Terug
Gepubliceerd op 03/03/2026

2026_CBS_01404 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Voorwaardelijk gunstig advies - OMV_2025033014. Hansadok-Oostkaai 230 - 240. District Antwerpen - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
di 03/03/2026 - 13:15 Extra digitaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Koen Kennis, schepen; Patrick Janssens, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Lien Van de Kelder, schepen; Johan Klaps, schepen; Ken Casier, schepen; Karim Bachar, schepen; Stijn De Rooster, schepen; Nathalie van Baren, schepen; Sven Cauwelier, algemeen directeur; Elisabeth van Doesburg, waarnemend burgemeester

Secretaris

Sven Cauwelier, algemeen directeur

Voorzitter

Elisabeth van Doesburg, waarnemend burgemeester
2026_CBS_01404 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Voorwaardelijk gunstig advies - OMV_2025033014. Hansadok-Oostkaai 230 - 240. District Antwerpen - Goedkeuring 2026_CBS_01404 - Omgevingsvergunning. Advies hogere overheid. Voorwaardelijk gunstig advies - OMV_2025033014. Hansadok-Oostkaai 230 - 240. District Antwerpen - Goedkeuring

Motivering

Aanleiding en context

Er werd bij de deputatie een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag wordt behandeld volgens de gewone procedure van het Omgevingsvergunningendecreet.

De deputatie verzoekt het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar om:

- een openbaar onderzoek te houden;

- advies uit te brengen.

 

Projectnummer:

OMV_2025033014

Gegevens van de aanvrager:

NV Air Products met als contactadres Leonardo da Vincilaan 19C bus 4 te 1831 Machelen

Gegevens van de exploitant:

NV Air Products (0402052330) met als contactadres Leonardo da Vincilaan 19C bus 4 te 1831 Machelen

Ligging van het project:

Hansadok-Oostkaai 230-240 te 2030 Antwerpen

Kadastrale percelen:

afdeling 15 sectie B nrs. 49R, 49V en 70L3

waarvan:

 

-          20250813-0018

afdeling 15 sectie B nrs. 70L3, 49V en 49R (Air Products - Dynamo Alpha)

Vergunningsplichten:

stedenbouwkundige handelingen, exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten

Voorwerp van de aanvraag:

De bouw en exploitatie van een ammoniakkraker.

 

Omschrijving stedenbouwkundige handelingen

Relevante voorgeschiedenis

- 11/09/2025: omgevingsvergunning (OMV_2025015560) voor het bouwen en exploiteren van een terminal voor het lossen van ammoniak, met aanhorigheden zoals kantoorgebouw, infrastructuur en omgevingsaanleg;

- 18/10/2024: omgevingsvergunning (OMV_2024089610) voor de sloop van gebouwen, constructies en verhardingen;

- 31/08/2017: omgevingsvergunning (OMV_2017001340) voor de verdieping van een kaaimuur.

 

Bestaande toestand

* functie:

  > industrie en bedrijvigheid.

 

* inrichting:

  > industriële site die gekenmerkt wordt door 8 magazijnen, een wagoninstallatie, een check-in, spoorwegen en verhardingen.

 

Vergunde toestand

* functie:

  > idem aan bestaande toestand.

 

*inrichting:

  > de sloop van de gebouwen en verhardingen is vergund maar de werken zijn nog niet gestart. Dit is te zien op de foto’s toegevoegd aan de aanvraag.

 

Nieuwe toestand

* functie:

  > industrie en bedrijvigheid;

  > bouw van een ammoniakkraker met aanhorigheden.

 

* bouwvolume:

  > twee identieke proceszones met elk een NH3-kraakinstallatie met aanhorigheden (unit 271 en unit 272);

  > een zone met H2-pijpleiding-compressoren met aanhorigheden;

  > ondersteunende voorzieningen:

 - gebouwen voor het huisvesten van personeel en ondersteunende functies:

- magazijn met een oppervlakte van circa 105 m² en een hoogte van circa 9 meter;

- opslag voor chemicaliën met een oppervlakte van circa 45 m² en een hoogte van circa 4 meter.

- werkplaats met een oppervlakte van circa 300 m² en een hoogte van circa 9 meter;

- controlegebouw met een oppervlakte van circa 950 m² en een hoogte van circa 4,50 meter;

- contractorgebouw met een oppervlakte van circa 215 m² en een hoogte van circa 4,5 meter;

- ‘safe haven’ met een oppervlakte van circa 13 m² en een hoogte van circa 2,50 meter.

 - constructies en cabines voor nutsvoorzieningen;

 - installaties voor brandbeveiliging;

 - tanks voor het opslaan van afval-, koel- en regenwater;

 - installaties voor stikstof, perslucht;

 - leidingbruggen;

 - koeltorens.

 

* gevelafwerking:

  > de gebouwen voor het huisvesten van personeel en ondersteunende functies (met uitzondering van de ‘safe haven’ worden voorzien als staalstructuur met een gevelbekleding in staal;

  > de ‘safe haven’ betreft een prefab gebouw dat moet voldoen aan hoge eisen tegen warmte en druk.

 

* inrichting:

  > units 271 en 272 situeren zich in het noordoosten van het terrein langs de Manheimweg;

  > de zone waar de H2-pijpleiding-compressoren zich bevinden, is gesitueerd ten zuidwesten van unit 271 langs het Hansadok;

  > de zone met ondersteunende voorzieningen situeert zich in het zuiden van het terrein.

 

Inhoud van de aanvraag

- bouwen van diverse gebouwen;

- bouwen van diverse constructies;

- bouwen van diverse installaties;

- aanleggen van verhardingen;

- wijzigen van reliëf.

 

In de beschrijvende nota is een opsomming gemaakt van handelingen die volgens de aanvrager vrijgesteld zijn van stedenbouwkundige vergunningsplicht, zoals de plaatsing van een omheining rondom het terrein, het uitbreken van verharding en de sloop van een elektriciteitscabine.

 

Omschrijving ingedeelde inrichtingen of activiteiten

Voorgeschiedenis

Het betreft een nieuwe ingedeelde inrichting of activiteit (IIOA).

 

Inhoud van de aanvraag

Het voorwerp van de aanvraag betreft de exploitatie van een ammoniakkraker.

 

Aangevraagde rubrieken


Rubriek

Omschrijving

Gevraagd voor

3.4.2°

het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II, met een debiet van meer dan 2 m³/uur tot en met 100 m³/uur;

100 m³/uur

3.8.1°b)

het lozen van bemalingswater, afkomstig van een bemaling ingedeeld in rubriek 53.1, 1°, 53.2 of 53.5. met een geloosd debiet van maximaal 2.500 m³/dag afkomstig van een andere bemaling dan de bemaling vermeld in 1°, a);

2.500 m³/dag

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 liter tot en met 50.000 liter uitgezonderd de gezamenlijke opslag van minder dan 5 ton gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige brandstoffen bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt;

13.000 liter

7.11.2°a)

De fabricage van anorganisch-chemische producten, zoals van gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof, kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide, carbonylchloride;

400 ton/dag

7.13.4°

De productie van waterstof en synthesegas met een productiecapaciteit van meer dan 5 ton per dag;

400 ton/dag

12.1.1.2°a)

inrichtingen die wisselspanning opwekken, met een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van meer dan 800 kVA tot en met 10.000 kVA als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied;

1.500 kVA

12.2.2°

transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA;

2x 2.500 kVA
 1x 1.250 kVA

15.1.1°

al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn;

3 voertuigen

16.1.b)3°

de productie (met inbegrip van de gasraffinage) of omzetting van gassen, cokesgas uitgezonderd, overige, met een productiecapaciteit van: meer dan 100 Nm³/uur;

185.301 Nm³/uur

16.2.3°

inrichtingen voor het niet-huishoudelijk scheiden, langs fysische weg, cokesgas uitgezonderd, van gassen op basis van de etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 (ontvlambaar) of GHS06 (giftig);

185.301 Nm³/uur

16.3.2°b)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW;

12.047,40 kW

17.2.2.

VR-plichtige inrichting waar gevaarlijke producten in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, deel 1 en 2, kolom 3, bij dit besluit, aanwezig zijn, in voorkomend geval gebruikmakend van de sommatieregel, vermeld in noot 4 bij bijlage 5, deel 1 en deel 2 (hogedrempel Seveso-inrichting);

1 seveso-inrichting

17.3.2.1.1.1°b)

opslag van gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton als de inrichting niet hoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt;

6,25 ton

17.3.3.1°a)

opslagplaatsen gelegen volledig in industriegebied voor oxiderende vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS03) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 200 kg tot en met 20 ton;

6,50 ton

17.3.4.1°a)

opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied;

6,50 ton

17.3.6.1°a)

opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied;

6,50 ton

17.3.7.1°a)

opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied;

6,50 ton

17.3.8.2°

opslagplaatsen voor het aquatisch milieugevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 200 ton;

6,50 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter;

5.000 liter

31.1.1°a)

stationaire motoren en gasturbines met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 kW tot en met 2.000 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt;

1.500 kW

43.1.3°

stookinstallaties zonder elektriciteitsproductie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5.000 kW;

86.000 kW

43.4.

installaties voor het verbranden van brandstof met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of stedelijk afval;

336 MW

53.2.3°

bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, allebei met inbegrip van het weer in de ondergrond brengen van bemalingswater en het nuttige gebruik tot maximaal 5.000 m³ bemalingswater per jaar met een netto opgepompt volume per IIOA van meer dan 180.000 m³.

272.004 m³

 

Aangevraagde bijstelling bijzondere milieuvoorwaarden in afwijking van algemene of sectorale voorwaarden

Air Products - Dynamo Alpha

1.

 

Bij te stellen voorwaarde:

Artikel 4.2.3.1.3 Lozingsnormen

 

Voorgesteld alternatief/aanvulling:

Volgende lozingsnormen worden gevraagd door de exploitant:

parameter

Gevraagde lozingsnorm

CZV

96 mg O2/liter

BZV

25 mg O2/liter

zwevende stoffen

60 mg/liter

totaal stikstof (Nt)

10 mg/liter

NH3

0,3 mg/liter

NH4

10 mg N/liter

totaal fosfor (Pt)

1 mg/liter

 


 

 

 


Juridische grond

Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing.

Regelgeving: bevoegdheid

Conform artikel 24 en 42 van het Omgevingsvergunningsdecreet heeft het college of de gemeentelijke omgevingsambtenaar de bevoegdheid advies uit te brengen voor de vergunningsaanvragen op haar grondgebied waarvoor de deputatie, de Vlaamse regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de bevoegde overheid is, tenzij:

 

  1. de aanvraag ingediend is door het betrokken college;
  2. de aanvraag louter betrekking heeft op mobiele of verplaatsbare ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

 

Het college heeft op 17 november 2017 (jaarnummer 2017_CBS_08858) beslist om de adviesbevoegdheid op te nemen.

Argumentatie

Adviezen

 

Externe adviezen

 

Adviesinstantie

Datum advies gevraagd

Datum advies ontvangen

Advies

Haven van Antwerpen-Brugge, subadvies milieu

13 januari 2026

6 februari 2026

Voorwaardelijk gunstig

Water-link

23 januari 2026

Geen advies ontvangen bij opmaak van dit verslag

 

 

 Interne adviezen

 

Adviesinstantie

Datum advies gevraagd

Datum advies

Stadsontwikkeling/ Mobiliteit

23 januari 2026

17 februari 2026

Stadsontwikkeling/ Onroerend Erfgoed/ Archeologie

23 januari 2026

13 februari 2026

 

Toetsing regelgeving en beleidsrichtlijnen

Plannen van aanleg, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingen

Het goed is gelegen in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) Afbakening zeehavengebied Antwerpen (Besluit van de Vlaamse regering van 30 april 2013), binnen de afbakeningslijn.

De gebieden binnen de afbakeningslijn behoren tot het zeehavengebied Antwerpen.

Met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgelegd, blijven de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing.

 

Het goed is volgens voornoemd gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bestemd als Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven.

Zulk gebied is bestemd om te functioneren als Vlaams havengebied als onderdeel van de haven van Antwerpen. Het is bestemd voor zeehavengebonden en zeehavengerelateerde industriële en logistieke activiteiten en distributie-, opslag- en overslagactiviteiten die gebruikmaken van en aangewezen zijn op de zeehaveninfrastructuur.

Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming en voor de exploitatie van de haven en de bedrijven zijn toegelaten.

Daartoe worden ook de volgende werken, handelingen, voorzieningen, en wijzigingen gerekend:

- de aanleg en het onderhoud van infrastructuur die nodig is voor de toegankelijkheid of voor verbindingen langs de waterzijde en langs de landszijde;

- het laguneren of op een andere wijze bergen of verwerken van baggerspecie.

Daarnaast is de ontwikkeling, het herstel en de instandhouding van tijdelijke ecologische infrastructuur toegelaten.

In het gebied zijn eveneens gebouwen of lokalen voor bewakingspersoneel toegelaten.

In het gebied zijn kantoorgebouwen niet toegelaten, tenzij ze noodzakelijk zijn voor en een inherent onderdeel zijn van de exploitatie van haven- en industriële activiteiten. De bestaande kantoorgebouwen kunnen behouden blijven binnen het bestaande bouwvolume op het moment van definitieve vaststelling van dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Uitbreidingen zijn niet toegelaten.

 

De aanvraag dient beoordeeld te worden aan de hand van de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan.

De aanvraag is in overeenstemming met de bestemming en de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.

 

Voor een straal van 500 meter rond de aanvraag is het voormelde GRUP tevens van toepassing. Grotendeels geldt hier eveneens het bestemmingsvoorschrift Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven. Het Hansadok en 6de Havendok hebben de bestemming Gebied voor waterweginfrastructuur. Ten zuiden van de aanvraag lopen overdrukken met als aanduiding Leidingstraat en Hoogspanningsleiding.

 

Gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater: het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De verordening hemelwater is niet van toepassing op volgende delen van de aanvraag:

- waarbij het hemelwater door contact met de verharde oppervlakte als potentieel verontreinigd moet worden beschouwd;

- de ringweg die rond het terrein loopt en het dak van de gasmetercabine waarbij het hemelwater op natuurlijke wijze kan infiltreren in de naastliggende groenzone.

 

Voor de waterdoorlatende verhardingen met een hellingspercentage van minder dan 2% (de parkeerplaatsen) dient geen aparte infiltratievoorziening aangelegd te worden conform de hemelwaterverordening.

 

Het hemelwater dat valt op (een deel van) het dak van het controlegebouw wordt opgevangen in een hemelwaterput met een volume van 64 m³ waarbij het opgevangen hemelwater wordt hergebruikt als sanitair spoelwater. Het is onduidelijk waarom de aanvrager geen hemelwaterput plaatst bij het contractorgebouw aangezien daar eveneens hergebruik van hemelwater mogelijk is als sanitair spoelwater.

 

De aanvrager verklaart dat al het overige hemelwater dat valt op dakoppervlaktes en niet-waterdoorlatende verhardingen wordt afgeleid naar de grindzones op het terrein. Om als infiltratievoorziening in aanmerking te komen conform de hemelwaterverordening, dienen deze zones echter onverhard te blijven. In de beschrijvende nota spreekt de aanvrager over simulaties waaruit de (extra) infiltratiecapaciteit van deze zones zou blijken, deze werden echter niet toegevoegd aan de aanvraag ter staving.

 

In de toegevoegde nota stelt de aanvrager dat hergebruik in het bedrijfsproces niet toegepast zal worden gezien het beperkte debiet aan hemelwater en gezien er geen opvangstelsel is voorzien (hemelwater van de daken loopt af op grind). Op het rioleringsplan is nochtans een uitgebreid hemelwaterstelsel ingetekend, zowel in de ‘infiltratiezones’ (grind) als in de groenzones. Al het hemelwater dat niet onmiddellijk infiltreert, wordt zo via dit ‘noodstelsel’ verzameld in een hemelwaterput (van bijna 300.000 liter, op plan benoemd als ‘rain water outfall buffer sump’) en vertraagd afgevoerd naar het dok via éénzelfde bestaand lozingspunt. Hergebruik vanuit deze bufferput is wenselijk en noodzakelijk om te voldoen aan de hemelwaterverordening gezien de infiltratievoorzieningen niet volstaan.

 

Tot slot voorziet de aanvrager een ondiepe gracht (bodem op 25 cm onder het maaiveld) rondom het volledige terrein, die ook dienst kan doen als infiltratievoorziening. Er wordt echter geen hemelwater actief naar deze gracht afgeleid.

 

Toegankelijkheid: het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid (verder genoemd verordening toegankelijkheid).

De verordening toegankelijkheid is niet van toepassing op de aanvraag daar de aanvrager verklaart dat het terrein niet toegankelijk is voor onbevoegden. Het is wel aangeraden ook rekening te houden met eventuele werknemers die tijdelijk of permanent gebruik maken van een rolstoel. In het ontwerp is hiermee rekening gehouden door het voorzien van voldoende brede en vlakke toegangswegen tot het controle- en contractorgebouw, evenals aangepast sanitair en voorbehouden parkeerplaatsen. Bij het contractorgebouw wordt opgemerkt dat het aangepaste sanitair zich bevindt in de herenkleedkamer. In het controlegebouw is dit wel een neutrale ruimte, apart van de dames- of herenvoorzieningen.

 

Publiciteit: het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening voor publiciteitsinrichtingen.

De verordening publiciteit is niet van toepassing op de aanvraag.

 

Sectorale regelgeving

Archeologienota: overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 moet aan bepaalde aanvragen een archeologienota worden toegevoegd waarvan akte werd genomen

In voorliggende aanvraag, die door een niet-publiekrechtelijke instantie is ingediend, bedraagt de ingreep in de bodem meer dan 5.000 m², is het project gelegen in industriegebied, buiten beschermde archeologische sites en buiten geïnventariseerde archeologische zones, waardoor de aanvrager verplicht is een archeologienota waarvan akte is genomen toe te voegen aan de aanvraag. Deze nota maakt deel uit van het aanvraagdossier. Op 24 mei 2025 heeft het Agentschap Onroerend Erfgoed akte genomen (https://loket.onroerenderfgoed.be/archeologie/notas/notas/33272). Er werd geen programma van maatregelen opgesteld.

 

De bijgevoegde archeologienota volstaat niet gezien de ingrepen aangevraagd in de omgevingsvergunningsaanvraag en de ingrepen vermeld in de archeologienota niet overeenstemmen. De archeologienota vermeldt de ingrepen niet concreet genoeg waardoor de inschatting van de impactbepaling op de archeologische ondergrond niet afdoende is. De ingrepen dienen minimaal uitgewerkt te worden in locatie, spreiding en omvang (lengte, breedte en diepte). Het programma van maatregelen kan daarom niet correct worden opgesteld. De aanvrager dient een nieuwe archeologienota te bekomen waarvan tijdig akte door het agentschap Onroerend erfgoed, binnen de behandelingstermijn van de omgevingsvergunningsaanvraag zodat de juiste voorwaarden kunnen worden overgenomen.

 


Omgevingstoets

Toetsing van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening

Functionele inpasbaarheid

Een terrein gelegen langs de noordoostzijde van het Hansadok wordt ingericht met de nodige installaties, gebouwen en constructies voor het omzetten van ammoniak naar waterstof. Waterstof wordt bekomen door het thermisch kraken van groene ammoniak die via een bovengrondse leiding aangevoerd zal worden vanuit de tankterminal op het terrein ten noordwesten van voorliggende aanvraag. Deze tankterminal werd reeds eerder vergund op 11 september 2025 en maakt dus geen voorwerp uit van voorliggende aanvraag. Opgemerkt wordt dat de bovengrondse leiding om beide exploitaties met elkaar te verbinden, niet opgenomen is in huidige aanvraag. Nochtans stopt de leidingbrug in de aanvraag van de tankterminal op de grens met het terrein van Air Products. Het ontbrekende deel dient dus nog toegevoegd te worden aan huidige aanvraag.

 

De geproduceerde waterstof zal vervolgens via een ondergrondse leiding naar een externe afnemer in het havengebied worden vervoerd. Deze ondergrondse leiding maakt eveneens geen deel uit van voorliggende aanvraag. Het is aangewezen te verduidelijken welke ondergrondse leiding dit is, naar waar deze zou lopen en wie de afnemer zal zijn. Er zijn momenteel geen gekende pijpleidingen voor vervoer van waterstof in de onmiddellijke nabijheid van de projectsite. Deze leidingen lijken nochtans onontbeerlijk voor de exploitatie van voorliggende aanvraag, zeker gezien in het project-MER geen effecten van alternatieve verkeersstromen (via schip of wegverkeer) onderzocht werden.

 

De site wordt onderverdeeld in zones die als volgt ingericht zijn:

- de kraakinstallaties op unit 271 en unit 272: dit betreft twee identieke installaties die instaan voor de eigenlijke omzetting van ammoniak naar waterstof. Deze installaties bestaan hoofdzakelijk uit:

- een buffervat voor vloeibaar ammoniak;

- warmtewisselaars;

- de kraker (tubes gevuld met katalysatoren die zich bevinden in een gasoven/fornuis);

- glycolhoudende warmtewisselaar;

- een fakkel en aanhorigheden zoals veiligheids- en elektriciteitsvoorzieningen;

- leidingbruggen om alle onderdelen met elkaar te verbinden;

- de zone van de H2-pipeline compressoren: in deze zone worden de compressoren opgesteld die de geproduceerde waterstof kunnen transporteren;

- een zone met ondersteunende functies zoals transformatoren, substations, bufferputten voor afval-, koel- en regenwater, koelinstallaties, brandbestrijdingsinstallaties, magazijnen en gebouwen.

 

Alle genoemde zones worden onderling met elkaar verbonden door leidingbruggen en wegenis.

 

Door een in onbruik geraakt terrein te herontwikkelen volgens de bestemming die van toepassing is op dit gebied, kan het aansnijden van nieuwe ruimte vermeden worden. De aanvraag is bijgevolg functioneel inpasbaar.

 

Schaal - ruimtegebruik - bouwdichtheid

De aanvraag betreft een herontwikkeling van een industrieterrein volgens de bestemming die van toepassing is op het gebied waardoor het aansnijden van nieuwe ruimte vermeden wordt. De aanvraag is in overeenstemming en verenigbaar met de ruimtelijke context van het havengebied waarbinnen deze aanvraag is gesitueerd.

 

Visueel-vormelijke elementen

De verschillende installaties bestaan uit staalstructuren die de benodigde toestellen en leidingen ondersteunen. Deze structuren zijn eveneens voorzien van trappen en bordessen om de installaties toegankelijk te maken.

De verschillende gebouwen zijn eveneens opgebouwd uit staalstructuren en bekleed met stalen bekleding op een betonnen plint. De daken worden voorzien in een lichte kleur en zijn geschikt voor de plaatsing van fotovoltaïsche panelen.

De gebruikte materialen en gevelkleur zijn neutraal en aanvaardbaar binnen deze industriële omgeving.

 

Bodemreliëf

Verspreid over het terrein worden groen- en grindzones aangelegd om het hemelwater te laten infiltreren. Deze zones liggen circa 10 centimeter lager dan de omliggende constructies. Een tweede soort reliëfwijziging betreft de aanleg van een gracht rondom het terrein met een diepte van 25 centimeter ter compensatie van de ophoging (266 m³) binnen overstromingsgevoelig gebied.

Deze reliëfwijzigingen zijn functioneel en beperkt in omvang.

 

Hinderaspecten – gezondheid – gebruiksgenot – veiligheid in het algemeen

De vergunningverlenende overheid heeft het advies ingewonnen van de Brandweer zone Antwerpen. Op moment van opmaak van dit verslag was dit advies nog niet uitgebracht. Ook het college hecht belang aan dit advies.

 

Mobiliteitsimpact (onder andere toetsing parkeerbehoefte)

Gezien het terrein herontwikkeld wordt, genereert de aanvraag een parkeerbehoefte en verkeersbewegingen. Advies werd gevraagd aan de dienst mobiliteit van de stad Antwerpen. Zij brachten volgend advies uit:

 

Werkelijke parkeerbehoefte

Volgens het project-MER zullen er 57 mensen tewerkgesteld worden op de site in shiften van 8 uur gedurende 5 dagen. Overdag zullen er in normale omstandigheden 32 mensen aanwezig zijn, ’s nachts en in het weekend 5 à 6 personen. Bij calamiteiten of storingen kunnen er 10 mensen extra op de site aanwezig zijn. In het project-MER werd gesteld dat zo goed als iedereen met de wagen naar de site zal komen. Dit geeft, rekening houdend met de shiftwissel en eventuele bezoekers, een parkeerbehoefte van circa 50 plaatsen volgens de aanvrager.

 

Nuttige parkeerplaatsen

De aanvraag voorziet in 48 parkeerplaatsen bij de toegang tot de site en 12 bij het controlegebouw. Deze parkeerplaatsen hebben een logische ligging op het terrein. Op beide parkings zijn telkens 2 van deze parkeerplaatsen ingetekend als voorbehouden en toegankelijk voor rolstoelgebruikers. De parkeerplaatsen hebben een breedte van 3 meter (3,5 meter voor de toegankelijke), wat ruim volstaat om comfortabel te parkeren, en een lengte van 5 meter. Er is in het project-MER ook sprake van elektrische laadvoorzieningen, dit is echter niet aangeduid op het plan. De aanvrager wordt hierbij gewezen op de verplichtingen vanuit het Energiedecreet tot het plaatsen van bepaalde laadvoorzieningen bij nieuwe parkings.

 

Parkeren dient steeds op eigen terrein te gebeuren.

 

Ontsluiting/bereikbaarheid

Op het inplantingsplan werden geen looproutes voor voetgangers aangeduid. Het is aangewezen markeringen te voorzien (looplijnen en zebrapadmarkeringen) om af te bakenen waar voetgangers zich op de site kunnen begeven en om bestuurders te duiden op hun mogelijke aanwezigheid. Dit wordt meegegeven als aanbeveling. Het is aan de exploitant zelf om te zorgen voor een veilige, interne organisatie van de verschillende verkeersstromen op de eigen site.

 

De projectsite wordt ontsloten langs de Mannheimweg. Er zijn 2 aparte toegangen voorzien, elk 8 meter breed. Het gebruik hiervan is niet benoemd. Er dient verduidelijkt te worden of dit zowel in- als uitritten betreft, of er (al dan niet plaatselijk) enkelrichtingsverkeer is op de site, of er een scheiding is tussen vrachtverkeer en personenwagens en of deze toegangen al dan niet afgesloten worden met een poort (waarbij wachtende vracht- of personenwagens zich op eigen terrein kunnen opstellen).

 

De in- en uitrit voor auto's/vrachtwagens komt rechtstreeks uit op het fietspad aan de Mannheimweg. Ter hoogte van de nieuwe in- en uitrit moet op eigen terrein een verkeersbord B1 met bijhorende haaientanden-markering voorzien worden. Dit wordt opgelegd als voorwaarde. Er moet eveneens contact opgenomen worden met de wegbeheerder om het fietspad ter hoogte van de in- en uitrit te voorzien van een fietspadmarkering (twee evenwijdige witte onderbroken strepen)en een rode slemlaag. Dit om duidelijk aan te geven dat bij het verlaten van de site voorrang moet verleend worden aan de fietsers op het dubbelrichtingsfietspad in de Mannheimweg. Dit wordt ook opgelegd als voorwaarde.

 

Fietsvoorzieningen

De aanvraag bevat geen fietsvoorzieningen. Gelet op de ligging (slechts 9 kilometer vanaf de Grote Markt van Antwerpen) en de gewenste modal shift voor de Vervoerregio Antwerpen dient een fietsenstalling voorzien te worden voor minimaal 16 fietsen om het fietsgebruik bij het personeel te stimuleren. Dit wordt opgelegd als voorwaarde. Flankerende maatregelen op bedrijfsniveau (zoals fietsvergoeding, leaseprogramma, …) zijn eveneens aangewezen om de modal shift te ondersteunen.

 

Laden en lossen

In het project-MER is sprake van vrachtwagens voor aan- en afvoer van hulpstoffen en grondstoffen. Dit wordt niet verder besproken. Er dient aangevuld te worden over hoeveel vrachtwagens per jaar dit gaat, alsook waar deze het terrein zullen oprijden, zullen wachten/parkeren en laden en lossen. Laden en lossen, evenals wachten, dient steeds op eigen terrein te gebeuren.

 


Toetsing van aanvaardbaarheid van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten op het vlak van hinder en risico's voor de mens en het milieu

Voorliggende aanvraag betreft de bouw en exploitatie van een ammoniakkraker. Dit project werd Dynamo Alpha genoemd door de exploitant Air Products. De inrichting zal bestaan uit 2 identieke kraakinstallaties die in totaal zullen instaan voor een productie van 400 ton waterstofgas per dag (en maximum 185.301 Nm³/uur).

 

Het productieproces start met de aanvoer van vloeibare groene ammoniak via een bovengrondse leiding, die na opvang in een buffervat wordt verhit en verdampt middels warmtewisselaars. De ammoniak ondergaat vervolgens een thermisch en katalytisch kraakproces in twee installaties, waarbij het gas eerst door adiabatische reactorbedden stroomt en daarna in een gasoven met katalysatorbuizen wordt gesplitst in waterstof en stikstof. Deze ovens worden gestookt op een mengsel van aardgas en gerecupereerd restgas, waarbij een Selective Catalytic Reduction (SCR)-unit wordt ingezet om de stikstofoxide-emissies tot een minimum te beperken.

 

Na het kraken wordt het gasmengsel afgekoeld en naar een waterstof PSA-systeem (Pressure Swing Adsorption) geleid, waar het wordt gezuiverd tot een waterstofzuiverheid van 99,7%. Het proces is ontworpen met een geavanceerde warmte-integratie via een gesloten glycol-watersysteem dat restwarmte recupereert om de inkomende ammoniakstroom voor te verwarmen. Door restgassen binnen het systeem te hergebruiken als brandstof voor de oven, wordt een optimaal rendement van circa 95% behaald en de CO2-voetafdruk van het proces verlaagd.

 

Voor voorliggende dossier werd ook een project-MER opgemaakt. Hierover werd reeds een advies gegeven aan het Vlaams Expertisecentrum m.e.r.

 

Om dit proces mogelijk te maken worden er 2 verbrandingsovens voorzien met een individueel thermisch ingangsvermogen van 43 MW elks en 2 fakkels met een individueel thermisch ingangsvermogen van 125 MW. De fakkels op de site dienen als cruciale veiligheidsvoorziening en staan in stand-by modus voor inzet bij calamiteiten of noodgevallen. Daarnaast wordt de fakkel gebruikt bij elke opstart van de installatie om procesgassen veilig te verwerken. Hierbij wordt aardgas aangewend als piloot- en verrijkingsgas om een constante waakvlam en een volledige verbranding van de vrijkomende gassen te garanderen. Hoewel de exacte frequentie niet met gekend is, wordt het totale gebruik van de fakkel - wat zowel opstartfasen als calamiteiten omvat - geschat op 8 keer per jaar. Tijdens zo'n gebeurtenis bedraagt de voorspelde duur van het affakkelen doorgaans ongeveer 3 uur. Tijdens dergelijke afblaas bedraagt de geluidsproductie zo’n 63 dB(A) op een afstand van 200 meter van de installatie, wat binnen de norm is voor incidenteel geluid binnen industriegebied.

 

Tijdens het productieproces komen stoffen vrij zoals NOx, CO, PM10, VOC (vluchtige organische stoffen), SO2 en NH3. In het project-MER werd bekeken wat de impact is op de omgeving van deze stoffen. Er werden voor deze verschillende parameters modelberekeningen uitgevoerd. Op basis van het detailonderzoek blijkt de meest relevante parameter NO2. Er werd vastgesteld dat in het scenario 2030 (met de verstrengde normen) milderende maatregelen nodig zijn. De aanvrager verklaart dat een onderzoek naar milderende maatregelen niet noodzakelijk is, aangezien dit reeds heeft plaatsgevonden voor het project en er bijgevolg projectgeïntegreerde maatregelen genomen zijn zoals de SCR. Brongerichte maatregelen lijken niet beschikbaar te zijn. Men verwijst wel naar een mogelijkheid om de schouw en de fakkel te verhogen voor een betere dispersie. Echter, omdat de onmiddellijke omgeving beschouwd kan worden als minder gevoelig gebied wordt het voorzien van een bijkomende schouwverhoging niet als noodzakelijk geacht. Het is onduidelijk voor de stad of de aanvrager nu concludeert dat er geen milderende maatregelen noodzakelijk zijn of dat er überhaupt geen maatregelen meer mogelijk zouden zijn om de stikstofimpact te verlagen. Men lijkt hier kort door de bocht te gaan. Er dient een degelijk onderzoek naar milderende maatregelen, gekoppeld aan kosten-baten analyse toegevoegd te worden voor de verschillende stikstofverwijderende technieken.

 

De exploitant heeft een jaarlijks leidingwaterverbruik van 175.590 m³ voor de koeltoren en 390 m³ per jaar voor de huishoudelijke toepassingen.

 

Het huishoudelijk afvalwater dat wordt geproduceerd door personeel aanwezig op de site is zeer beperkt (390 m³/jaar) en wordt geloosd in het Hansadok via een IBA. Niet-verontreinigd hemelwater zal beperkt worden gebruikt voor de toiletten maar grotendeels infiltreren in een groenzone of infiltratiezone. Het hergebruikte hemelwater is ongeveer 170-221 liter/dag. De exploitant voorziet hiervoor het hemelwater van een deel van het dak van het kantoorgebouw op te vangen in een hemelwaterput van 64 m³.

 

Niet-verontreinigd hemelwater afkomstig van gebouwen zonder waterverbruik zou in principe ook gebruikt kunnen worden voor het bijvullen van de koeltorens. Echter stelt de aanvrager dat het ongebruikte hemelwaterdebiet van 3.268 m³/jaar nog geen 1% van de watervraag is. Daarom werd dit niet weerhouden. De stad wenst het belang te onderstrepen van het aanwenden van duurzame bronnen en wenst dat het bedrijf de kosten van dit hemelwatercircuit afzet ten opzichte van de kosten van leidingwater.

 

Verder stelt men ook dat een andere bron van hemelwater, deze afkomstig van de verhardingen, van onvoldoende kwaliteit zou zijn om te hergebruiken (zogenaamde niet-potentieel verontreinigde verhardingen - een oppervlakte van 29.906 m³). Dit werd echter niet gestaafd met enige onderbouwing. Nochtans kunnen gelijkaardige projecten wél hemelwater afkomstig van deze verhardingen opnieuw inzetten. De stad wenst dat het bedrijf dergelijke piste grondig onderzoekt en analyseert qua kosten-baten.

 

Het bedrijfsafvalwater bestaat uit potentieel verontreinigd hemelwater, spui van de koeltorens en eventuele spui van de opzuivering van potentieel verontreinigd hemelwater tot proceswater. Het totale debiet van het bedrijfsafvalwater zal 112 m³/uur of 94.000 m³ per jaar bedragen. De exploitant voorziet een zekere buffering (2.250 m³) om vertraagd te kunnen lozen.

 

Er wordt een bijstelling gevraagd van artikel 4.2.3.1 3° in afwijking van de algemene en sectorale voorwaarden van VLAREM II, meer bepaald worden er lozingsnormen aangevraagd, gebaseerd op een worst-case benadering. Deze lozingsnormen werden vervolgens afgetoetst aan een impactbeoordeling en daarna verstrengd:

  • Nt: 10 mg/liter én een zomerhalfjaargemiddelde van 2,9 mg/liter. Tijdelijkheid van 12 jaar, waarna de MKN van 1,8 mg/liter het richtcijfer is;
  • NH3: 0,3 mg/liter (dit is 10x het indelingscriterium);
  • NH4: 10 mg N/liter;
  • BZV: 25 mg O2/liter;
  • CZV: 96 mg O2/liter én een overgangsperiode van 1 jaar;
  • Zwevende stoffen: 60 mg/liter;
  • Pt: 1 mg/liter met een streefwaarde zomerhalfjaargemiddelde van 0,11 mg/liter.

 

Men stelt dat men de samenstelling van het afvalwater louter theoretisch heeft kunnen bepalen vanuit het proces en dat het dus aangewezen is om in het eerste jaar rigoureus te meten (minimum driemaandelijks) om te kijken of het bedrijfsafvalwater voldoet aan de gevraagde lozingsnormen. Dit dient opgelegd te worden als bijzondere voorwaarde. Ook werden in de impactbeoordeling zomerhalfjaargemiddelden gesuggereerd, deze kunnen ook opgelegd worden als bijkomende lozingsnorm.

 

Het potentieel verontreinigd hemelwater wordt via een apart systeem (het AOC-systeem of Accidentally Oil-Contaminated system) naar een KWS-afscheider met slibvang en coalescentiefilter geleid en vervolgens gebufferd voor kwaliteitscontrole en beperking van het lozingsdebiet. Hierna wordt het geloosd als bedrijfsafvalwater in het Hansadok. Dit hemelwater kan verontreinigd zijn met oliën of met ammoniak (NH3) en glycol.

 

Voor het potentieel verontreinigd hemelwater stelt men dat dit mogelijks hergebruikt zou kunnen worden, echter wenst men nog verder te onderzoeken of dit effectief praktisch werkbaar is. Dit zou een besparing van circa 12.000 m³ per jaar kunnen opleveren. Het is onduidelijk voor de stad wat dit verder onderzoek dan zal inhouden. Het lijkt vanzelfsprekend dat dergelijke studie juist binnen voorliggende procedure een interessant gegeven is en vraagt zich af waarom er hier nu geen uitsluitsel over gegeven kan worden. Dergelijk concept uitwerken vóór de aanlegfase lijkt de meest praktische keuze.

 

Volgens artikel 4.2.1.3. van het VLAREM dient men voor de afvoer van hemelwater de voorkeur te geven aan de afvoerwijzen zoals hierna in afnemende graad van prioriteit vermeld worden:

opvang voor hergebruik;

infiltratie op eigen terrein;

buffering met vertraagd lozen in een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;

lozing in de regenwaterafvoerleiding (RWA) in de straat.

Er lijken binnen dit project nog verschillende pistes te zijn om hemelwater te hergebruiken. De stad wenst dat alle pistes van hemelwaterrecuperatie, zoals eerder vermeld, onderzocht worden met een grondige kosten-baten afweging.

 

Er worden ook allerlei neveninrichtingen aangevraagd, ter ondersteuning van deze waterstofproductie. Zo worden er 3 noodstroomgeneratoren aangevraagd van respectievelijk 2x 2.500 kVA en 1x 1.250 kVA. Ook wordt er het stallen van 3 bedrijfsvoertuigen aangevraagd, zoals heftrucks. Er zal 13.000 liter aan smeerolie worden opgeslagen, dit voor een goede werking van de installaties te garanderen. Ook zal er 5.000 liter aan gevaarlijke producten in kleine verpakkingen opgeslagen worden, die dienen voor het onderhoud van de gebouwen en installaties. Er worden tevens 3 noodstroomgeneratoren voorzien van 500 kW elk en er zal een opslagtank voor diesel van 7.500 liter voorzien worden voor deze noodstroomgeneratoren. Er wordt een totaal vermogen van 11.751,4 kW aan compressoren voorzien en 296 kW aan warmtepompen.

 

Voor het conditioneren en onderhouden van de installaties zullen er diverse gevaarlijke producten opgeslagen worden. In totaal gaat het om 6,5 ton oxiderende, bijtende, schadelijke, gezondheidsgevaarlijke en/of producten die schadelijk zijn voor het aquatisch milieu. Als we ook de gevaarlijke stoffen binnen de productie-installatie meerekenen, dan wordt het geheel gezien als een zogenaamde hogedrempel Seveso-inrichting. Dit houdt in dat er bij de omgevingsvergunningsaanvraag een omgevingsveiligheidsrapport diende aangemaakt te worden (OVR). Verder werd er ook een veiligheidsinformatieplan (VIP) opgesteld tussen buur STTA en de exploitant, omwille van de overschrijding van de 10-5 isorisicocontour voor het plaatsgebonden mensrisico tot op het terrein van STTA. STTA meldt echter dat er geen grote aantallen personen aanwezig zullen zijn in deze zone, aangezien daar voornamelijk technische ruimtes en andere ondersteunende infrastructuur aanwezig zijn. In het OVR wordt verder ook gemeld dat het optreden van domino-effecten tussen beide inrichtingen niet uitgesloten kan worden, maar dat dit beheerst wordt door maatregelen die het vrijzetten van de stoffen beperken, zoals de voorziene noodstoppen.

 

De exploitatie wordt eveneens beschouwd als een GPBV-bedrijf (Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging). Als GPBV-bedrijf moet de inrichting aan strikte eisen voldoen, met name op het gebied van monitoring en Best Beschikbare Technieken (BBT). Een BBT-aftoetsing werd toegevoegd aan het project-MER.

 

Voorliggende exploitatie betreft een zogenaamde broeikasgasinrichting (BKG-inrichting). Dit wil zeggen dat men onder het zogenaamde emissiehandelsysteem valt, omwille van de hoge CO2-uitstoot, die wordt geschat op 136.074 ton per jaar. Dergelijke inrichtingen hebben verplichtingen rond het continu verminderen van de uitstoot. De exploitant heeft een energiestudie (toegevoegd als confidentieel) uitgevoerd in het kader van deze omgevingsvergunningsaanvraag. Deze studie dient beoordeeld te worden door het VEKA (Vlaams Energie- en Klimaatagentschap). De ingedeelde inrichtingen in deze aanvraag zijn bedoeld voor de productie van waterstofgas, dat gebruikt kan worden als hernieuwbare energiebron. Dit project draagt zo indirect bij aan het behalen van de Europese en stedelijke klimaatdoelstellingen.

 

Om het project uit te voeren moeten er verschillende uitgravingen plaatsvinden. Om deze uitgravingen droog uit te voeren, is dus een bemaling nodig. De bemaling zal ongeveer 22,5 maanden duren. In totaal wordt er naar schatting 922.690 m³ grondwater verpompt. Hiervan wordt 650.686 m³ teruggevoerd, waardoor netto 272.004 m³ wordt opgepompt (rubriek 53.2.3). Het deel van het water dat niet wordt geretourneerd, wordt geloosd in het dok en valt onder rubriek 3.8 (circa 2500 m³/dag). Volgens de Vlaamse regelgeving moet, voor bouwputten die dieper dan 5,5 meter worden uitgegraven (i.e., grondwaterverlaging van meer dan 6 m-mv), minstens 75% van het onttrokken volume geretourneerd worden (in theorie dus 692.016 m³). Men kan opmerken dat niet de volledige 75% van het aangevraagde volume geretourneerd wordt. Echter, deze verplichting geldt enkel voor de diepste putten. Hiervoor (7 meter) wordt 556.052 m³ opgepompt. 75% is dan 417.039 m³. Hieraan wordt ruim voldaan.

 

De bemaling wordt uitgevoerd met verticale filters in de bovenste laag en dieptebronnen onder de kleilaag (20 m-mv). De bemaling van de diepe bouwputten wordt voorzien binnen damplanken. De invloed van de bemaling rijkt tot verschillende bij OVAM gekende dossiers en PFAS no-regret zones. Voor het perceel van het project zelf wordt retourbemaling en tegenbemaling voorzien om negatieve invloed van de bemaling op de verplaatsing van aanwezige PFAS-verontreinigingen te beperken. De aanvrager verklaart ook dat de retourbronnen zo geplaatst zullen worden om aantrekking van de diepe PFAS-pluimen door de bemaling te beperken. Enkel dieptebronnen buiten de diepe verontreinigde zones worden gebruikt voor retour. De exploitant vraagt geen lozingsnormen aan voor de bemaling. Minimaal lijken er wel nodig te zijn voor enkele individuele PFAS-verbindingen. Verder is het ook onduidelijk of het water van voldoende kwaliteit zal zijn voor een retourbemaling.



Advies van het college

Gunstig advies te verlenen voor de aanvraag tot omgevingsvergunning onder voorwaarden en voor zover het advies van de Brandweer zone Antwerpen gunstig is of voorwaardelijk gunstig met uitvoerbare voorwaarden.

 

Dit advies werd opgemaakt op basis van PIV 2.

 

Geadviseerde stedenbouwkundige voorwaarden

1. Er dient voldaan te worden aan de hemelwaterverordening.

2. De archeologienota dient aangepast te worden zodat de ingrepen erin één-op-één overeenstemmen met de omgevingsvergunningsaanvraag.

3. De aan- en afvoer van de ammoniak en waterstof via leidingen dient verduidelijkt te worden.

4. Parkeren dient steeds op eigen terrein te gebeuren.

5. De verkeerssituatie op en toegangen tot het terrein dienen verduidelijkt te worden.

6. Ter hoogte van de nieuwe in- en uitrit moet op eigen terrein een verkeersbord B1 met bijhorende haaientanden-markering voorzien worden.

7. De aanvrager neemt contact op met de wegbeheerder om het fietspad ter hoogte van de in- en uitrit te voorzien van een fietspadmarkering (twee evenwijdige witte onderbroken strepen) en rode slemlaag.

8. Er dient een fietsenstalling voor minstens 16 fietsen voorzien te worden.

9. Laden en lossen, inclusief wachten, dient steeds op eigen terrein te gebeuren.

 

Geadviseerde rubrieken

Rubriek

Omschrijving

Geadviseerd voor

3.4.2°

het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat al of niet een of meer van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, bevat in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van Vlarem II, met een debiet van meer dan 2 m³/uur tot en met 100 m³/uur;

100 m³/uur

3.8.1°b)

het lozen van bemalingswater, afkomstig van een bemaling ingedeeld in rubriek 53.1, 1°, 53.2 of 53.5. met een geloosd debiet van maximaal 2.500 m³/dag afkomstig van een andere bemaling dan de bemaling vermeld in 1°, a);

2.500 m³/dag

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 liter tot en met 50.000 liter uitgezonderd de gezamenlijke opslag van minder dan 5 ton gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige brandstoffen bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt;

13.000 liter

7.11.2°a)

De fabricage van anorganisch-chemische producten, zoals van gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof, kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide, carbonylchloride;

400 ton/dag

7.13.4°

De productie van waterstof en synthesegas met een productiecapaciteit van meer dan 5 ton per dag;

400 ton/dag

12.1.1.2°a)

inrichtingen die wisselspanning opwekken, met een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van meer dan 800 kVA tot en met 10.000 kVA als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied;

1.500 kVA

12.2.2°

transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA;

2x 2.500 kVA
 1x 1.250 kVA

15.1.1°

al dan niet overdekte ruimte voor het stallen van 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of spoorvoertuigen zijn;

3 voertuigen

16.1.b)3°

de productie (met inbegrip van de gasraffinage) of omzetting van gassen, cokesgas uitgezonderd, overige, met een productiecapaciteit van: meer dan 100 Nm³/uur;

185.301 Nm³/uur

16.2.3°

inrichtingen voor het niet-huishoudelijk scheiden, langs fysische weg, cokesgas uitgezonderd, van gassen op basis van de etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 (ontvlambaar) of GHS06 (giftig);

185.301 Nm³/uur

16.3.2°b)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen, airconditioningsinstallaties, en andere installaties voor het fysisch behandelen van gassen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW;

12.047,40 kW

17.2.2.

VR-plichtige inrichting waar gevaarlijke producten in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, deel 1 en 2, kolom 3, bij dit besluit, aanwezig zijn, in voorkomend geval gebruikmakend van de sommatieregel, vermeld in noot 4 bij bijlage 5, deel 1 en deel 2 (hogedrempel Seveso-inrichting);

1 seveso-inrichting

17.3.2.1.1.1°b)

opslag van gasolie, diesel, lichte stookolie en gelijkaardige vloeistoffen met een vlampunt hoger dan of gelijk aan 55°C met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton als de inrichting niet hoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt;

6,25 ton

17.3.3.1°a)

opslagplaatsen gelegen volledig in industriegebied voor oxiderende vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS03) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 200 kg tot en met 20 ton;

6,50 ton

17.3.4.1°a)

opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied;

6,50 ton

17.3.6.1°a)

opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 200 kg tot en met 20 ton als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied;

6,50 ton

17.3.7.1°a)

opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen die op lange termijn gezondheidsgevaarlijk zijn (gevarenpictogram GHS08) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van 100 kg tot en met 20 ton, als de inrichting volledig is gelegen in industriegebied;

6,50 ton

17.3.8.2°

opslagplaatsen voor het aquatisch milieugevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (gevarenpictogram GHS09) met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 2 ton tot en met 200 ton;

6,50 ton

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kg, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 liter en 5.000 kg of 5.000 liter;

5.000 liter

31.1.1°a)

stationaire motoren en gasturbines met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 kW tot en met 2.000 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt;

1.500 kW

43.1.3°

stookinstallaties zonder elektriciteitsproductie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5.000 kW;

86.000 kW

43.4.

installaties voor het verbranden van brandstof met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of stedelijk afval;

336 MW

53.2.3°

bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, allebei met inbegrip van het weer in de ondergrond brengen van bemalingswater en het nuttige gebruik tot maximaal 5.000 m³ bemalingswater per jaar met een netto opgepompt volume per IIOA van meer dan 180.000 m³.

272.004 m³

 

Geadviseerde bijzondere milieuvoorwaarden

1. Om het opgepompte debiet minimaal te houden, wordt na het bereiken van de noodzakelijke verlaging van de grondwatertafel, het opgepompte debiet maximaal teruggeschroefd, om de verlaging in stand te houden.

2. Het debiet van de bemaling wordt opgevolgd door middel van correct werkende debietmeters en bijgehouden in een logboek dat steeds op de werf aanwezig is en ter inzage wordt gehouden van de toezichthoudende overheid.

3. De exploitant duidt of er lozingsnormen aangevraagd moeten worden en of de waterkwaliteit voldoende zal zijn om retour mogelijk te maken.

 

Fasering

Procedurestap

Datum

Ontvangst adviesvraag

12 januari 2026

Start openbaar onderzoek

22 januari 2026

Einde openbaar onderzoek

20 februari 2026

Gemeenteraad voor aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen

geen

Uiterste adviesdatum

3 maart 2026

 

Onderzoek

De aanvraag werd onderworpen aan een openbaar onderzoek. Er werden geen standpunten, opmerkingen of bezwaren ingediend tijdens de openbaarmaking.

 

Informatievergadering

Over de aanvraag werd een informatievergadering georganiseerd op 29 januari 2026. Het verslag hiervan werd overgemaakt aan de vergunningverlenende overheid.

 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een gunstig advies, zoals geformuleerd in de argumentatie, te geven op de aanvraag, onder volgende voorwaarden en voor zover het advies van de Brandweer zone Antwerpen gunstig is of voorwaardelijk gunstig met uitvoerbare voorwaarden.

 

Geadviseerde stedenbouwkundige voorwaarden

1. Er dient voldaan te worden aan de hemelwaterverordening.

2. De archeologienota dient aangepast te worden zodat de ingrepen erin één-op-één overeenstemmen met de omgevingsvergunningsaanvraag.

3. De aan- en afvoer van de ammoniak en waterstof via leidingen dient verduidelijkt te worden.

4. Parkeren dient steeds op eigen terrein te gebeuren.

5. De verkeerssituatie op en toegangen tot het terrein dienen verduidelijkt te worden.

6. Ter hoogte van de nieuwe in- en uitrit moet op eigen terrein een verkeersbord B1 met bijhorende haaientanden-markering voorzien worden.

7. De aanvrager neemt contact op met de wegbeheerder om het fietspad ter hoogte van de in- en uitrit te voorzien van een fietspadmarkering (twee evenwijdige witte onderbroken strepen) en rode slemlaag.

8. Er dient een fietsenstalling voor minstens 16 fietsen voorzien te worden.

9. Laden en lossen, inclusief wachten, dient steeds op eigen terrein te gebeuren.

 

Geadviseerde bijzondere milieuvoorwaarden

1. Om het opgepompte debiet minimaal te houden, wordt na het bereiken van de noodzakelijke verlaging van de grondwatertafel, het opgepompte debiet maximaal teruggeschroefd, om de verlaging in stand te houden.

2. Het debiet van de bemaling wordt opgevolgd door middel van correct werkende debietmeters en bijgehouden in een logboek dat steeds op de werf aanwezig is en ter inzage wordt gehouden van de toezichthoudende overheid.

3. De exploitant duidt of er lozingsnormen aangevraagd moeten worden en of de waterkwaliteit voldoende zal zijn om retour mogelijk te maken.


 

Artikel 2

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.