 2026

Stadsontwikkeling/ Onroerend Erfgoed/ Archeologie

29 december 2025

Geen advies ontvangen bij opmaak van dit verslag

Stadsontwikkeling/ Onroerend Erfgoed/ Monumentenzorg

29 december 2025

9 januari 2026

Stadsontwikkeling/ Publieke Ruimte

29 december 2025

Geen advies ontvangen bij opmaak van dit verslag

SW/ OMG/ Vegetatiewijzigingen

29 december 2025

20 januari 2026

 

Toetsing regelgeving en beleidsrichtlijnen

 

Plannen van aanleg, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingen

Het eigendom is gelegen binnen de omschrijving van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan GRUP Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen, goedgekeurd op 19 juni 2009. Volgens dit plan ligt het eigendom in de volgende zone: Afbakeningslijn grootstedelijk gebied Antwerpen.

 

Het eigendom is gelegen binnen de omschrijving van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan GRUP Oosterweelverbinding-Wijziging, goedgekeurd op 20 maart 2015. Volgens dit plan ligt het eigendom in de volgende zones: Gebied voor wegeninfrastructuur en Zone voor landschappelijke en functionele inpassing van wegeninfrastructuur.

 

Het eigendom is gelegen binnen de omschrijving van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan PRUP Provinciaal Groendomein Rivierenhof, goedgekeurd op 25 juni 2009. Volgens dit plan ligt het eigendom in de volgende zones: Aanduiding gebouwen met erfgoedwaarde, Aanduiding parkeervoorzieningen, aanduiding voorkooprecht, Algemene bepalingen, Indicatieve aanduiding recreatieve paden in het park, Parkgebied: beheer en educatie, Parkgebied: cultureel erfgoed en tuinen, Parkgebied: hoofdtoegang, Parkgebied: natuur-vallei, Parkgebied: sport, Parkgebied: wonen-park en Parkgebied: wonen-park.

 

Het eigendom is gelegen in het gewestplan Antwerpen (Koninklijk Besluit van 3 oktober 1979 en latere wijzigingen). Het eigendom ligt, volgens dit van kracht zijnde gewestplan, in een woongebied. De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. (Artikel 5 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen).

  

Het eigendom is gelegen in het gewestplan Antwerpen (Koninklijk Besluit van 3 oktober 1979 en latere wijzigingen). Het eigendom ligt, volgens dit van kracht zijnde gewestplan, in een gebied voor gemeenschapsuitrusting en openbare nutsvoorziening. Onder gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen dient te worden begrepen voorzieningen die gericht zijn op de bevordering van het algemeen belang en die ten dienste van de gemeenschap worden gesteld. De idee van dienstverlening (verzorgende sector) aan de gemeenschap is derhalve rechtstreeks aanwezig. Artikel 4.4.8.van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schrijft voor dat in gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen als gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, handelingen van algemeen belang en de daarmee verbonden activiteiten te allen tijde kunnen worden toegelaten, ongeacht het publiek of privaatrechtelijk statuut van de aanvrager of het al dan niet aanwezig zijn van enig winstoogmerk. Als gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen kunnen eveneens worden beschouwd een school, een voor het publiek toegankelijke toegangsweg tot een vergund gebouwencomplex in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en neveninrichtingen naast een autosnelweg. Alhoewel in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen in principe geen gebouwen met een woonfunctie zijn toegelaten, heeft de Raad van State bovendien niettemin geoordeeld dat service-flats voor bejaarden kunnen worden vergund in dergelijk gebied. Ook een nomadenkamp werd door de Raad van State beschouwd als een gemeenschapsvoorziening en openbare nutsvoorziening, (Artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen).

 

Het eigendom is gelegen in het gewestplan Antwerpen (Koninklijk Besluit van 3 oktober 1979 en latere wijzigingen). Het eigendom ligt, volgens dit van kracht zijnde gewestplan, in een parkgebied. De parkgebieden moeten in hun staat bewaard worden of zijn bestemd om zodanig ingericht te worden, dat ze, in de al dan niet verstedelijkte gebieden, hun sociale functie kunnen vervullen, (Artikel 14 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen).

 

(Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen (GRUP's) kan u raadplegen via https://omgeving.vlaanderen.be/grup. Provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen (PRUP's) kan u raadplegen via www.provincieantwerpen.be, zoek op 'PRUP'. Het gewestplan kan u raadplegen via https://omgeving.vlaanderen.be/gewestplan.)

 

De aanvraag ligt niet in een verkaveling.

 

De aanvraag is in overeenstemming met de bepalingen van het Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan, het is gedeeltelijk gelegen in de zone parkgebied: cultureel erf en tuinen’ (artikel 1) en gedeeltelijk in de zone ‘parkgebied: wonen-park’ (artikel 5).

 

Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen

-          Bouwcode: de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening (verder genoemd bouwcode), definitief vastgesteld door de gemeenteraad in zitting van 25 maart 2024 en in werking getreden op 15 juli 2024.
(De bouwcode kan u raadplegen via www.antwerpen.be, zoek op ‘regelgeving bouwen in Antwerpen’)
De aanvraag wijkt af van de bepalingen van de bouwcode op volgend(e) punt(en):

  • artikel 20 daken:

het is onduidelijk of er op de daken waar geen groendak wordt voorzien en er geen technische installaties zijn er een lichte dakbekleding is voorzien.

  • artikel 23 Inrichting van de open ruimte:

in binnenplaatsen zijn verhardingen toegestaan tot een maximum van 1/3 van de totale tuinoppervlakte voor tuinen groter dan 60 m².

  • artikel 24 Behoud en groenbescherming

de aanwezige bomen en waardevolle natuurlijke en landschappelijke elementen moeten maximaal behouden blijven;

Tijdens het broedseizoen is het snoeien of vellen van bomen niet toegelaten op terreinen met een omvangrijk groenvolume;

  • artikel 25 Groeninrichting

Bij publiek toegankelijke parkings voor personenwagens in openlucht worden minstens de parkeerplaatsen zelf ingericht met een waterdoorlatende of waterpasserende verharding en fundering.

  • artikel 32 POET-principe is leidend:

zie advies Mobiliteit;

  • artikel 33 Fietsparkeren maximaal op eigen terrein:

zie advies Mobiliteit.

 

-          Stedenbouwkundige lasten: de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening ‘Stedenbouwkundige lasten’ (verder genoemd verordening stedenbouwkundige lasten), definitief vastgesteld door de gemeenteraad in zitting van 29 april 2024.

(De verordening stedenbouwkundige lasten kan u raadplegen via “https://www.antwerpen.be/nl/overzicht/vergunningen/regelgeving”)

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van de verordening stedenbouwkundige lasten.

 

Sectorale regelgeving

-          Vlaamse codex Wonen van 2021: Gecodificeerde decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020.
(De kwaliteitsnormen voor woningen, die in uitvoering van de Vlaamse codex Wonen van 2021 zijn opgemaakt, kan u raadplegen via www.wonenvlaanderen.be, zoek op “besluit Vlaamse codex wonen van 2021”)
De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van de Vlaamse codex Wonen van 2021.
 

-          Rooilijn: artikel 4.3.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) van 15 mei 2009.
(De VCRO kan u raadplegen via https://omgeving.vlaanderen.be/, ga naar Decreten en uitvoeringsbesluiten > Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO))
Artikel 4.3.8 is van toepassing op de aanvraag. De aanvraag is hiermee in overeenstemming.

 

Beleidsmatig gewenste ontwikkelingen

-          Transformatieleidraad: Transformatieleidraad Ruimte geven aan de stad van morgen. Op 21 mei 2024 keurde de gemeenteraad dit plan goed.
De transformatieleidraad kan je raadplegen via Transformatieleidraad.

 

-          Strategische Ruimteplan Antwerpen (SRA): Op 21 mei 2024 keurde de gemeenteraad het nieuwe plan goed.
Het strategisch ruimteplan Antwerpen kan je raadplegen via Strategisch Ruimteplan Antwerpen.

 

Omgevingstoets

 

Toetsing van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening

 

Functionele inpasbaarheid

De aanvraag betreft het bundelen van een aantal beheeractiviteiten van het Rivierenhof in een Technisch Centrum aan de rand van het park. De huidige infrastructuur voor het parkbeheer ligt verspreid doorheen het park, terwijl de administratie gebeurt vanuit het hoofdgebouw aan de Turnhoutsebaan. Veel van deze gebouwen zijn sterk verouderd en toe aan afbraak of modernisering. Met deze aanvraag komt ook de personeelsparking, zoals alle bezoekersparkings, aan de rand van het park te liggen. Zo wordt een groot deel van het verkeer verbonden aan leveringen en diensten uit het park gehouden.

 

De site is gelegen binnen het gebied waar het PRUP Rivierenhof van toepassing is. De projectsite ligt gedeeltelijk in zone ‘parkgebied: cultureel erfgoed en tuinen’ (artikel 1) en gedeeltelijk in de zone ‘parkgebied: wonen-park’ (artikel 5).

 

In de zone ‘parkgebied: cultureel erfgoed en tuinen’ laat het PRUP in de gebouwen met erfgoedwaarde onder meer nuts- en gemeenschapsvoorzieningen en socio-culturele en educatieve voorzieningen toe. Het onderhouden, het in stand houden en het renoveren en verbouwen binnen het bestaande bouwvolume van de gebouwen met een erfgoedwaarde is toegestaan. Ook het uitbreiden van het bestaande bouwvolume is toegestaan, voor het directeursgebouw maximaal 20% ten opzichte van het huidige bouwvolume van de bebouwing met erfgoedwaarde. Bij elk van de gebouwen met een erfgoedwaarde zijn parkeerfaciliteiten toegestaan voor zover de inrichting een optimale inpassing in het landschap garandeert en het aantal plaatsen beperkt is tot het strikt noodzakelijke voor de werking van de gevestigde activiteiten. In functie van café of restaurant is de aanleg van een terras toegestaan.

 

In de zone ‘parkgebied: wonen-park’ zijn bij de bestemming ‘park’ activiteiten in functie van het beheer en de aanleg van het park toegestaan. Ook is een café en/of restaurant gerelateerd aan het park toegestaan. Voor beide hoofdbestemmingen zijn gebouwen toegestaan.

 

Er werd advies gevraagd aan de stedelijke dienst Ondernemen en Stadsmarketing/ Economie en Toerisme. Het advies is gunstig:

“De aanvraag omvat de realisatie van technische gebouwen in functie van het onderhoud en beheer van het Rivierenhof voor de provinciale diensten. Een deel van de gebouwen komt langsheen de Turnhoutsebaan als een geïntegreerd geheel en de andere functies worden compact voorzien binnen het parkgebied. Voor de ganse site is een provinciaal RUP van toepassing.

De nieuwe gebouwen passen binnen de visie van de beleidsnota ruimtelijke economie inzonderheid verweving van functies. Voor de aanvraag kan gunstig advies gegeven worden.”

 

Voorliggend project is functioneel inpasbaar en in overeenstemming met de bepalingen van het PRUP Rivierenhof.

 

Schaal – ruimtegebruik – bouwdichtheid

Het PRUP schrijft voor dat de maximale terreinbezetting 80% bedraagt. Onder maximale terreinbezetting worden het aandeel bebouwing én verharding verstaan. Om 20% groene ruimte te behouden, wordt er ingezet op het maximaal vergroenen van de tuin van het kantoorgebouw. Ook de voortuin van het kantoorgebouw wordt mee vergroend. De tuin van het directeursgebouw vloeit over in de tuin van het kantoorgebouw.

 

In het kader van een eerdere aanvraag (OMV_2024160937) waarvoor momenteel nog een beroepsprocedure lopende is voor de Vlaamse Regering, werd door de aanvrager een toelichting voorzien met betrekking tot de verharde oppervlakte.

Enerzijds wordt hierbij ingegaan op de definitie van ‘terrein’ in functie van de ‘maximale terreinbezetting van 80%’, anderzijds worden alle oppervlaktes nagerekend en vergeleken met de getallen die door de bezwaar- en beroepindieners worden gehanteerd.

 

Wat de afbakening van het ‘terrein’ betreft, zijn er verschillende interpretaties, met name ‘de volledige deelzone’ (scenario 1) of ‘de functionele eenheid’ (scenario 2). Voor beide wordt er voldaan aan de gestelde eis dat de maximale terreinbezetting 80% bedraagt.

De totale oppervlakte van deelzone 5 (scenario 1) bedraagt 9.641 m² waarvan 6.535 m² verhard, of 68%. Scenario 2 wordt nog opgesplitst in twee deelscenario’s, exclusief en inclusief karrenspoor. Uitgaande van het scenario waarbij het karrenspoor ook als verharding wordt meegerekend, bedraagt de totale oppervlakte 5.610 m² waarvan 4.363 m² verhard, of 78%.

 

De interpretatie van de beroepschriftindiener gaat uit van nog een kleiner ‘terrein’ (scenario 3), met name enkel de zone van de nieuwbouw. Hierbij worden een aantal kanttekeningen gemaakt.

1) Uit vergelijking van verschillend kaartmateriaal blijkt dat de grafische afbakeningen van het PRUP, de kadastrale percelen en de opmeting van de werkelijke situatie niet volledig met elkaar overeenstemmen. Dit wordt meestal verklaard door een foutenmarge bij de digitalisering van oorspronkelijk handmatig getekende plannen, waarbij lijndiktes op papier tot een afwijking in werkelijkheid kunnen leiden. Er werd een opmetingsplan opgemaakt door een gezworen landmeter-expert, dat als basis is gebruikt voor de gehanteerde oppervlaktes.

2) In het advies van de afdeling GOP wordt voor de totale terreinoppervlakte binnen de bestemming 2.470 m² gerekend, waar dit in werkelijkheid 2.490 m² is. De maximale terreinbezetting is dan geen 1.976 m², maar 1.992 m².

Het atelier heeft een oppervlakte van 1.370 m² (in plaats van 1.350 m² volgens GOP), het dienstgebouw heeft een oppervlakte van 217 m² (in plaats van 210 m² volgens GOP) en het gaslokaal 17 m² (in plaats van 16,5 m² volgens GOP). De omgevingsaanleg bedraagt echter maar 470 m² in plaats van 576 m² volgens GOP. Hierbij werd in het advies GOP een zone tweemaal in rekening gebracht, met name de verharde zone onder de luifel van het ateliergebouw boven het werkerf.

Dat brengt de totale terreinbezetting op 2.074 m² in plaats van 2.152,5 m². Ten opzichte van de totale oppervlakte van 2.490 m² is dit een verharding van 83%.

 

Hoewel door de aanvrager wordt geargumenteerd dat de interpretatie van de beroepschriftindiener (scenario 3) niet correct is, is er een aanpassing aan de verhardingen voorzien om in iedere hypothese (ook het door de aanvrager verworpen 3e scenario) de terreinbezetting terug te brengen tot onder 80%. Er wordt een extra oppervlakte van 99 m² groenzone voorzien waar voordien verharding was. De totale verharde oppervlakte is dan 1.975 m², of 79,3% van 2.490 m² (de kleinst mogelijke terreinoppervlakte, nl. scenario 3).

 

Zelfs indien er geen rekening gehouden wordt met de plannen van de landmeter-expert en er gerekend wordt met de terreinoppervlakte van 2.470 m², wordt de 80% terreinbezetting (of 1.976 m²) niet overschreden.

 

Bij het ontwerp is gezocht naar een korrel die aansluit bij het ritme van de straat. Er is een logische tweedeling tussen de kantoren en publieke functies enerzijds, en de werkateliers anderzijds. Het hoofdvolume van de ateliergebouwen sluit qua bouwhoogte en bouwdiepte aan bij de bestaande panden. Daarachter wordt er een lager ateliervolume voorzien, dat door zijn specifieke dakvorm afbouwt richting de buren. Op die manier wordt de scheimuur achteraan op het perceel zo veel mogelijk beperkt in hoogte (tot 6,27 m). Gezien de oriëntatie is de impact op de zonlichttoetreding van de aanpalenden beperkt, de zuid- en westzijde blijven immers vrij van bebouwing.
De volumes zijn stedenbouwkundig aanvaardbaar en in overeenstemming met de bepalingen van het PRUP.

 

Het werkerf, een flexibel inzetbare zone van 12 m breed, wordt voorzien van een betonverharding, ten behoeve van de activiteiten. Een groene haag vormt een visuele buffer tussen het werkerf en de bostuin. De bostuin sluit aan bij de bestaande tuin van de directeurswoning, zet in op een bosrijk karakter en heeft de mogelijkheid om water te bufferen.

Een pad doorheen de tuin maakt de verbinding tussen het werkerf, het bestaande terras aan de directeurswoning en de nabijgelegen parking. Dit pad wordt voorzien in een persrooster dat zweeft boven het maaiveld van de tuin en is dus maximaal waterdoorlatend.

Ook de voortuin van de directeurswoning en de inkom van het kantoorgebouw worden mee vergroend en vormen zo een formele entree naar de kantoren. Ook het toegangspad wordt voorzien in een waterdoorlatende verharding.

 

De bestaande parking naast de tuin van de directeurswoning wordt heraangelegd in een waterpasserende verharding met brede voegen opgevuld met grind. De parkeerzone wordt heraangelegd en opgewaardeerd tot 30 parkeerplaatsen met laadinfrastructuur.

 

De dienstweg naar het park heeft een minimaal bochtenverloop, waarbij het bestaande park zo weinig mogelijk wordt doorsneden, ook rekening houdende met het bestaande bomenbestand in het park. De dienstweg wordt ingericht met een karrenspoor van uitgewassen beton waarbij de ruimte tussen de sporen ter hoogte van de bochten en het tracé doorheen het bebost gedeelte wordt ingevuld met een plantaardig gebonden halfverharding. Op de plaats waar het pad door het gras loopt, wordt het karrenspoor ingevuld met grindgazon. Voor de aanleg van de dienstweg is er een beperkte ontbossing vereist. De aanvraag van deze ontbossing maakt deel uit van deze omgevingsvergunningsaanvraag. Er werd een ontheffing van het verbod tot ontbossing verleend en een boscompensatievoorstel toegevoegd aan de aanvraag. Ter compensatie van de verharding van de dienstweg, wordt er een zone betonverharding van de huidige personeelsparking onthard. Deze oppervlakte stemt overeen met de oppervlakte van de verharding van de dienstweg (585 m²). Deze ontharding is geen onderdeel van deze omgevingsvergunningsaanvraag.

 

Er werd advies gevraagd aan het Agentschap voor Natuur en Bos. Het advies is voorwaardelijk gunstig en luidt samengevat als volgt:

“Uit het dossier kan afgeleid worden dat de aanvrager een oppervlakte van 228 m² wenst te ontbossen. Volgens onze gegevens is het perceel bezet met habitatwaardig bos. Volgens het Agentschap voor Natuur en Bos is er voor het uitvoeren van de geplande werken een ontbossing nodig van 228 m².

 

Het compensatievoorstel wordt goedgekeurd en moet integraal deel uitmaken van de omgevingsvergunning. Het dossier is bij het Agentschap voor Natuur en Bos geregistreerd onder het kenmerk 25-200249.”

 

Volgende voorwaarden gekoppeld aan het boscompensatievoorstel worden opgenomen bij de vergunning:

-          De vergunning wordt verleend op grond van artikel 90bis, §5, derde lid, van het Bosdecreet en onder de voorwaarden zoals opgenomen in het hierbij gevoegde compensatieformulier met kenmerk: 25-200249.

-          De te ontbossen oppervlakte bedraagt 228 m². Deze oppervlakte valt niet meer onder het toepassingsgebied van het Bosdecreet.

-          De resterende bosoppervlakte 13.122 m² moet ALS BOS behouden blijven. Bijkomende kappingen in deze zone kunnen maar uitgevoerd worden mits machtiging door het Agentschap voor Natuur en Bos. Het is evenmin toegelaten in deze zone constructies op te richten of ingrijpende wijzigingen van de bodem, de strooisel-, kruid- of boomlaag uit te voeren.

-          De compenserende bebossing op het perceel/de percelen Antwerpen: 11345B0040/00S005 over een oppervlakte van 684 m² dient uitgevoerd te worden binnen 2 jaar vanaf de datum waarop gebruik mag gemaakt worden van deze vergunning. De compenserende bebossing zal uitgevoerd worden door de aanvrager van de vergunning. Deze verbindt er zich toe om minstens binnen 30 dagen voordat de compenserende bebossing wordt uitgevoerd dit aan het Agentschap voor Natuur en Bos te melden. Wanneer de compenserende bebossing volledig is uitgevoerd, kan men hiervan een attest bekomen bij de provinciale afdeling van het Agentschap voor Natuur en bos.

Daarnaast worden volgende voorwaarden opgenomen bij de vergunning:

-          De bebossing dient uitgevoerd te worden als boshabitattype 9120.

-          Het vellen en ruimen van de bomen en struiken dient te gebeuren in de periode van 1 juli tot 1 maart (zijnde buiten standaard schoontijd).

-          Indien hoogstammige bomen met holten worden gerooid, die potentieel in gebruik zijn als vleermuisbomen, dan in kader van de aanvraag tot omgevingsvergunning bijkomend onderzoek op de aanwezigheid van vleermuizen vereist, met inbegrip van een voorstel tot maatregelen om het effect hiervan maximaal te voorkomen/vermijden.

-          Het plaatsen van verlichting (onder welke vorm ook) langs de dienstweg is niet toegestaan.

 

Visueel-vormelijke elementen

Het perceel bevindt zich op de sprong tussen Deurne Dorp en de losse bouwstempels van de kastelen te midden van het groene karakter van het Rivierenhof. Het oud directiegebouw en de jachtwachters- en portierwoning zijn opgenomen op de Inventaris van het Onroerend Erfgoed. Om qua schaal aan te sluiten bij de korrel van de straat wordt een ‘dubbel duo’ ontworpen van twee kantoren (in het directiegebouw en een deels teruggetrokken nieuwbouwvolume) en (schijnbaar) twee ateliers. De doorsteek tussen deze twee volumes vormt het werkerf en een doorzicht naar het Rivierenhof.

 

De rondingen in de gevel van het ateliergebouw en de knik in het kantoorgebouw vergemakkelijken het toekomen en vertrekken op de site. De terugsprong in het volume van het ateliergebouw zoekt aansluiting bij de schaal van de straat en de buren. De grote gevelopeningen in het houtatelier zorgen voor een levendige plint en geven het houtatelier aangenaam noorderlicht om in te werken. Voor de onderste zone van het schrijnwerk wordt een borstwering voorzien, zodat passanten enkel een kleine glimp kunnen opvangen van de werkzaamheden in het atelier. Een poort tussen twee gemetste penanten sluit het werkerf af van het publieke Rivierenhof. De gevels worden opgebouwd uit robuuste gevelstenen en betonnen lintelen en dorpels. Enkel de gevel onder de grote luifel naar de ateliers wordt als een geheel van poorten en ramen gezien. Grote vouwpoorten en loopdeuren geven toegang tot de ateliers.

 

Deze aanvraag heeft een gelijkaardig voorwerp als het dossier OMV_2024160937. Er werden enkele beperkte aanpassingen gedaan naar aanleiding van het beroep van de aanpalende. Zo werd in de achtergevel van het atelier een bijkomend raam voorzien, waardoor de wederkerige relatie tussen binnenruimte en parkzone versterkt wordt. Deze geveluitwerking sluit aan bij de architectuurtaal van het project.

 

Het project werd voorgelegd aan de Kwaliteitskamer op 17 mei 2024, waar gunstig advies werd gegeven met een aantal voorwaarden en aandachtspunten. Naar aanleiding van deze feedback werd een aangepast voorstel uitgewerkt, waarbij een elegant samenspel tussen de bestaande bebouwing en de nieuwe volumes werd gerealiseerd en dat zowel door de stadsbouwmeester als de dienst Monumentenzorg gunstig werd beoordeeld.

 

Het project is inpasbaar in de omgeving en wordt qua materialisatie en detaillering gunstig beoordeeld.

 

Cultuurhistorische aspecten

Er werd advies gevraagd aan de stedelijke dienst Onroerend Erfgoed/Monumentenzorg. Het advies is voorwaardelijk gunstig:

“Het betreft een nieuwbouwproject na sloop van een deel van de bestaande bebouwing waarvoor in een vorige fase al een vergunning werd verleend na gunstig advies van onze dienst. Het voorstel voor nieuwbouw werd aan de Kwaliteitskamer voorgelegd en gunstig geadviseerd. In het voorstel of nota werd geen informatie gevonden over de afwerking van de vrijgekomen delen van de zijgevel. Als voorwaarde zal opgelegd worden het bestaande parament te herstellen indien mogelijk of aan te vullen met dezelfde baksteen als het overige deel van deze zijgevel.”

Dit wordt opgenomen in de voorwaarden bij de vergunning.

 

Bodemreliëf

Er werd advies gevraagd aan de stedelijke dienst Onroerend Erfgoed/Archeologie. Er werd voorlopig geen advies ontvangen.

Deze aanvraag heeft een gelijkaardig voorwerp als het dossier OMV_2024160937, waarin ook advies werd gevraagd. In dat dossier was het advies voorwaardelijk gunstig:

 

“Het projectgebied bevindt zich buiten een vastgestelde archeologische zone. Het projectgebied is gelegen deels binnen een woon- en recreatiegebied met een oppervlakte boven de 3.000 m² (9.848 m²) en een vergunningsplichtige ingreep boven de 1.000 m² (circa gelijk aan projectgebied). Volgens het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, artikel 5.4.1 is hiervoor een archeologienota verplicht.

 

De archeologienota werd opgemaakt door Ruben Willaert en waarvan akte door het agentschap Onroerend Erfgoed op 23 oktober 2024 (https://loket.onroerenderfgoed.be/archeologie/notas/notas/31066). Het programma van maatregelen schreef een uitgesteld vooronderzoek voor in de vorm van landschappelijke boringen, eventueel gevolgd door een proefsleuvenonderzoek. Het landschappelijk booronderzoek werd afgerond en gerapporteerd tussen 15 oktober 2024 en 30 oktober 2024. De nota van het uitgesteld vooronderzoek werd uitgevoerd door Ruben Willaert en waarvan akte door het agentschap Onroerend Erfgoed op 6 december 2024 (https://loket.onroerenderfgoed.be/archeologie/notas/notas/31510). Er werd geen programma van maatregelen opgemaakt.

 

Het is echter niet uitgesloten dat er alsnog tijdens de graafwerken archeologische sporen in de vorm van verkleuringen of aardewerk aangetroffen worden. Bij het mogelijk aantreffen van sporen tijdens de geplande ingrepen en waarvan de bouwheer redelijkerwijs vermoedt dat ze archeologisch relevant zijn, dienen deze verplicht gemeld te worden onder de toevalsvondstprocedure. De dienst Archeologie van stad Antwerpen kan deze waarde ter plaatse steeds komen inschatten.”

 

Volgend op dit advies werden volgende voorwaarden opgelegd bij de vergunning:

-          De bouwheer meldt 2 weken voor aanvang de start van de werken aan de stedelijke dienst Archeologie (archeologie@antwerpen.be).

-          De bouwheer laat werfcontroles toe door stadsarcheologen.

-          De bouwheer is verplicht om eventuele vondsten en restanten waarvan hij redelijkerwijs vermoedt dat het archeologische waarde heeft, te melden onder de vondstmeldingsplicht (Onroerenderfgoeddecreet van 2 juli 2013, artikel 5.1.4). De dienst Archeologie kan de noodzaak hiervan steeds komen inschatten.

Gezien de overeenkomsten tussen beide dossiers, worden deze voorwaarden overgenomen bij deze vergunning.

 

Hinderaspecten – gezondheid – gebruiksgenot – veiligheid in het algemeen

Er werd advies gevraagd aan de Vlaamse Milieumaatschappij. Het project wordt voorwaardelijk gunstig geadviseerd en is in overeenstemming te brengen met de doelstellingen en beginselen van de gecodificeerde decreten betreffende het integraal waterbeleid. Er dient voldaan te worden aan volgende voorwaarden:

-          De waterdoorlatende verharding van de parking moet een hellingsgraad kleiner dan 2% hebben en een waterdoorlatende onderfundering.

Deze voorwaarde wordt overgenomen in de vergunning.

 

Het advies van het Agentschap Wegen en Verkeer is als voorwaardelijk gunstig opgeladen in het omgevingsloket, maar het is een gunstig advies zonder voorwaarden. Om die reden kunnen geen voorwaarden uit dit advies overgenomen worden.

 

Het advies van de brandweer werd nog niet ontvangen. Het college hecht belang aan dit advies. Het advies van het college is dan ook voorwaardelijk gunstig voor zover het advies van de brandweer gunstig is met uitvoerbare voorwaarden.

 

Mobiliteitsimpact (onder andere toetsing parkeerbehoefte)

Het algemene principe is dat een omgevingsvergunningsaanvraag in vele gevallen een parkeerbehoefte genereert. Om te vermijden dat de parkeerbehoefte (geheel of gedeeltelijk) wordt afgewenteld op het openbaar domein, dient het parkeren maximaal op eigen terrein te worden voorzien. Dit is het zogenaamde POET principe (Parkeren Op Eigen Terrein).

 

De parkeer- en stallingsnormen uit de tabel van artikel 32 van de bouwcode van kracht sinds 15 juli 2024, dienen te worden nageleefd bij nieuwbouw, herbouw, verbouwing, functiewijziging, volume-uitbreiding, wijzigen van het aantal wooneenheden en wijziging tussen de gedefinieerde subfuncties in paragraaf 3. Wie niet op eigen terrein voorziet in de werkelijke parkeerbehoefte, dient hiervoor een compensatie te betalen.

 

Voorliggende aanvraag genereert een werkelijke parkeerbehoefte van 4 parkeerplaatsen.

 

De aanvraag betreft de bouw en exploitatie van een nieuw technisch centrum en de actualisatie van de reeds vergunde activiteiten van provinciaal groendomein Rivierenhof.

De parkeerbehoefte wordt bepaald op de uitbreiding en/of functiewijziging. De aanvraag betreft een verhuis van verschillende diensten naar een centrale locatie in het park. Het totaal aantal personeel dat tewerkgesteld is in het park, blijft gelijk. Er is dus geen bijkomende parkeerbehoefte.

 

Er verdwijnen door de verbouwing 4 parkeerplaatsen. De personeelsparking aan de centrale dreef wordt immers samengevoegd bij de bestaande parking achter de directeurswoning met toegang langs de Turnhoutsebaan. Van de 16 plaatsen kunnen er 12 gecompenseerd worden op de andere parking waar in de bestaande toestand 18 parkeerplaatsen zijn. De 4 plaatsen die niet gecompenseerd kunnen worden, worden bijgeteld bij de parkeerbehoefte.

 

De parkeerbehoefte is 4.

De werkelijke parkeerbehoefte is 4. 

De plannen voorzien in 0 nuttige autostal- en autoparkeerplaatsen.

 

De bestaande parking achter de directeurswoning van 18 plaatsen wordt herschikt en gereorganiseerd zodat er 30 parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. De parking aan de centrale dreef van 16 plaatsen verplaatst dus mee naar deze parking. Alle parkeerplaatsen worden als bestaande plaatsen beschouwd en daarom niet nuttig voor deze aanvraag. 

Het (bijgestelde) aantal ontbrekende autostal- en autoparkeerplaatsen bedraagt dan 4.

 

Het aantal ontbrekende autostal- en autoparkeerplaatsen bedraagt 4 - 0 = 4.

Dit is het verschil tussen het aantal autostal- en/of autoparkeerplaatsen volgens de werkelijke parkeerbehoefte en het aantal te realiseren autostal- en autoparkeerplaatsen. 

Het aantal ontbrekende autostal- en/of autoparkeerplaatsen wordt belast op basis van het belastingreglement op de omgevingsvergunning van 17 december 2019. In deze aanvraag is dit dus van toepassing op 4 plaatsen. 

 

Ontsluiting/bereikbaarheid:

De ontsluiting van de parking van 30 parkeerplaatsen gebeurt langs de Turnhoutsebaan. Dit is veel beter dan verkeersbewegingen in het park. Ook laden en lossen gebeurt langs de Turnhoutsebaan. Alle manoeuvres gebeuren echter op eigen terrein.

 

Laden en lossen:

Laden en lossen wordt voorzien via het werkerf langs de Turnhoutsebaan. Gemotoriseerd verkeer moet de site steeds voorwaarts op en voorwaarts af rijden. De Turnhoutsebaan is immers een drukke weg met heel veel verschillende soorten verkeer wat kan leiden tot conflicten. Manoeuvreren moet steeds volledig op eigen terrein gebeuren.

 

Fietsvoorzieningen:

Er worden 110 fietsstalplaatsen voorzien. In de fietsenstalling staat als aantal 65 + 29 ingetekend. Er is geen bijkomende info over het type fietsenstalling dat wordt gebruikt. Om een comfortabele fietsenstalling te hebben, mag maximaal de helft van de fietsenstalling in een dubbellaags systeem voorzien worden. Verder moet ook 10% van de fietsstalplaatsen bruikbaar zijn voor buitenmaatse fietsen (cargofiets, bakfiets enzovoort) wat voor deze aanvraag neerkomt op 11 fietsstalplaatsen.

 

De tussenafstand tussen de fietsen moet 60 cm zijn. De toegang van de fietsenstalling moet met een automatische deur geregeld worden om het comfort zo hoog mogelijk te maken.

 

De dienst Mobiliteit geeft advies met volgende voorwaarden:

-          Er mogen maximaal 55 van de 110 fietsstalplaatsen voorzien worden in een dubbellaags systeem.

-          Er moeten minimaal 11 fietsstalplaatsen voorzien worden voor buitenmaatse fietsen.

-          De tussenafstand tussen de fietsen in de fietsenstalling moet 60 cm zijn.

-          Gemotoriseerd verkeer moet steeds voorwaarts de site oprijden en ook voorwaarts weer verlaten. Manoeuvreren moet dus steeds volledig op eigen terrein gebeuren.

 

Toetsing van aanvaardbaarheid van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten op het vlak van hinder en risico's voor de mens en het milieu

 

Het Provinciaal Groendomein Rivierenhof, een voormalig kasteelpark, is sinds 1923 eigendom van de provincie Antwerpen en wordt begrensd door de Turnhoutsebaan, de Ruggeveldlaan en de E313.

 

Vanaf 2014 werden de sportclubs uit het centrum van het park verplaatst naar twee nieuwe sportzones met bijhorende parkings, gelegen ten westen en ten oosten van het park. De sportclubs hebben nieuwe clublokalen gekregen, die eigendom zijn van de provincie en die de technische installaties en stookinstallaties beheren. Deze installaties maken deel uit van onderhavige aanvraag. Het Rivierenhof is een park met culturele polen, waaronder het Openluchttheater en het Kasteel Rivierenhof met horecazaak.

 

De huidige infrastructuur voor het parkbeheer is verspreid over het domein. De administratie gebeurt vanuit het hoofdgebouw aan de Turnhoutsebaan. De werkhuizen en het tankstation liggen centraal in het park, evenals de personeelsparking, de refter en de omkleed- en doucheruimtes. Veel van deze gebouwen zijn verouderd en aan afbraak of modernisering toe. Een nieuw Technisch Centrum wordt gebouwd aan de Turnhoutsebaan, naast en gekoppeld aan het huidige administratieve gebouw.

 

De beheeractiviteiten die nodig zijn voor de dagelijkse werking van het park zullen uit het park worden weggehaald en gecentraliseerd in het nieuwe Technisch Centrum. Hierdoor wordt een groot deel van het verkeer verbonden aan leveringen en diensten uit het park gehouden. Het tankstation en de serres blijven op hun huidige locaties. De serres dienen enkel voor de opkweek van plantgoed van de verschillende arboreta in het Rivierenhof.

 

Deze aanvraag betreft de exploitatie van het nieuwe Technisch Centrum en de actualisatie van reeds vergunde activiteiten. Het Kasteel Sterckshof en Campus Rivierenhof van het avAnt provinciaal onderwijs maken geen deel uit van deze vergunningsaanvraag.

 

Het nieuw te bouwen Technisch Centrum omvat kantoorfuncties, een refterruimte, vergaderzalen, enkele bureaus, evenals verschillende werkplaatsen en ateliers waaronder een houtatelier en een metaalatelier. De functies van het lasatelier (metaalatelier, kleedkamer, lokaal fijn techniek, opslag gassen en werkerf) en van de werkhuizen (waaronder schildersatelier, opslag- en bergruimte, wasplaats, werkerf, EHBO-ruimte en fietsstalling) worden verplaatst naar het Technisch Centrum. Daarnaast worden ook de functies van de gebouwen gelegen aan de Turnhoutsebaan 222 en 230 ondergebracht in het nieuw Technisch Centrum, waaronder de houtschrijnwerkerij en montageruimte.

In het Provinciaal Groendomein Rivierenhof worden in de metaal-, las-, hout- en verfateliers enkel producten vervaardigd voor intern gebruik binnen het park, waaronder educatief materiaal, parkmeubilair, speeltuigen, tafels en aanduiding borden voor parkbezoekers.

 

Het metaalatelier van het lasatelier wordt verplaatst naar het nieuwe Technisch Centrum (gelijkvloers). Het vermogen van de metaalbewerkingstoestellen wordt uitgebreid met 18,27 kW tot een totaal vermogen van 32 kW.

Beoordeling: Bij metaalbewerkingen, zoals slijpen en snijden, kunnen stofemissies vrijkomen. Uit de ingediende toestellenlijst blijkt dat het metaal/lasatelier is uitgerust met een mobiele lasafzuiging, om stofdeeltjes en dampen effectief af te zuigen. Het wordt aangeraden om de mobiele lasafzuiging consequent te gebruiken aan de werktafels waar de werkzaamheden plaatsvinden. Mits een goed en regelmatig onderhoud van de filters wordt geen hinder voor de omgeving verwacht.

 

Ook het houtatelier wordt verplaatst naar het nieuwe Technisch Centrum (gelijkvloers). Het vermogen van de houtbewerkingsmachines wordt ten opzichte van de vergunde situatie verminderd met 5,8 kW tot een totaal vermogen van 68 kW. Dit betreft een beperkte vermindering. De houtbewerkingsmachines omvatten onder meer een lintzaag, een afkortzaag en twee kolomboormachines.

Beoordeling: Bij het gebruik van de houtbewerkingsmachines kunnen stofemissies ontstaan. Uit de toestellenlijst blijkt dat een houtstofafzuiging wordt voorzien. Mits een goed en regelmatig onderhoud van de filters wordt geen hinder voor de omgeving verwacht.

 

De werkzaamheden in het hout- en metaalatelier kunnen stof- en geluidshinder veroorzaken voor de omgeving wat zoveel mogelijk beperkt dient te worden. Om deze hinder te beperken dienen de activiteiten in deze ateliers tijdens het gebruik van de metaal- en houtbewerkingsmachines steeds te worden uitgevoerd met gesloten ramen en deuren. Dit wordt mee opgenomen in de bijzondere voorwaarden.

 

De metaal- en houtbewerkingsmachines worden opgesteld binnen de ateliers. Uit het uitvoeringsplan blijkt dat noch het houtatelier, noch het metaalatelier rechtstreeks grenst aan de gevel op de perceelgrens van de naastliggende woning. Achter het houtatelier bevindt zich een montageruimte die wel aan de gevel op de perceelgrens van de naastliggende woning grenst. De in deze ruimte voorziene machines, met name een kolomboor en een houtdraaibank, worden niet tegen de gemene muur opgesteld.

Aan het aanvraagdossier werd een akoestische studie toegevoegd, waarin de prestatie-eisen met betrekking tot de akoestiek van het project werden onderzocht.

Er worden constructieve maatregelen voorzien, waaronder betonnen wanden (25 cm) en isolatie in minerale wol (4 cm), om de geluidsafstraling naar de omgeving te beperken.

Als bijkomende bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de metaal- en houtbewerkingsmachines niet tegen gemene muren mogen worden opgesteld om geluidsoverdracht naar de bewoonde vertrekken van de buren te voorkomen.

 

Daarnaast wordt de bestaande autowerkplaats van het lasatelier voor kleine reparaties en nazicht verplaatst naar het Technisch Centrum. Groot onderhoud aan voertuigen (waaronder tractoren), wordt uitgevoerd door een externe garage. De werkzaamheden in de autowerkplaats vinden plaats op een vloeistofdichte verharding. Ook de wasplaats voor het wassen van voertuigen en machines van het lasatelier wordt verplaatst naar het Technisch Centrum, naast de autowerkplaats, en is eveneens voorzien van een vloeistofdichte verharding. In deze wasplaats worden onder meer modder en zand van voertuigen, tractoren en grasmachines afgespoten. De bestaande wasplaats ter hoogte van het tankstation blijft behouden. Voor beide wasplaatsen blijft het aantal wasbeurten beperkt tot maximaal negen voertuigen per dag.

 

Het vervuilde waswater en eventueel verontreinigd hemelwater worden opgevangen en geleid naar een koolwaterstofverwijderingsinstallatie (KWS-installatie) met geïntegreerde coalescentiefilter. Het behandelde water wordt vervolgens geloosd in een wadi, waarvan de overloop is aangesloten op een bestaande gracht binnen het Rivierenhof.

Beoordeling: In het aanvraagdossier wordt enerzijds vermeld dat het bedrijfsafvalwater van de nieuwe wasplaats via de KWS-installatie wordt geloosd in de wadi met overloop naar de bestaande gracht in het Rivierenhof, terwijl uit de plannen anderzijds blijkt dat het bedrijfsafvalwater zal worden geloosd via een nieuw lozingspunt (BAW 2) in de openbare riolering ter hoogte van de Turnhoutsebaan. Deze discrepantie dient nog verder te worden uitgeklaard.

 

De bestaande wasplaats bij het tankstation is aangesloten op een afwateringssyteem met lozingspunt BAW 1 in de openbare riolering, eveneens voorzien van een KWS-installatie.

 

Door de grotere vloeistofdichte verharding van de nieuwe autowasplaats in het Technisch Centrum kan een grotere hoeveelheid potentieel verontreinigd bedrijfsafvalwater worden geloosd. Volgens de exploitant bedraagt het debiet van het bedrijfsafvalwater 0,61 m³/uur wat een toename is van 0,4 m³/uur ten opzichte van de vergunde situatie.

 

De exploitant dient strikt de algemene milieuvoorwaarden na te leven inzake de werking en het onderhoud van de KWS-afscheider, zoals opgenomen in afdeling 4.2.3bis van Vlarem II.

De afvalstoffen (slib en drijflaag) afkomstig van de KWS-installatie dienen afgevoerd te worden naar een erkend afvalstoffenverwerker.

Daarnaast dienen de gebruikte detergenten voor het wassen van voertuigen te voldoen aan de Europese Verordening (648/2004) betreffende detergenten.

 

Er zijn twee autostalplaatsen voorzien, respectievelijk voor de vroegere werkplaats en de kinderboerderij. Daarnaast wordt één bijkomende stalplaats voorzien in het Technisch Centrum. De groenbeheermachines en voertuigen worden overdekt gestald op een verharde vloer. Beoordeling: Er worden geen extra voertuigen aangevraagd, waardoor het totaal op drie stalplaatsen voor in totaal 13 voertuigen komt.

 

De geïnstalleerde totale drijfkracht van compressoren, warmtepompen, koelinstallaties wordt uitgebreid met 87,9 kW tot een totaal van 93 kW. In het Technisch Centrum worden 3 warmtepompen geplaatst, evenals 2 frigo’s en een diepvries. Twee warmtepompen worden geplaatst in de technische ruimte op de 2e verdieping en één in de technische ruimte in de kelder.

 

Beoordeling: Uit de plannen blijkt niet waar de buitenunits van de warmtepompen zullen worden geplaatst. De exploitant dient te allen tijde te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen voor geluid in openlucht zoals opgenomen in Vlarem II.

 

Uit het aanvraagdossier blijkt dat de koelmiddelen die gebruikt zullen worden, nog niet gekend zijn. De exploitant wordt geïnformeerd dat sommige koelmiddelen aan uitfasering onderworpen zijn, om in het kader van duurzaamheid en in geval van accidentele vrijstelling, de impact op het milieu te beperken.

Meer informatie over in de toekomst toegelaten koelmiddelen en hun eventuele uitfaseringstermijn kan teruggevonden worden op https://www.vlaanderen.be/veka/energie-en-klimaatbeleid/energie-en-klimaatbeleid-voor-ondernemingen/f-gassen/20-februari-2024-nieuwe-f-gassenverordening-gepubliceerd.

 

Er zijn opslagplaatsen voor gevaarlijke producten, brandbare vloeistoffen en gassen in een gasopslagplaats.

De opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten wordt nieuw aangevraagd. Deze opslag vindt plaats in een open gasopslagplaats in het Technisch Centrum. Het totale opslagvolume bedraagt 660 liter (Tabel 1).

 

Tabel 1: Hieronder een overzicht van de gassen die zullen worden opgeslagen en de groep waartoe deze behoren.

gas

groep

gevaarsymbool

waterinhoud fles (liter)

aantal flessen

propaan

1

GHS02, GHS04

30

5

butaan

1

GHS02, GHS04

30

5

acetyleen

1

GHS02, GHS04

30

2

argon

4

GHS04 

50

2

atol 6 (argon + CO2)

4

GHS04 

50

2

zuurstof

3

GHS03, GHS04

50

2

    

Beoordeling: Bij de opslag geldt dat acetyleen, butaan en propaan (groep 1) niet in de directe nabijheid van zuurstof (groep 3) mogen worden opgeslagen. Een minimale afstand van 2 meter dient steeds te worden gerespecteerd. Uit het uitvoeringsplan blijkt dat deze afstand wordt gehanteerd.

De opslag van gassen dient te voldoen aan de sectorale voorwaarden zoals vastgelegd in artikel 5.17.3.2. van Vlarem II.

 

Opslag van gevaarlijke producten in vaste houders

De opslag van gevaarlijke producten in vaste houders vindt plaats in een ondergrondse gecompartimenteerde tank met 3 compartimenten (1x 5.000 liter rode diesel, 1x 5.000 liter witte diesel en 1x 2.500 liter benzine) gelegen ter hoogte van het tankstation. De vaste houders zijn dubbelwandig uitgevoerd en zijn voorzien van een overvulbeveiliging, lekdetectie en kathodische bescherming. Daarnaast wordt mazout opgeslagen in een bovengrondse dubbelwandige mazouttank (3.000 liter), gelegen ter hoogte van het bestaande lasatelier. Deze tank is eveneens voorzien van overvulbeveiliging en lekdetectie.

Beoordeling: Enkel een recent keuringsattest van de bovengrondse dubbelwandige mazouttank werd toegevoegd aan het dossier. Voor de ondergrondse gecompartimenteerde vaste houders zijn geen geldige keuringsattesten toegevoegd. Er wordt geadviseerd om de geldige keuringsattesten voor deze vaste houders binnen 6 maanden na verlening van de vergunning in te dienen bij de vergunningverlenende overheid.

 

De opslag van benzine wordt uitgebreid met 1,085 ton, wat het totaal op 3,023 ton brengt. Dit betreft een uitbreiding van 7 vaten benzine van elk 200 liter. Daarnaast wordt de opslag van brandbare vloeistoffen uitgebreid met 290 liter, tot een totaal van 1.760 liter.
De opslag van brandbare vloeistoffen dient te gebeuren op lekbakken.

 

De opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen wordt verder uitgebreid met 84,65 liter, tot een totaal van 1.830 liter, verdeeld over verschillende opslagplaatsen. Alle gevaarlijke producten worden opgeslagen in voldoende grote lekbakken.


Het watersysteem

Binnen het project wordt een hemelwaterput van 150 m³ voorzien voor het Technisch Centrum. Het hemelwater zal worden gebruikt voor sanitaire voorzieningen, wasmachines en het afwassen van voertuigen en machines. Het afvalwater wordt opgesplitst in huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater. Het bedrijfsafvalwater is afkomstig van de nieuwe autowasplaats en herstelwerkplaats in het Technisch Centrum. Daarnaast is ook het bedrijfsafvalwater afkomstig van de bestaande wasplaats bij het tankstation.

Beoordeling: Een deel van het hemelwater wordt gebruikt voor het wassen van voertuigen en machines. Het wassen van de voertuigen dient zoveel mogelijk te gebeuren met hemelwater. Dit wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde.

 

Het huishoudelijk afvalwater wordt via bestaande lozingspunten geloosd in de openbare riolering. Er worden twee nieuwe lozingspunten aangevraagd, waardoor het totaal op negen lozingspunten komt. Het betreft een verplaatsing van de activiteiten en het aantal bezoekers en personeelsleden stijgt niet waardoor de hoeveelheid huishoudelijk afvalwater ongewijzigd blijft ten opzichte van de vergunde situatie.
Beoordeling: De twee bijkomende lozingspunten voor huishoudelijk afvalwater bevinden zich respectievelijk aan de Hoofdvunderlei (HAW7) en in de collector van Aquafin (HAW8) ten westen van het Sportlokaal. Voor het bedrijfsafvalwater wordt één nieuw lozingspunt (BAW 2) voorzien aan het Technisch Centrum.

 

Het huishoudelijk afvalwater wordt eerst behandeld via septische putten alvorens het geloosd wordt in de openbare riolering.

 

Stookinstallaties

In de vergunde toestand zijn stookinstallaties (totaal thermisch vermogen van 3.265 kW) voorzien voor de verwarming van de verschillende gebouwen op het domein.

In het kader van de actualisatie zijn enkele stookinstallaties verwijderd, terwijl andere installaties worden vervangen of geactualiseerd. Daarnaast worden enkele bijkomende installaties voorzien. Deze aanpassingen resulteren in een vermindering van het totale thermisch vermogen met 1.298 kW, waardoor het nieuwe nominale thermische ingangsvermogen 1.967 kW bedraagt.
Beoordeling: Uit het dossier blijkt dat de verouderde stookinstallaties zijn vervangen door nieuwe efficiëntere installaties met een hoger rendement. Deze aanpassingen dragen bij aan een vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen en bevorderen een efficiënter energieverbruik.

 

Kinderboerderij

Het aantal dieren op de kinderboerderij wordt uitgebreid met 40 dieren. In totaal zal de kinderboerderij beschikken over 70 dieren, waaronder 2 varkens, 9 paarden, 4 koeien, 6 konijnen, 6 schapen, 12 geiten en 31 stuks pluimvee. De mestopslag blijft ongewijzigd (45 m³ stalmest en 35 m³ gier).
Beoordeling: De mestopslagcapaciteit blijft ongewijzigd (80 m³), ondanks de toename van het aantal dieren. Uit het onderhavig aanvraagdossier blijkt niet of een frequentere mestafvoer is voorzien of dat de huidige mestopslagcapaciteit voldoende is om de toename van het aantal dieren op te vangen. 

 

Verlichting

Er wordt enkel buitenverlichting geplaatst aan de ingang van het Technisch Centrum aan de Turnhoutsebaan. De verlichting wordt zodanig uitgevoerd dat het licht enkel naar beneden schijnt, zodat het nachtleven niet wordt verstoord.

Bovendien is deze verlichting verwaarloosbaar ten opzichte van de reeds aanwezige verlichting aan de Turnhoutsebaan. Gezien de beperkte verlichting en de neerwaartse straling worden de effecten op de omgeving als verwaarloosbaar beschouwd.

 

Bemaling

Tijdens de aanlegfase van het Technisch Centrum zal een bemaling noodzakelijk zijn voor de aanleg van de kelder. Een bemalingsstudie en een impactbeoordeling van de bemaling werd toegevoegd aan de project-m.e.r-screening van het onderhavige dossier. De bemaling maakt op dit moment geen onderdeel uit van de vergunningsaanvraag.

 

Enkele eerder vergunde activiteiten en inrichtingen zijn niet meer van toepassing en dienen niet meer mee opgenomen te worden in de nieuwe vergunning:

-          2 transformatoren met een individueel nominaal vermogen van 250 kVA en 60 kVA;

-          stallen met plaatsen voor 8 schapen en 5 geiten.

 

Vergunningsduur

De lopende milieuvergunning van het Provinciaal Groendomein Rivierenhof (openbaar park, kinderboerderij en sportclubs) (kenmerk MLAV/11-376/KH-mb) eindigt op 23 februari 2032. De exploitant vraagt een vergunning van bepaalde duur voor het milieutechnische luik, geldig tot 23 februari 2032.

Gezien de wijzigingen in het milieutechnisch luik van deze aanvraag wordt geadviseerd de vergunning van bepaalde duur te verlenen tot 23 februari 2032.

 

Advies van het college

Gunstig advies te verlenen voor de aanvraag tot omgevingsvergunning onder voorwaarden voor zover het advies van de brandweer gunstig is met uitvoerbare voorwaarden.

 

Dit advies werd opgemaakt op basis van PIV 4.

 

Geadviseerde stedenbouwkundige voorwaarden

  1. Volgende voorwaarden worden opgelegd door het Agentschap Natuur en Bos:

-          De vergunning wordt verleend op grond van artikel 90bis, §5, derde lid, van het Bosdecreet en onder de voorwaarden zoals opgenomen in het hierbij gevoegde compensatieformulier met kenmerk: 25-200249.

-          De te ontbossen oppervlakte bedraagt 228 m². Deze oppervlakte valt niet meer onder het toepassingsgebied van het Bosdecreet.

-          De resterende bosoppervlakte 13.122 m² moet ALS BOS behouden blijven. Bijkomende kappingen in deze zone kunnen maar uitgevoerd worden mits machtiging door het Agentschap voor Natuur en Bos. Het is evenmin toegelaten in deze zone constructies op te richten of ingrijpende wijzigingen van de bodem, de strooisel-, kruid- of boomlaag uit te voeren.

-          De compenserende bebossing op het perceel/de percelen Antwerpen: 11345B0040/00S005 over een oppervlakte van 684 m² dient uitgevoerd te worden binnen 2 jaar vanaf de datum waarop gebruik mag gemaakt worden van deze vergunning. De compenserende bebossing zal uitgevoerd worden door de aanvrager van de vergunning. Deze verbindt er zich toe om minstens binnen 30 dagen voordat de compenserende bebossing wordt uitgevoerd dit aan het Agentschap voor Natuur en Bos te melden. Wanneer de compenserende bebossing volledig is uitgevoerd, kan men hiervan een attest bekomen bij de provinciale afdeling van het Agentschap voor Natuur en bos.

-          De bebossing dient uitgevoerd te worden als boshabitattype 9120.

-          Het vellen en ruimen van de bomen en struiken dient te gebeuren in de periode van 1 juli tot 1 maart (zijnde buiten standaard schoontijd).

-          Indien hoogstammige bomen met holten worden gerooid, die potentieel in gebruik zijn als vleermuisbomen, dan in kader van de aanvraag tot omgevingsvergunning bijkomend onderzoek op de aanwezigheid van vleermuizen vereist, met inbegrip van een voorstel tot maatregelen om het effect hiervan maximaal te voorkomen/vermijden.

-          Het plaatsen van verlichting (onder welke vorm ook) langs de dienstweg is niet toegestaan.

  1. Volgende voorwaarden worden opgelegd door de dienst Archeologie:

- De bouwheer meldt 2 weken voor aanvang de start van de werken aan de stedelijke dienst Archeologie (archeologie@antwerpen.be).

- De bouwheer laat werfcontroles toe door stadsarcheologen.

- De bouwheer is verplicht om eventuele vondsten en restanten waarvan hij redelijkerwijs vermoedt dat het archeologische waarde heeft, te melden onder de vondstmeldingsplicht (Onroerenderfgoeddecreet van 2 juli 2013, artikel 5.1.4). De dienst Archeologie kan de noodzaak hiervan steeds komen inschatten.

  1. Er mogen maximaal 55 van de 110 fietsstalplaatsen voorzien worden in een dubbellaags systeem en er moeten minimaal 11 fietsstalplaatsen voorzien worden voor buitenmaatse fietsen. De tussenafstand tussen de fietsen in de fietsenstalling moet 60 cm zijn.
    Gemotoriseerd verkeer moet steeds voorwaarts de site oprijden en ook voorwaarts weer verlaten. Manoeuvreren moet dus steeds volledig op eigen terrein gebeuren.
  1. Het bestaande parament van de directeurswoning is indien mogelijk te herstellen of aan te vullen met dezelfde baksteen als het overige deel van deze zijgevel.
  1. De waterdoorlatende verharding van de parking moet een hellingsgraad kleiner dan 2% hebben en een waterdoorlatende onderfundering.

 

Geadviseerde rubriek(en)


Rubriek

Omschrijving

Geadviseerd voor

3.2.2°a)

het lozen van meer dan 600 m³/jaar huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woongelegenheden, wanneer het lozingspunt gelegen is in een centraal gebied en/of een collectief geoptimaliseerd en individueel te optimaliseren buitengebied en/of buiten het zoneringsplan;

10.000,00 m³/jaar
(nieuwe lozingspunten)

3.4.1°a)

het lozen van maximaal 2 m³/uur bedrijfsafvalwater zonder gevaarlijke stoffen in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II;

+0,40 m³/uur
(0,61 m³/uur)

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 liter tot en met 50.000 liter uitgezonderd de gezamenlijke opslag van minder dan 5 ton gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige brandstoffen bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt;

+290,00 liter
(1.760,00 liter)

9.1.2.

dieren in een publiek toegankelijke inrichting: kinderboerderij en dieren gehouden op een openbaar domein;

+40 dieren
(70 dieren)

15.1.1°

al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn;

13 voertuigen
(verplaatsing)

15.2.

andere werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) dan de werkplaatsen, vermeld in rubriek 15.3;

1 werkplaats
(verplaatsing)

15.4.2°a)

niet-huishoudelijke inrichtingen voor het wassen van minder dan 10 motorvoertuigen en hun aanhangwagens per dag, volledig of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan industriegebied;

9 motorvoertuigen en hun aanhangwagens/dag (verplaatsing)

16.3.2°a)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 200 kW;

+87,90 kW
(93,00 kW)

17.1.2.1.1°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van 300 liter tot en met 1.000 liter;

660,00 liter
(nieuw)

17.3.2.1.1.1°b)

opslag van gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton als de inrichting niet hoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt;

10,83 ton
(van ondergronds naar bovengronds)

17.3.2.2.2°c)

opslagplaatsen voor ontvlambare vloeistoffen (GHS02) van gevarencategorie 1 met een totale opslagcapaciteit van 2 ton tot en met 30 ton niet gelegen in industriegebied voor de opslag in bovengrondse houders of een combinatie van bovengrondse en ondergrondse houders;

+1,09 ton
(3,02 ton)

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter;

+84,65 liter
(1.830,00 liter)

19.3.1°b)

inrichtingen voor het mechanisch behandelen en het vervaardigen van artikelen van hout en dergelijke andere dan deze bedoeld in rubriek 19.8 met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied;

-5,80 kW
(68,00 kW)

29.5.2.1°b)

smederijen en inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting (deels) gelegen is in een ander gebied dan industriegebied;

+18,27 kW
(32,00 kW)

43.1.2°b)

stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 500 kW tot en met 5.000 kW in de gevallen andere dan vermeld sub 1°, c);

-1.298,00 kW
(1.967,00 kW)


Geadviseerde bijzondere milieuvoorwaarden

  1. De filters van de houtstofafzuiging en mobiele lasafzuiging worden regelmatig gecontroleerd en onderhouden.
  1. In het hout- en metaalatelier wordt gewerkt met gesloten ramen en deuren tijdens het gebruik van de metaal- en houtbewerkingsmachines, om stof- en geluidshinder te voorkomen.
  1. De metaal- en houtbewerkingsmachines mogen niet worden opgesteld tegen de gemene muren om geluidsoverdracht naar de bewoonde vertrekken van de buren te vermijden.
  1. Het wassen van de voertuigen gebeurt maximaal met hemelwater.
  1. De gebruikte detergenten moeten voldoen aan de Europese Verordening (648/2004) betreffende detergenten.

 

Fasering

Procedurestap

Datum

Ontvangst adviesvraag

12 december 2025

Start openbaar onderzoek

22 december 2025

Einde openbaar onderzoek

20 januari 2026

Gemeenteraad voor aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen

geen

Uiterste adviesdatum

31 januari 2026

Onderzoek

De aanvraag werd onderworpen aan 1 openbaar onderzoek. Er werden standpunten, opmerkingen en/of bezwaren ingediend tijdens de openbaarmaking. 

 

Bespreking van de bezwaren

 

  1. De aanvraag is niet in overeenstemming met de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 1 van het PRUP (zone cultureel erfgoed en tuinen): 
  1. Uit het PRUP blijkt niet dat het de bedoeling is dat er binnen deze zone een nieuw op te richten kantoorgebouw kan worden voorzien in plaats van het huidige portiersgebouw. Uit de aanvraag blijkt ook niet dat er hierdoor geen overschrijding volgt van maximaal 7 gebouwen en maximaal 1 gebouw per type tuin of spelactiviteit.
    Beoordeling:
    Met de oprichting van het technisch centrum wordt wel tegemoet gekomen aan één van de doelstellingen van het PRUP Rivierenhof, met name om het ruimtelijk versnipperd groendomein te laten evolueren naar een samenhangend en overzichtelijk park waarbij elke activiteit en functie zijn plaats vindt. Naast de sportvoorzieningen die in de afgelopen jaren naar de randen van het park zijn verhuisd, worden met deze ingreep ook de functies die dienen voor de dagelijkse werking van het park uit het park weggehaald en gecentraliseerd op een locatie aan de rand.
    Binnen de zone voor cultureel erfgoed en tuinen wordt slechts een beperkte uitbreiding opgericht bij het directeursgebouw, met daarin voornamelijk circulatieruimtes.
    Het bezwaar is ongegrond.
     
  2. Het op te richten kantoorgebouw wordt verbonden en dus geïntegreerd met het bestaande directiegebouw. Voor het nieuw op te richten kantoorgebouw bedraagt de grondoppervlakte 270 m². Ook bedraagt het bouwvolume op basis van de beschikbare informatie meer dan 1.000 m³. Het PRUP bepaalt dat de gebouwen elk een maximale bouwoppervlakte van 200 m² en een maximaal bouwvolume van 1.000 m³ hebben. Het uitbreiden met maximaal 20% van het bestaande bouwvolume van de bebouwing met erfgoedwaarde is toegestaan.
    Beoordeling:
    Het nieuw op te richten kantoorgebouw valt niet in de zone voor cultureel erfgoed en tuinen. Enkel het gedeelte tussen het kantoorgebouw en het bestaande directeursgebouw valt in deze zone. De grondoppervlakte hiervan bedraagt circa 60 m², het volume circa 700 m³, wat slechts 16,5% is van het bouwvolume van de bebouwing met erfgoedwaarde. Hiermee wordt voldaan aan de bepalingen van het PRUP.
    Het bezwaar is ongegrond.
     
  3. Onverenigbaarheid met in het PRUP voorgeschreven mogelijke bestemmingen binnen deze zone
    Beoordeling:
    In het PRUP wordt specifiek vermeld dat het uitbreiden van het bestaande bouwvolume van het directeursgebouw is toegestaan, met een maximum van 20% ten opzichte van het huidige bouwvolume van de bebouwing met erfgoedwaarde. In deze gebouwen worden onder meer volgende activiteiten toegelaten voor zover de relatie met de algemene en specifieke bestemming gerespecteerd wordt: nuts- en gemeenschapsvoorzieningen, socio-culturele en educatieve voorzieningen, toeristische-recreatieve voorzieningen en kantoor- of dienstenfuncties. De aanvraag is hiermee in overeenstemming.
    Het bezwaar is ongegrond.

 

  1. De aanvraag is niet in overeenstemming met de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 5 van het PRUP (zone wonen - park):
    Er wordt niet voldaan aan de voorschriften van het PRUP met betrekking tot het aantal bouwlagen van de gebouwen, de maximale kroonlijsthoogte, de dakvorm, de scheidingsmuur, en de minimale en maximale bouwdieptes.
    Beoordeling:
    Voor de zone ‘parkgebied: wonen – park’ zijn volgens het PRUP 2 hoofdbestemmingen van kracht: hetzij wonen hetzij park. Bij de bestemming park zijn activiteiten in functie van het beheer en de aanleg van het park toegestaan.
    De voorschriften uit het PRUP die in het bezwaar worden aangehaald gaan over de inrichting van het gebied in functie van woningbouw. Het betreft hier echter geen woningbouw, maar gebouwen in functie van het beheer van het park. Hierover wordt specifiek vermeld in artikel 5 van het PRUP dat gezien de nabijheid van de stedelijke omgeving en een optimale toegankelijkheid in deze zone ruimte wordt voorzien voor meer intense bebouwing, met een maximale terreinbezetting van 80% en een maximale bouwhoogte van 15,00 m. Deze bepalingen gelden dus niet enkel voor de zone ‘parkgebied: beheer en educatie’ (artikel 3) zoals verkeerdelijk wordt beweerd in het bezwaar.

    In het kader van een eerdere aanvraag (OMV_2024160937) waarvoor momenteel nog een beroepsprocedure lopende is voor de Vlaamse Regering, werd door de aanvrager een toelichting voorzien met betrekking tot de verharde oppervlakte.
    Enerzijds wordt hierbij ingegaan op de definitie van ‘terrein’ in functie van de ‘maximale terreinbezetting van 80%’, anderzijds worden alle oppervlaktes nagerekend en vergeleken met de getallen die door de bezwaar- en beroepindieners worden gehanteerd.

 

Wat de afbakening van het ‘terrein’ betreft, zijn er verschillende interpretaties, met name ‘de volledige deelzone’ (scenario 1) of ‘de functionele eenheid’ (scenario 2). Voor beide wordt er voldaan aan de gestelde eis dat de maximale terreinbezetting 80% bedraagt.

De totale oppervlakte van deelzone 5 (scenario 1) bedraagt 9.641 m² waarvan 6.535 m² verhard, of 68%. Scenario 2 wordt nog opgesplitst in twee deelscenario’s, exclusief en inclusief karrenspoor. Uitgaande van het scenario waarbij het karrenspoor ook als verharding wordt meegerekend, bedraagt de totale oppervlakte 5.610 m² waarvan 4.363 m² verhard, of 78%.

 

De interpretatie van de beroepschriftindiener gaat uit van nog een kleiner ‘terrein’ (scenario 3), met name enkel de zone van de nieuwbouw. Hierbij worden een aantal kanttekeningen gemaakt.

1) Uit vergelijking van verschillend kaartmateriaal blijkt dat de grafische afbakeningen van het PRUP, de kadastrale percelen en de opmeting van de werkelijke situatie niet volledig met elkaar overeenstemmen. Dit wordt meestal verklaard door een foutenmarge bij de digitalisering van oorspronkelijk handmatig getekende plannen, waarbij lijndiktes op papier tot een afwijking in werkelijkheid kunnen leiden. Er werd een opmetingsplan opgemaakt door een gezworen landmeter-expert, dat als basis is gebruikt voor de gehanteerde oppervlaktes.

2) In het advies van de afdeling GOP wordt voor de totale terreinoppervlakte binnen de bestemming 2.470 m² gerekend, waar dit in werkelijkheid 2.490 m² is. De maximale terreinbezetting is dan geen 1.976 m², maar 1.992 m².

Het atelier heeft een oppervlakte van 1.370 m² (in plaats van 1.350 m² volgens GOP), het dienstgebouw heeft een oppervlakte van 217 m² (in plaats van 210 m² volgens GOP) en het gaslokaal 17 m² (in plaats van 16,5 m² volgens GOP). De omgevingsaanleg bedraagt echter maar 470 m² in plaats van 576 m² volgens GOP. Hierbij werd in het advies GOP een zone tweemaal in rekening gebracht, met name de verharde zone onder de luifel van het ateliergebouw boven het werkerf.

Dat brengt de totale terreinbezetting op 2.074 m² in plaats van 2.152,5 m². Ten opzichte van de totale oppervlakte van 2.490 m² is dit een verharding van 83%.

 

Hoewel door de aanvrager wordt geargumenteerd dat de interpretatie van de beroepschriftindiener (scenario 3) niet correct is, is er een aanpassing aan de verhardingen voorzien om in iedere hypothese (ook het door de aanvrager verworpen 3e scenario) de terreinbezetting terug te brengen tot onder 80%. Er wordt een extra oppervlakte van 99 m² groenzone voorzien waar voordien verharding was. De totale verharde oppervlakte is dan 1.975 m², of 79,3% van 2.490 m² (de kleinst mogelijke terreinoppervlakte, namelijk scenario 3).

Zelfs indien er geen rekening gehouden wordt met de plannen van de landmeter-expert en er gerekend wordt met de terreinoppervlakte van 2.470 m², wordt de 80% terreinbezetting (of 1.976 m²) niet overschreden.
Het bezwaar is ongegrond.
 

  1. Het voorwerp van de omgevingsaanvraag kan er in essentie niet toe leiden dat het PRUP gewijzigd wordt:
    Beoordeling:
    Het voorwerp van de omgevingsaanvraag heeft geen betrekking op het wijzigen van het PRUP. Zoals hierboven aangetoond, wordt er niet afgeweken van de voorschriften van het PRUP of de bestemmingszones.
    Het bezwaar is ongegrond.
     
  2. Het voorziene ontwerp en de beoogde activiteiten zijn niet in overeenstemming met de bestemming van het perceel binnen het PRUP en het gewestplan en geeft aanleiding tot onaanvaardbare hinder:
     
    1. De aanvraag is onverenigbaar met de planologische bestemming (zowel woongebied als parkgebied), en is niet gelegen in industriegebied of een andere zone waarbinnen het beoogde omgevingsproject wel vergunbaar zou zijn. Er wordt geen bufferzone voorzien tussen het gebouw dat wordt gebruikt voor industrie-gerelateerde activiteiten en het naastgelegen woongebied.
      Beoordeling:
      Zoals hierboven reeds aangetoond, is de aanvraag wel verenigbaar met de planologische bestemming en de voorschriften van het PRUP. Een bufferzone zoals voorzien in industriegebieden is niet aan de orde. De activiteiten horen bij en zijn gerelateerd aan het onderhoud van het park.
      Het bezwaar is ongegrond.
       
    2. Het atelier wordt over de volledige diepte van het perceel gebouwd, wat niet eigen is aan of gebruikelijk in een zone voor wonen of in parkgebied.
      Beoordeling:
      Het bouwvolume voldoet aan de bepalingen van het PRUP, dat in deze zone meer intense bebouwing toelaat, met een maximale terreinbezetting van 80% en een maximale bouwhoogte van 15,00 m. Het volume werd zo ontworpen dat er wordt afgebouwd richting aanpalenden om de impact zo beperkt mogelijk te houden.
      Het bezwaar is ongegrond.
       
    3. De hinderlijke activiteiten veroorzaken geluids- en andere overlast: het bezwaar betreft de mogelijke geluid- en trillingshinder ten gevolge van de exploitatie van het Atelier - Technisch Centrum, dat onmiddellijk aansluit op het perceel van de bezwaarindieners. Volgens de bezwaarindiener sluiten de ruimtes van het atelier rechtstreeks aan op de perceelsgrens en grenzen deze aan de gevel, waar zich slaapkamers bevinden van jongeren die daar woonachtig zijn. De bezwaarindieners stellen dat gezien het ontwerp, de ligging en het gebruik van het gebouw dit zal leiden tot onaanvaardbare hinder in de vorm van geluid en/of trillingen. De bezwaarindieners verwijzen daarbij naar het besluit van de deputatie (kenmerk OMV_2024160937), waarin vergunningsvoorwaarden worden opgelegd ter beperking van stof- en geluidshinder, zoals werken met gesloten ramen en deuren en het verbod om machines tegen gemene muren op te stellen. Volgens de bezwaarindieners zijn deze voorwaarden echter onvoldoende concreet en controleerbaar. Zij bieden geen garantie dat de hinder effectief wordt vermeden, zijn moeilijk handhaafbaar en laten toe dat hinderlijke activiteiten alsnog plaatsvinden.
      Beoordeling:

Het klopt dat werkzaamheden in het hout- en metaalatelier geluidshinder kunnen veroorzaken.

Uit het uitvoeringsplan blijkt dat het houtatelier niet rechtstreeks grenst aan de gevel op de perceelsgrens van de bezwaarindieners. Tussen de gevel van de bezwaarindieners en het houtatelier is een tussenruimte (bufferzone) voorzien, bestaande uit verschillende lokalen, waaronder een afvallokaal en een tellerruimte voor elektriciteit. Achter het houtatelier bevindt zich een montageruimte die wel grenst aan de gevel van de bezwaarindieners. In deze ruimte worden een kolomboor en een houtdraaibank geplaatst, maar deze machines zullen niet tegen de gevel van de bezwaarindieners worden opgesteld.

Uit het uitvoeringsplan blijkt tevens dat ook het metaalatelier niet grenst aan de gevel op de perceelsgrens van de bezwaarindieners. Hieruit blijkt dat er geen rechtstreeks contact is tussen de ateliers, de machines en het bestaande gebouw van de bezwaarindieners.

 

Daarnaast werd een akoestische studie toegevoegd aan het aanvraagdossier, waarin de prestatie-eisen met betrekking tot de akoestiek van het project werden onderzocht. In het ontwerp zijn constructieve maatregelen voorzien, waaronder betonnen wanden (25 cm) en isolatie in minerale wol (4 cm), die de geluidsafstraling naar de omgeving beperken.

 

Naast de reeds voorziene maatregelen tegen geluidshinder worden bijkomende bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder de verplichting om tijdens het gebruik van de metaal- en houtbewerkingsmachines steeds met gesloten ramen en deuren te werken. Tevens wordt in de voorwaarden opgenomen dat de metaal- en houtbewerkingsmachines niet tegen gemene muren mogen worden opgesteld om geluidsoverdracht naar de bewoonde vertrekken van de buren te voorkomen.

Het bezwaar is deels gegrond.
 

  1. De aanvraag is in strijd met de goede ruimtelijke ordening en veroorzaakt hinder (onder andere uitzicht, lichtinval, geluid en trillingen, verlies van rendement voor (nog niet geplaatste) zonnepanelen enzovoort) als gevolg van het ontwerp (bouwvolume, hoogte, bouwdiepte enzovoort) en de inplanting:
    Beoordeling:
    Onderzoek naar mogelijke inplantingen en alternatieve ontwerpen werd gevoerd in het voortraject. De hoofdbouw van de ateliers sluit in bouwhoogte en -diepte aan bij de bestaande bebouwing. Het ateliervolume achteraan heeft een dakvorm die afhelt richting aanpalenden zodat het volume ‘afbouwt’. De scheidingsmuur tot 6,27 m is weliswaar hoger dan in de bestaande toestand, maar creëert geen onaanvaardbaar verlies van uitzicht of lichtinval. Het nieuwe project bevindt zich langs de oostzijde van het perceel van de bezwaarindiener, de zuid- en westzijde blijven volledig vrij wat betekent dat zowel lichtinval als uitzicht op het park voldoende gevrijwaard blijven. De groene omgeving wordt niet gecompromitteerd, het park is nog steeds duidelijk zichtbaar vanuit de tuin. Er zijn geen zijdelings geplaatste vensters in het atelier die inkijk veroorzaken, de dakramen zijn te hoog geplaatst.
    Door de hoogte van het project is het weliswaar niet uitgesloten dat rechtstreeks zonlicht weggenomen wordt van (mogelijke, maar nog niet geplaatste) zonnepanelen gedurende een moment van de dag. Toch is er geen sluitend verband tussen de wegname van zonlicht en de financiële gevolgen aangetoond. Het bezwaar met betrekking tot geluid en trillingen werd hoger behandeld.
    Het bezwaar is ongegrond.

 

Informatievergadering

Een informatievergadering was niet vereist en werd niet gehouden. 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een gunstig advies, zoals geformuleerd in de argumentatie, te geven op de aanvraag, onder volgende voorwaarden.

 

Geadviseerde stedenbouwkundige voorwaarden

  1. Volgende voorwaarden worden opgelegd door het Agentschap Natuur en Bos:

-          De vergunning wordt verleend op grond van artikel 90bis, §5, derde lid, van het Bosdecreet en onder de voorwaarden zoals opgenomen in het hierbij gevoegde compensatieformulier met kenmerk: 25-200249.

-          De te ontbossen oppervlakte bedraagt 228 m². Deze oppervlakte valt niet meer onder het toepassingsgebied van het Bosdecreet.

-          De resterende bosoppervlakte 13.122 m² moet ALS BOS behouden blijven. Bijkomende kappingen in deze zone kunnen maar uitgevoerd worden mits machtiging door het Agentschap voor Natuur en Bos. Het is evenmin toegelaten in deze zone constructies op te richten of ingrijpende wijzigingen van de bodem, de strooisel-, kruid- of boomlaag uit te voeren.

-          De compenserende bebossing op het perceel/de percelen Antwerpen: 11345B0040/00S005 over een oppervlakte van 684 m² dient uitgevoerd te worden binnen 2 jaar vanaf de datum waarop gebruik mag gemaakt worden van deze vergunning. De compenserende bebossing zal uitgevoerd worden door de aanvrager van de vergunning. Deze verbindt er zich toe om minstens binnen 30 dagen voordat de compenserende bebossing wordt uitgevoerd dit aan het Agentschap voor Natuur en Bos te melden. Wanneer de compenserende bebossing volledig is uitgevoerd, kan men hiervan een attest bekomen bij de provinciale afdeling van het Agentschap voor Natuur en bos.

-          De bebossing dient uitgevoerd te worden als boshabitattype 9120.

-          Het vellen en ruimen van de bomen en struiken dient te gebeuren in de periode van 1 juli tot 1 maart (zijnde buiten standaard schoontijd).

-          Indien hoogstammige bomen met holten worden gerooid, die potentieel in gebruik zijn als vleermuisbomen, dan in kader van de aanvraag tot omgevingsvergunning bijkomend onderzoek op de aanwezigheid van vleermuizen vereist, met inbegrip van een voorstel tot maatregelen om het effect hiervan maximaal te voorkomen/vermijden.

-          Het plaatsen van verlichting (onder welke vorm ook) langs de dienstweg is niet toegestaan.

  1. Volgende voorwaarden worden opgelegd door de dienst Archeologie:

- De bouwheer meldt 2 weken voor aanvang de start van de werken aan de stedelijke dienst Archeologie (archeologie@antwerpen.be).

- De bouwheer laat werfcontroles toe door stadsarcheologen.

- De bouwheer is verplicht om eventuele vondsten en restanten waarvan hij redelijkerwijs vermoedt dat het archeologische waarde heeft, te melden onder de vondstmeldingsplicht (Onroerenderfgoeddecreet van 2 juli 2013, artikel 5.1.4). De dienst Archeologie kan de noodzaak hiervan steeds komen inschatten.

  1. Er mogen maximaal 55 van de 110 fietsstalplaatsen voorzien worden in een dubbellaags systeem en er moeten minimaal 11 fietsstalplaatsen voorzien worden voor buitenmaatse fietsen. De tussenafstand tussen de fietsen in de fietsenstalling moet 60 cm zijn.
    Gemotoriseerd verkeer moet steeds voorwaarts de site oprijden en ook voorwaarts weer verlaten. Manoeuvreren moet dus steeds volledig op eigen terrein gebeuren.
  1. Het bestaande parament van de directeurswoning is indien mogelijk te herstellen of aan te vullen met dezelfde baksteen als het overige deel van deze zijgevel.
  1. De waterdoorlatende verharding van de parking moet een hellingsgraad kleiner dan 2% hebben en een waterdoorlatende onderfundering.

 

Geadviseerde bijzondere milieuvoorwaarden

  1. De filters van de houtstofafzuiging en mobiele lasafzuiging worden regelmatig gecontroleerd en onderhouden.
  1. In het hout- en metaalatelier wordt gewerkt met gesloten ramen en deuren tijdens het gebruik van de metaal- en houtbewerkingsmachines, om stof- en geluidshinder te voorkomen.
  1. De metaal- en houtbewerkingsmachines mogen niet worden opgesteld tegen de gemene muren om geluidsoverdracht naar de bewoonde vertrekken van de buren te vermijden.
  1. Het wassen van de voertuigen gebeurt maximaal met hemelwater.
  1. De gebruikte detergenten moeten voldoen aan de Europese Verordening (648/2004) betreffende detergenten.

Artikel 2

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.